Opperrabbijn Kook en de kwestie van de Kotel (Klaagmuur) in 1930

Jeruzalem, 7 juni 1967. Rabbi Shlomo Goren, temidden soldaten van de IDF, blaast op de sjofar aan de Kotel (Klaagmuur) nadat de Oude Stad van Jeruzalem werd heroverd op het Jordaanse bezettingsleger

Opperrabbijn tijdens het Britse Mandaat voor Palestina, Rabbi Abraham Isaac Kook, stond onder zware Britse druk om de Arabieren het eigendom van de Kotel te verlenen in ruil voor het recht om daar te bidden. Dan gebeurde er dit…

Rabbi Zvi Yehudah Kook herinnerde zich de enorme druk die op zijn vader, Rabbi Abraham Isaac Kook werd uitgeoefend, die avond in 1930 in de wijk Kiryat Moshe in Jeruzalem.

“Hoe intens, hoe ernstig, hoe nijpend waren de waarschuwingen en intimidaties in die tijd, met al hun dreigende dreigementen. Twee naties [de Arabieren en de Britten] spoorden ons aan met leugens en moorddadige vallen, om een ​​overeenkomst te ondertekenen en afstand te doen van het eigendom van de Kotel, de overgebleven muur van onze Heilige Tempel…” ( LeNetivot Yisrael vol. I, p. 65 )

Rabbi Abraham Isaac Kook (1865-1935)

De ambities van de moefti

Al in de tijd van de eerste Britse Hoge Commissaris, werd Hajj Amin al-Husseini benoemd tot moefti van Jeruzalem, geestelijk en nationaal leider van de Arabieren. Een van de vele middelen die de beruchte moefti gebruikte in zijn strijd tegen de Joodse nationale terugkeer naar Eretz Yisrael was het afwijzen van alle Joodse rechten op de Kotel HaMa’aravi, de Westelijke Muur.

De Arabieren behaalden een gedeeltelijke overwinning in 1922, toen de Britse regering van het Mandaat Palestina een verbod uitvaardigde voor het plaatsen van banken in de buurt van de Kotel.

In 1928 onderbraken Britse officieren de Yom Kippur-dienst en ontmantelden ze met geweld de mechitza die mannen en vrouwen scheidde tijdens het gebed.

Een paar maanden later bedachten de moefti en zijn cohorten een nieuwe provocatie. Ze begonnen islamitische religieuze ceremonies te houden tegenover de Kotel, precies op het moment dat de Joden aan het bidden waren.

Tot overmaat van ramp gaven de Britse autoriteiten de Arabieren toestemming om het gebouw naast de Kotel om te vormen tot een moskee, compleet met een toren voor de muezzin, de omroeper die moslims vijf keer per dag tot gebed oproept. De luide trillers van de muezzin zouden de Joodse gebeden zeker verstoren.

Actieve Arabische turbulentie bereikte zijn hoogtepunt tijdens de bloedige rellen van 1929. Op de 10e van Av zwermden zo’n 2.000 Arabieren over de Kotel, verjaagden de Joden die daar baden en verbrandden verschillende Torah-rollen.

De week daarop braken rellen uit in Jeruzalem en verspreidden zich over het hele land. Bijna honderd Joden werden afgeslacht tijdens de rellen, voornamelijk in Hebron en Jeruzalem.

Montreal, Canada, 5 mei 1924. Rabbi Kook (midden) spreekt op het balkon van Montreal yeshiva. Rabbi Avraham Dov Baer Kahana Shapiro is aan zijn linkerkant, Rabbi Moshe Mordechai Epstein is aan de rechterkant.

Rav Kook en de Kotel-commissie

In de zomer van 1930 zond de Volkenbond een commissie naar Eretz Yisrael om de eigendom van de Westelijke Muur op te helderen. De Arabieren beweerden de rechtmatige eigenaren te zijn, niet alleen van de Tempelberg maar ook van de Kotel. 

Ze verwierpen elke overeenkomst die Joden toestond om aan de Kotel te bidden. Het is uitsluitend een moslimplaats, beweerde de moefti; de Joden mogen alleen bidden aan de Kotel bij de goede genade van de Arabieren.

Toen Rav Kook voor de Commissie verscheen, wendde hij zich met diepe ontroering tot de voorzitter:

“Wat bedoel je als je zegt: ‘De Commissie zal beslissen aan wie de Muur toebehoort’? Is deze commissie of de Volkenbond eigenaar van de Muur? Wie heeft u toestemming gegeven om te beslissen aan wie het toebehoort? De hele wereld behoort toe aan de Schepper, gezegend zij Hij; en Hij droeg het eigendom van het hele land Israël – inclusief de Kotel – over aan het Joodse volk. Geen enkele macht ter wereld, noch de Volkenbond, noch deze commissie kan dit door God gegeven recht van ons afnemen.

