Intrede van rabbijn Obadiah van Bertinoro in 1488 in Jeruzalem

'Joodse reiziger' door Poolse schilder Michal Pociecha ca 1900

Obadiah ben Abraham di Bartenura (1445-1516) werd rabbijn van Bertinoro en Castello in Italië. In 1485 vertrok hij naar Citta di Castello op een reis naar Eretz Israël. Hij schreef een verslag neer van zijn reis in drie brieven gericht aan zijn vader, zijn broer en een niet-geïdentificeerde persoon. Deze brieven, met veel informatie over geografische, historische en culturele bezienswaardigheden, behoren tot de beste in de in het Hebreeuws geschreven bekende reisliteratuur. De reis van de Italiaanse rabbijn van Bertinoro duurde bijna drie jaar, gedurende welke tijd hij een bezoek bracht aan Napels, Salerno, Palermo, Messina, Rhodos en Egypte.

In Eretz Israël doorliep hij Gaza, Hebron en Bethlehem vóóraleer hij Jeruzalem zal bereiken omstreeks 1488. Jeruzalem was in die tijd nog niet de ommuurde stad zoals we die nu kennen. Die muur zal pas opgericht worden nadat het Turks Ottomaanse Rijk onder Selim I in 1517 Jeruzalem zal veroveren op de Mamelukken, die het gebied sinds 1250 bezet hielden en omstreeks 1291 de laatste kruisvaarders uit de Levant hadden verdreven. Sultan Suleiman de Grote (1520-1566) was zo begeesterd door Jeruzalem en haar benarde situatie als gevolg van de verwaarlozing van de stad door de Mamelukken dat hij het op zich nam om de stad te beschermen en een prachtige vestingmuur liet optrekken rondom de hele stad, vandaag bekend als de Old City Wall. Die werken begonnen omstreeks 1537 en waren niet eerder beëindigd dan 1541.

In zijn brieven beschrijft rabbijn Obadiah van Bertinoro de situatie in Jeruzalem op het ogenblik van zijn aankomst in de stad. De rabbijn van Bertinoro schreef toen over een bevolking van Jeruzalem van ongeveer 4000 families waarvan 70 Joodse families. Met de hulp van Nathan Ha-Kohen Sholal een Egyptische nagid, slaagde hij erin om aan het hoofd te komen van een kleine en verarmde Joodse gemeenschap [yeshiva]. Met veel moeite slaagde Bertinoro erin de samenleving te reorganiseren. Zijn komst in Palestina markeerde een nieuw tijdperk voor de Joodse gemeenschap en tegelijk ook voor het hele land.

Dhimmies…

De administratie van de Joodse gemeenschap in Jeruzalem was in de handen gevallen van onrechtvaardige ambtenaren die zowel de groten als de kleinen tiranniseerden. De armen werden meedogenloos belast door de mohammedaanse regering; de rijken werden op eenzelfde wijze behandeld en uit de stad verdreven door hen buitensporige eisen op te leggen, zodat de Joodse gemeenschap stilaan op de rand van de afgrond leefde. Met zijn connecties in Italië slaagde de rabbijn van Bertinoro erin om voldoende geld in te zamelen zodat hij de armen kon ondersteunen, wat uiteraard ook zijn aanzien en invloed binnen die kleine Joodse gemeenschap nog zal verhogen. Hij slaagde erin om de jaarlijkse taks van 400 dukaten te laten afschaffen, die aan de basis lag van de onderdrukking en het onrecht dat de Joden van Jeruzalem werd aangedaan. In plaats daarvan werd onder zijn invloed door de moslimregering een eenvoudig rechtstreeks aan het bestuur verschuldigde belastingsregeling ingevoerd.

De Ottomanen toonden zich aldus [in vergelijking met de vorige heersers] redelijk welwillend tegenover de Joden, die zich in het leven als dhimmie hadden geschikt en die trouw an hun moslimheersers de speciale taksen betaalden die van niet-moslims en Joden werd geëist. Het Ottomaanse bestuur stond zelfs aan duizenden Joodse vluchtelingen toe om terug te keren naar het Land van Israël, nadat deze [Marranos] in 1492 uit Spanje werden verdreven door Ferdinand II van Aragon en Isabella I van Castilië. Deze nieuw toegekomen Sefardische vluchtelingen zullen de leefomstandigheden in het Land van Israël nog verder te verbeteren en betekenden uiteraard ook een nieuwe bron van inkomsten voor het Ottomaanse bestuur [vandaar wellicht ook die zgn. Ottomaanse ‘welwillendheid’] dat niet zal nalaten de laatste centen van de Joden af te persen. Echter, zolang de Joden hun taksen aan de Turks-Ottomaanse heersers bleven of konden betalen leken de leefomstandigheden aanvaardbaar. De Joden die dat niet konden kregen het zwaar te verduren. De rabbijn van Bertinoro stierf omstreeks 1516 en werd begraven op de Joodse begraafplaats op de Olijfberg.

Intrede van rabbijn Obadiah van Bertinoro in Jeruzalem

Ongeveer driekwart mijl van Jeruzalem, op een plaats waar de berg wordt beklommen via trappen, keken we tot onze grote vreugde uit over de beroemde stad en schikten we hier onze kledij zoals dat betaamt. Een beetje verder werd het heiligdom zichtbaar, het verlaten huis van onze pracht en glorie, en bij het zien ervan brachten we opnieuw onze kledij op orde. We kwamen ver genoeg om de poorten van Jeruzalem te bereiken en ’s middags op de 13de van Nissan 5248 [3 april 1488] stonden we met onze voeten binnen de poorten van de stad…

Jeruzalem is voor het grootste deel verlaten en ligt in puin. Ik hoef niet te herhalen dat het niet wordt omgeven door muren. De bevolking, zo heeft men mij verteld, bestaat uit ongeveer vierduizend gezinnen. Wat de Joden betreft zijn ongeveer zeventig gezinnen van de armste klasse overgebleven, er is nauwelijks geen gezin bij dat niet dringend behoefte heeft aan de meest voorkomende benodigdheden; iemand die voor een jaar brood heeft wordt hier rijk genoemd. Onder de Joodse bevolking zijn er vele bejaarden, verlaten weduwen afkomstig uit Duitsland, Spanje, Portugal en andere landen, zodat er in verhouding zeven vrouwen tot één man zijn…

De Joden worden in dit landsdeel niet zo vervolgd door de Arabieren als elders. Ik heb doorheen het land gereisd in de lengte en de breedte, en niemand heeft me ooit een obstakel in de weg gelegd. Ze staan erg vriendelijk tegenover vreemden…

De synagoge werd hier op kolommen gebouwd; ze is lang, smal en donker, en het licht komt enkel binnen via de deur. In het midden staat er een fontein. Op de binnenplaats van de synagoge werd er heel dichtbij een moskee opgetrokken. De binnenplaats van de synagoge is zeer groot en bevat vele huizen, allemaal gebouwen die door de Ashkenazim werden gewijd aan liefdadige doelen en bewoond worden door Ashkenazische weduwen. Vroeger bestonden er veel binnenplaatsen in de Joodse straten die tot deze gebouwen behoorden, maar de ouderlingen verkocht ze zodat geen enkele meer is overgebleven. Ze konden echter de gebouwen van de Ashkenazim niet verkopen, en geen andere arme kon zijn rechten laten gelden. De straat van de Joden en de huizen zijn zeer groot; sommige van hen wonen ook op de Zionberg. Op een gegeven ogenblik bezaten ze meer huizen, maar dat zijn tegenwoordig bergen rommel en puin en kunnen niet meer herbouwd worden; want volgens de wetten van het land mag een Jood wiens huis in puin is vervallen, zijn huis niet heropbouwen zonder toestemming [van de overheid], en de toestemming kost vaak meer dan de waarde van het hele huis samen. De huizen van Jeruzalem zijn van steen, geen van hout of plaaster…