De voorzitter antwoordde dat de Joden al bijna tweeduizend jaar geen controle hebben over het Land van Israël of de Muur. Op dit punt besloot Rav Kook dat de leden van de commissie een les in de Joodse wet moesten leren. Rustig en respectvol legde hij uit:

“In de Joodse wet is het concept van yei’ush be’alim [‘wanhoop van de eigenaar’] ook van toepassing op onroerend goed. [Dat wil zeggen, de eigenaar van een gestolen stuk land verliest zijn eigendom als hij de hoop opgeeft om het ooit terug te krijgen.] Als iemands land echter wordt gestolen en hij protesteert voortdurend tegen de diefstal, behoudt de eigenaar zijn eigendom voor altijd. ” [1]

De trotse verschijning van Rav Kook voor de commissie had een krachtige impact op de Joodse gemeenschap. De krant Hator merkte op:

“We kunnen niet nalaten nogmaals de opperrabbijn van Eretz Yisrael te noemen , die God en Israël heiligde met zijn getuigenis. De getuigen die hem voorgingen stonden gedwee, met wankele knieën. Na het optreden van de opperrabbijn voelden we ons een beetje opgelucht, alsof er een last van ons hart was gevallen. Hij hief onze hoofden op, rechtte onze ruggengraat en herstelde de waardigheid van de Thora en onze natie.”

De Kotel, aka de Klaagmuur, in 1929 in wat door de VN “Oost-Jeruzalem” wordt genoemd. Tussen 1948 en 1967, toen de stad werd bezet en geannexeerd door Jordanië, mochten Joden hun heilige plaatsen niet bezoeken

Het voorstel van de Va’ad Leumi

De regering van het Britse Mandaat Britse stelde een compromis voor waarin de Joden het Arabische eigendom van de Kotel zouden erkennen, en de Arabieren zouden in ruil daarvoor de Joden toestaan ​​de muur te naderen. (Het recht voor Joden om in de Kotel te bidden werd niet expliciet genoemd.)

Vanwege de gespannen politieke situatie – vooral in het licht van de moorddadige Arabische rellen van het voorgaande jaar – was de Va’ad Leumi (het uitvoerend comité van de Joodse Nationale Vergadering in het pre-staat Israël) bereid de Arabische eigendom van de Kotel te erkennen. De Va’ad Leumi bepaalde echter dat de Arabieren het recht van joden om daar te bidden expliciet moesten erkennen.

Omdat dit een religieuze kwestie was, eiste de Mandaat regering dat het voorstel van de Va’ad Leumi werd goedgekeurd door de religieuze autoriteit van de joden, namelijk het rabbinaat. Om meer druk op de rabbijnen uit te oefenen, stuurden de Va’ad Leumi tegelijkertijd delegaties naar de twee opperrabbijnen, Rav Kook en Rabbi Yaakov Meir, evenals naar Rabbi Zonnenfeld, die Agudat Israël vertegenwoordigde.

Een delegatie van de Va’ad, onder leiding van Yitzchak Ben-Zvi, bezocht Rav Kook en probeerde hem over te halen het plan goed te keuren. Het is een kwestie van leven en dood, betoogden ze; alleen door afstand te doen van Joods eigendom zullen we de Arabieren sussen en vrede brengen in Israël.

Reactie van Rav Kook

Ondanks intense druk van de Va’ad Leumi weigerde Rav Kook het voorstel goed te keuren.

“We hebben geen bevoegdheid om zoiets te doen. Het Joodse volk heeft ons niet gemachtigd om namens hem de Westelijke Muur over te geven. Ons eigendom over de Kotel is goddelijk van aard, en het is op grond van dit eigendom dat we in de Kotel komen bidden. Ik kan niet afstand doen van wat God aan het Joodse volk gaf. Als we, de hemel verhoede, de Kotel afstaan, zal God hem niet aan ons willen teruggeven!’

Het bleek dat de Arabieren weigerden zelfs maar te overwegen om het recht van joods gebed in de Kotel te verlenen, en het voorstel stierf. Inderdaad, na de Onafhankelijkheidsoorlog negeerden de Arabieren deze bepaling, hoewel de staakt-het-vuren-overeenkomst voorzag in het recht van Joden om de Kotel te naderen. Pas negentien jaar later, toen Kotel tijdens de Zesdaagse Oorlog aan de rechtmatige eigenaren terugkwam, verdiende het Joodse volk het opnieuw ongehinderd te bidden bij de Westelijke Muur.

Britse officieren inspecteren de toestand van de Kotel (Klaagmuur) na de rellen in Jeruzalem in 1936

Aanvulling

R. Menachem Porush, voorzitter van Agudat Israel, gaf het volgende detail van dit incident:

Rav Kook verklaarde na ontvangst van het voorstel dat hij er onder geen enkele omstandigheid mee in zou stemmen de Joodse aanspraak op de Kotel op te geven. Hij stuurde ook een persoonlijke boodschapper naar Rabbi Zonnenfeld om hem op de hoogte te stellen van zijn weigering en om hem te smeken de Britten geen gebrek aan vastberadenheid in de zaak te tonen.

Ook rabbijn Zonnenfeld weigerde toen hij op de hoogte werd gesteld van het voorstel. Bang dat Rav Kook niet vast genoeg zou zijn om het voorstel af te wijzen, zond Rabbi Zonnenfeld zijn eigen boodschapper naar Rav Kook om hem op de hoogte te stellen van zijn beleid en hem te verzoeken geen enkele bereidheid te tonen om een ​​compromis te sluiten over de zaak.

De twee boodschappers, die toevallig persoonlijke vrienden waren, ontmoetten elkaar op straat en bespraken hun missies en berichten. Beiden waren opgelucht toen ze zich realiseerden dat het niet nodig was om hun respectievelijke berichten af ​​te leveren. Dus het plan, dat generaties lang de Joodse rechten op de Kotel zou hebben aangetast, stierf een stille dood.

Bronnen:

  • naar een artikel van Rabbi Chanan Morrison “The Kotel Affair, 1930” van 28 mei 2022 op de site van Israel National News (INN)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.