Jeruzalem, ondanks de vernietiging, bevat aan de voet van de Zionberg, nog steeds vier zeer mooie, lange bazaars, zoals ik nog nooit eerder heb ezien. Zij hebben allen koepelvormige daken en er worden van elke soort waren aangeboden. Ze zijn onderverdeeld in verschillende afdelingen, de handelsbazaar, de kruidenbazaar, de groentemarkt en een bazaar waarin gekookt voedsel en brood worden verkocht. Toen ik aankwam in Jeruzalem heerste er een vreselijke hongersnood in het land… Vele Joden stierven van de honger; ze werden nog een dag of twee gezien, bedelend voor brood dat niemand hen kon geven en de volgende dag werden ze dood aangetroffen in hun huizen. Velen overleven op gras, en trekken er op uit zoals herten op zoek gaan naar weidegrond. Op dit moment is er hier slechts een Duitse rabbijn, die werd opgeleid in Jeruzalem. Ik heb nog nooit zijn gelijke gezien in nederigheid en de vreze Gods, hij weeft dag en nacht wanneer hij niet bezig is met zijn studie, en gedurende zes maanden heeft hij tussen de ene sabbat en de laatste sabbat geen brood geproefd; zijn voedsel bestaat uit rauwe rapen en de resten van Sint-Jansbrood – dat hier zeer overvloedig groeit – nadat de suiker er werd uitgetrokken…

Nu is de tarwe-oogst afgelopen, de hongersnood ten einde en is er opnieuw overvloed, dankzij onze Here G’ds. Hier, in Jeruzalem, heb ik verschillende soorten groenten gezien die in ons land niet te vinden zijn. Zo groeit er een boom met lange bladeren, die hoger groeit dan het postuur van een man en die slechts één keer vruchten draagt; die daarna verdort maar vanuit de wortels stijgt er een andere gelijkaardige plant op die opnieuw vruchten draagt het komende jaar en wordt hetzelfde steeds herhaald. De druiven zijn groter dan in ons land.. Alle noodzakelijke levensbehoeften zoals vlees, wijn, olijven en sesamolie zijn er heel goedkoop. De grond is uitstekend; maar het is niet mogelijk om in je eigen levensonderhoud te voorzien door gelijk welke tak in de industrie, tenzij in dat van schoenmaker, wever of goudsmid…

Mensen van verschillende nationaliteiten uit christelijke landen zijn altijd te vinden in Jeruzalem alsook uit Babylonië en Abessinië. De Arabieren komen vaak gebeden opzeggen in de tempel, die ze zeer vereren… Geen Jood mag het tempelcomplex betreden. Hoewel soms Arabieren staan te popelen om timmerlieden en goudsmeden aan te nemen om er dringende werkzaamheden te laten uitvoeren, laten ze toch niemand binnen, toegeven dat daar werkzaamheden, niemand zal gaan, omdat we allemaal [bezoedeld] zijn [door het aanraken van lichamen van de doden]. Ik weet niet of de Arabieren het Heilige der Heiligen binnengaan of niet. Ik heb ook vragen met betrekking tot de Eben Shethiah [de eerste steen] waar de Ark des Verbonds was geplaatst en krijg te horen dat die zich zou bevinden onder een hoge en mooie koepel die door de Arabieren in de tuin van de tempel werd gebouwd. Het zit ingesloten in dit gebouw en niemand mag naar binnen. Er is een grote rijkdom in de besloten ruimte van de tempel. We vernemen dat de vorsten kamers hebben gebouwd die helemaal werden ingelegd met goud en de koning die thans regeert daarvan wordt gezegd dat hij een gebouw heeft opgericht, dat nog veel prachtiger is dan er ooit werd gebouwd helemaal werd belegd met goud en edelstenen.

De tempel ommuring heeft nog steeds twaalf poorten. Degenen die de poorten van de barmhartigheid worden genoemd, zijn gemaakt van ijzer en telkens per paar opgericht; ze kijken uit op het oosten van de tempel en zijn altijd gesloten. Zij zijn alleen te bereiken halverwege boven de grond waarvan de andere helft verzonken is in de aarde. Er wordt gezegd dat de Arabieren vaak geprobeerd om ze omhoog te verheffen, maar niet in staat bleken om dat te doen.

De westelijke muur, waarvan een deel nog steeds overeind staat, is samengesteld uit grote, dikke stenen, zoals ik nog nooit eerder heb gezien in een oud gebouw, noch in Rome of in enig ander land. Op de noordoostelijke hoek is een toren van zeer grote stenen. Ik ging naar binnen en vond een enorm bouwwerk gesteund door massieve pilaren en verheven, er zijn zoveel stijlen dat het me veel moeite kostte om naar het einde van het gebouw te gaan. Alles is gevuld met de aarde die daar gegooid werd vanuit de ruïnes van de tempel. Het tempelgebouw steunt op deze kolommen en in elk van hen zit een gat waar een koord doorheen kan worden getrokken. Er wordt gezegd dat de stieren en rammen die werden geofferd, hier aan werden vastgebonden. Over de hele regio van Jeruzalem, zowel in de velden als in de wijngaarden, zijn er grotten die allemaal met elkaar verbonden zijn.

De Olijfberg loopt omhoog en is onvruchtbaar; er is nauwelijks nog een olijfboom te vinden. Vanaf de top, kan men in de verte Sodom en Gomorra zie liggen, die nu een zoute zee vormen… Op de Olijfberg zijn liggen de graven van de profeet Haggaï en de profetes Hulda en meer dan tien andere grotten die leiden van de ene naar de andere. Het graf van de zeventig oudsten, dat ongeveer tweeduizend ellen van Jeruzalem ligt, is prachtig vooral dat van Simon de Rechtvaardige…

Aan de voet van de helling van de tempelberg zijn Joodse graven; de nieuwste liggen aan de voet van de Olijfberg en het dal loopt tussen de begraafplaatsen heen. Niet ver van hier zijn de monumenten van Absalom en van de profeet Zacharia; lager gelegen zeggen bidders hun gebeden op vastendagen en op de 9de dag van Ab worden de klaagzangen herhaald.

Ik heb hier een huis genomen in de buurt van de synagoge. De bovenste kamer van mijn woning zit nog in de muur van de synagoge. In de binnenplaats waar mijn huis is gelegen, zijn er vijf bewoners, allemaal vrouwen. Er woont hier slechts één blinde man en zijn vrouw hoort bij mij… De meeste van degenen die vanuit het buitenland naar Jeruzalem komen worden ziek, als gevolg van klimatologische veranderingen en de plotselinge variaties van de wind, nu eens koud dan weer heet. Alle mogelijke winden waaien doorheen Jeruzalem. Er wordt gezegd dat elke wind, vooraleer hij zijn weg gaat, eerst doorheen Jeruzalem blaast om zich te buigen voor de Heer, gezegend is Hij die de waarheid kent…

In haast afgewerkt in Jeruzalem, de Heilige Stad. Moge het nog in onze dagen snel herbouwd worden. Op de 8ste Elul van 5248 [24 augustus 1488]

ח׳ בְּאֱלוּל רמ״ח


Bronnen: Israel, Then Now and In-Between; 1997; Amiran Gonen, ISBN 965 05 0890 2; The Jerusalem Anthology, door Reuven Hammer, van 1995, ISBN 0 8276 0554 4; Informaworld: THE LETTERS OF OBADIAH JARE DA BERTINORO – (1487-90) Editors: Elkan Nathan Adler; Questia: A Treasury of Jewish Letters: Letters from the Famous and the Humble door Franz Koble; op Brabosh.com: Relaas van een verblijf van veertig dagen in het Heilig Land (Sir Moses Montefiore) van 13 juni 2010

Advertenties

Relaas van een verblijf van veertig dagen in het Heilig Land (Sir Moses Montefiore)

Foto hierboven Jeruzalem in 1880 gezien vanuit de Oude Stad. Tot halverwege de 19de eeuw bestond er in feite maar één Jeruzalem, met name dat deel dat men nu de Oude Stad heet en dat tussen 1948 en 1967 tijdelijk  ‘Oost-Jeruzalem‘ werd genoemd en door de tegenstanders van de Joodse staat tot op vandaag zo wordt genoemd. In werkelijkheid is de Oude Stad het oorspronkelijke millennia oude Jeruzalem, dat in 1542 werd ommuurd door de Ottomaanse sultan Suleyman I. Jeruzalem werd door de Arabieren leeggeroofd en compleet verwaarloosd en was de facto van nul en generlei waarde in de Arabische of moslimwereld.  Jeruzalem wordt zelfs niet één keer vernoemd in de koran. De Arabische aandacht voor de stad zal pas ontwaken  wanneer de Joden beginnen terugkeren naar hun heimat halverwege de 19de eeuw.

Sir Mozes Montefiore op zijn 100ste verjaardag

Op de afbeelding zie je Mishkenoth Sha’annanim, de eerste Joodse buurt die in 1860 werd gebouwd buiten de stadsmuren van Jeruzalem, de zogeheten New City of Nieuwe Stad (West-Jeruzalem), en dat op aansturen van Sir Moses Montefiori op het einde van de jaren 1850. De windmolen (rechtsboven op de foto) werd gebouwd in 1857 en maakte deel uit van dat bouwproject. In de jaren 1880 kwam er naast de Mishkenoth Sha’annanim wijk een andere Joodse wijk – Yemin Moshe – genaamd naar Sir Moses Montefiori. De nieuwe wijk bevind zich rechts op de foto. Na de oorlog van 1948, wanneer de stad verdeeld werd tussen Israël en Jordanië, bevonden de twee wijken zich op een vijandige grens (in West-Jeruzalem). Voor enkele decennia na de oorlog raakten de wijken in verval en werden bewoond door arme gezinnen. Na het einde van de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 en na de hereniging van Oost- en West-Jeruzalem, werd de hele wijk opgekalfaterd.

Sir Mozes Montefiroe werd geboren in 1784 in Italië en groeide op in Londen. Hij werd een van de weinige Joodse leden van de Londense Stock Exchange (beurs). Hij vertegenwoordigde de Rothschilds en trouwde zich in 1812 in de familie. Tussen 1827 en 1875, bezocht hij Palestina zeven keer, meestal samen met zijn vrouw. Ze reisden met paard en wagen, per boot, per kameel en te voet. Na zijn eerste bezoek werd hij een strikte observant. Hij bouwde ook zijn eigen synagoge op zijn landgoed buiten Londen. Hij was een man die gedreven werd door zijn liefde voor zijn mede-Joden, met name degenen die zich in het land van Israël vestigden. Hij trad op als hun woordvoerder bij de Ottomaanse heersers. Hij verzamelde over de hele wereld Joden en bood hen zijn hulp aan als ze aliyah zouden maken. Tot zijn projecten behoorde het opstarten van de eerste Joodse drukpers in Jeruzalem. Hij bouwde een schrijn boven het graf van Rachel, een landbouwbedrijf in de buurt van Jaffa, en het symbool van zijn roem, de molen Yemin Moshe (hierboven op de afbeelding rechts).

Het volgende is een reisverslag van Sir Mozes Montefiore tijdens één van zijn laatste reizen aan het land – in 1875 – alwaar hij tot zijn groot genoegen de onvermoeide bouwlust en ondernemingswoede kan vaststellen van de pas ingeweken onvermoeibare Joodse immigranten in het Heilig Land.

A narrative of a forty days sojourn in the Holy Land

[Relaas van een verblijf van veertig dagen in het Heilig Land]
door Sir Moses Montefiore

Om vijf uur in de ochtend werden we al begroet door vrienden die onze komst hadden opgewacht en een half uur later hielden we halt op de plaats vanwaar we een volledig overzicht hadden over de Heilige Stad. Daar hebben we de ceremonie van Keriah uitgevoerd [het scheuren van een kledingstuk als een teken van rouw – auteur] en de gebruikelijke zegen uitgesproken, omringd door een menigte mensen die op ons vanuit alle richtingen kwamen toegelopen.

Jood in Jeruzalem, afkomstig uit Boecharia in Centraal-Azië

Zodra we ons verder bewogen in de richting van Jeruzalem, kon ik niets anders doen dan om naar rechts en links te kijken en naar het aantal nieuwe huizen te zien, waarvan sommige van hen zeer grote gebouwen waren en de monden van vrienden geen rust namen om ons erover te vertellen: “Dit is een huis van een van ons“; “Dat stuk grond is aangekocht door N.N., iemand van onze gemeenschap” en toen we nog verder liepen was het niet eens meer nodig om te informeren naar de naam van de eigenaar wanneer telkens de hele familie van eigenaars uit hun huizen kwamen en ik het geluk had honderden van mijn eigen broeders te zien die zich in rijen voor de gevels hun woningen opstelden. Op dat ogenblik werd mijn aandacht getrokken door mijn zeer gewaardeerde vriend, ds. Samuel Salant, een gentleman die mij werd voorgesteld in Constantinopel door wijlen de eerwaarde heer Rivlin Mozes, in het jaar 5601 (1840) en die de afgelopen vijfendertig jaren een van mijn correspondenten was over kwesties die verband houden met het Heilige Land.

Zijn gelaat straalde van vreugde toen hij me zag en hij sprak de zegen uit van “Shehekheyanoo” [een dankzegging om het geluk te hebben gehad een speciale gebeurtenis of ervaring te hebben beleefd – auteur]. Ik was blij om hem aan te treffen in blakende gezondheid en er bijna net zo jong uitziend als toen ik hem negen jaar geleden voor het laatst had gezien. Toen we een eindje verderop de weg gingen werd mij een nieuwe synagoge getoond in een plaats genaamd Nakhalat Shibeah; die omringd werd door een aantal huizen die bewoond werden door een vijftigtal gezinnen. Opnieuw werd mij een stuk grond aangewezen als behorende tot een partij waarop zestig huizen zouden gebouwd worden. En, wanneer ik het meer in Boven Gikhon naderde, niet ver van de windmolen die ik achttien jaar geleden heb laten bouwen op het landgoed Kerem Moshe Ve-Yehoodit, werd mijn aandacht getrokken door twee andere recent gebouwde windmolens die, naar men mij vertelde, veel winst opleverde voor de Grieken aan wie ze toebehoorden.

Groot was mijn vreugde toen ik erover nadacht dat er maar een paar jaar waren verstreken sinds het moment dat er niet één Joods gezin woonde buiten de poorten van Jeruzalem en er geen enkel huis te zien was en nu zag ik bijna een heel nieuw Jeruzalem opkomen met gebouwen waarvan sommigen konden wedijveren met de mooiste gebouwen in Europa. “Natuurlijk”, riep ik uit, “naderen wij de tijd dat we getuigen zijn van de realisatie van G’d ’s heilige beloften voor Zion! ‘Eens was u verlaten en gehaat, werd u door niemand bezocht. Maar nu maak ik u beroemd, voor altijd, u wordt een bron van vreugde, voor alle geslachten.’ [Jesaja 60:15]” Toen mijn rijtuig van de Jaffapoort bereikte moest ik uitstappen. De straten en de trottoirs van Jeruzalem, zo had de bestuurder opgemerkt, waren nog niet geschikt voor rijtuigen.

In de loop van de avond kreeg ik een uitnodiging van de bouwcommissie van een kleine kolonie genaamd Meah Shearim om er de eerste steen van een nieuwe rij huizen te leggen. “Het bedrijf,” zeiden ze, “namens wie we hunkeren naar de eer van uw aanwezigheid, heeft thans het aantal van 120 leden bereikt en staat onder de leiding van de heer Zalm Beharan, die wordt bijgestaan door de penningmeester, de heer Ben Zion Lion en de secretaris, de heer Jesaias Ornstein. Het doel is om elk jaar minstens tien woningen te bouwen die na afloop worden verloot onder tien van onze leden. Het bedrijf, dat slechts twee jaar geleden werd opgericht, heeft al twintig huizen gebouwd die allen bewoond worden. Er zal een synagoge worden gebouwd, een College en een school; alsmede een openbare badplaats in het midden van het plein en een groot waterreservoir voor de watervoorziening.”

Deurstoep van de naaischool in Schneller Woods, dat aangeduid werd als het ‘2de huis buiten de stadsmuren’.

Op mijn vraag of ze de enige bouwonderneming waren in Jeruzalem antwoordden ze: “Nee, er zijn nog twee andere…” Dus alles samen zullen er binnen een paar jaren 235 van onze broeders zijn, eigenaars van de meest comfortabele woningen gelegen in een zeer heilzame plaats net buiten de stad, die zij verzekerd hebben door hun eigen inspanning en met hun eigen geld.

Vrijdag (13 augustus) ging ik naar de Klaagmuur om de gebruikelijke gebeden op te zeggen. De weg die leidde tot deze gewijde plek en de huizen in de nabijheid ervan, verkeren nog steeds in vervallen staat waardoor man en paard te struikelen over losgekomen fragmenten van oude bouwsels die de pelgrim eraan herinneren dat nog een groot deel van de werkzaamheden nog moet worden uitgevoerd vooraleer de paden van Zion weer gelijk en glad zullen zijn.

Toen ik in het jaar 1866 Jeruzalem bezocht, heb ik me nadien erg ingespannen om een luifel te hebben aan de Westelijke Muur. Ik had al een overeenkomst gesloten voor de uitvoering van het werk, maar onverwacht deden er zich enkele problemen voor die niet konden opgelost raken en heb ik de zak laten rusten. Een man heeft er onlangs geprobeerd om enkele zitplaatsen te arrangeren voor de talrijke bezoekers die dagelijks die plek aandoen, en omdat hij maar niet slaagde in zijn pogingen, vroeg hij toestemming om op zijn minst een aantal grote vierkante marmeren stenen die daar stonden te mogen gebruiken, wat hem alsnog werd toegestaan. Maar ze bleven niet lang an hem toegewezen; eerst was er een steen verdwenen, dan een andere, totdat ze uiteindelijk allemaal verdwenen waren….

De Hakham Bashi [opperrabbijn, auteur] heeft mij gevraagd of ik een speciale afvaardiging wilde ontvangen, ik verwees naar de namiddag voor een interview, alhoewel ik reeds de vermoeidheid voelde van de drukte van deze morgen, en ik de noodzaak voelde om me even te ruste te leggen op mijn kamer. Omstreeks twee uur in de namiddag, kwamen Haham Shalom Moshe Khay Gagin, directeur van de Yesheebat Toledoth Yitzhak en Signor Yitzkhak Kalamaro, de schatbewaarder van de ‘Bethel’-synagoge, bij mij op bezoek. Ze deelden mij hun intenties mede opgenomen dat ze de grond hadden vastgelegd voor de bouw van 80 huizen, een synagoge, Beth Hamidrash en een openbaar badhuis.

Ze hadden al, zeiden ze, besloten om voor dat doel de aankoop een stuk grond nabij de stadsmuur gelegen, die 26.000 bouw ares opleverden tegen de prijs van 900 Napoleons, van welk bedrag de Congregatie Gurgistan bereid was om tot 650 Napoleons bij te dragen, maar helaas de kosten die nodig waren om met dat doel de aankoop van die grond veilig te stellen door middel van een contract, liepen zo hoog op dat ze noodgedwongen moesten afzien van die aankoop. De deputatie heeft mij een aantal voorstellen over dat onderwerp overgemaakt waarover ik hen beloofde die in overweging te nemen. Ze communiceerden met mij over kwesties met betrekking tot de Kerem Moshe ve-Yehoodit, en ik gaf hen volledige adviezen hoe ze de zak moesten aanpakken om zo het beoogde doel veilig te stellen.

Bronnen: Israel, Then Now and In-Between; 1997; Amiran Gonen, ISBN 965 05 0890 2; The Jerusalem Anthology, door Reuven Hammer, van 1995, ISBN 0 8276 0554 4