De vroege kerk, de Joden en het begin van het christen antisemitisme

Justinus de Martelaar wordt algemeen erkend als de eerste grote filosoof van het vroege christendom en hij was wellicht ook de eerste Christen antisemiet

Het christendom is een van de beste voorbeelden in de geschiedenis van een kleine religie die het groot heeft gemaakt in de wereld. Bij de dood van de Joodse Jezus (en de bekering van Paulus) waren er twaalf apostelen, de oorspronkelijke discipelen van Jezus die doordrenkt waren met de Heilige Geest om het christendom aan de massa te onderwijzen. 

In het begin had elk een gelijke status, en de belangrijkste doctrine (ontwikkeld door Paulus) was redding voor degenen die in de reddende genade van Jezus geloofden en die de doop ondergingen, het ritueel dat de ziel reinigde. Paulus voegde het theologische punt toe dat christenen het “ware Israël” waren, het Israël van het geloof in plaats van het ruwe Israël van het vlees (de Joden).

De christenen waren van mening dat, omdat ze predikten tot niet-joden, ze de status van joden in diskrediet moesten brengen door de nadruk te leggen op hun gebrek aan geloof en hun uit de gratie vallen omdat ze de leringen van de Messias, van de Joodse Christus, niet accepteerden .

Zoals in alle nieuwe religies had het christendom geboorteweeën. De belangrijkste veronderstelling van de ontluikende religie was dat de Messias was gekomen en dat de Nieuwe Tijd nabij was. Dit idee kon niet lang duren voordat het zijn directheid begon te verliezen. Als de Nieuwe Tijd nabij was, waarom gebeurde er dan niets nieuws? Het antwoord van Paul was dat er iets nieuws aan het gebeuren was. De christenen moesten gewoon in zichzelf kijken om te zien hoeveel verandering er was.

Jezus Christus, zijn ouders Maria en Jozef evenals de Twaalf Apostelen waren allen Joden en de christen kerken hebben dat feit van in het begin genegeerd. Links hoe de christenen Christus voorstellen en rechts hoe hij in feite moest voorgesteld worden als de Joodse Jezus

Deze reactie kon ook niet lang duren; het moedigde mensen aan om persoonlijke antwoorden te geven op theologische vragen. Er moesten officiële, concrete antwoorden en regels komen op de vragen die vanuit de gemeenschap naar boven kwamen. Ten eerste was de leiding het ermee eens dat de enigen die de waarheden van de nieuwe religie konden onderwijzen en beschrijven, studenten van de apostelen waren. 

Elke apostel wees een speciale student aan om de leer over te nemen en uit te leggen wanneer hij stierf. Deze student gaf op zijn beurt les aan andere studenten, waarbij hij er één specificeerde als de speciale student om het onderwijs voort te zetten. Deze lijn van studenten van de oorspronkelijke twaalf apostelen door de generaties heen werd de apostolische lijn genoemd. Het daagde met succes de legitimiteit uit van elke andere groep als zijnde het Nieuwe Israël.

Dit legitieme Nieuwe Israël moest nu echter zichzelf definiëren; wat geloofde het echt? Wat was de waarheid? De leidende christelijke denkers van 80 na C. tot 420 na C. besteedden het grootste deel van hun tijd aan het schrijven van verdedigingen en argumenten tegen ketterse argumenten; het toepassen van bewijsteksten uit de Schrift op hun theologie en het concretiseren van de overtuigingen van de nieuwe religie. Deze geschriften werden Apologieën genoemd, en de vroege kerkvaders werden Apologeten genoemd.

In hun ijver om de leer van de vroege kerk te rechtvaardigen, belasterden de apologeten onvermijdelijk de joden. Door van het christendom het nieuwe Israël te maken, moesten ze de zonden van het oude Israël, het gevallen Israël, het valse Israël uitleggen.

De eerste apologeet die dit deed was een pas bekeerde christen genaamd Justinus de Martelaar (die later door de Romeinen werd vermoord). In 145 na C. (tien jaar na de Bar Kochba-opstand)) schreef Justinus de Martelaar een apologie waarin hij een dialoog had met een Jood genaamd Trypho. 

Met behulp van Bijbelse bewijsteksten beweerde Justinus de Martelaar dat de Joden oorspronkelijk door God waren uitgekozen omdat ze zo’n ongeestelijke groep waren; ze hadden extra wetten nodig. Hij bekritiseerde de Joden omdat ze Jezus hadden afgewezen, omdat ze Jezus hadden vermoord en omdat ze mensen wegleidden van de verlossing. 

Hij verkneukelde zich over de vernietiging van de tempel als een rechtvaardige straf voor Joodse trouweloosheid. De geschriften van Justinus de Martelaar werden opgenomen in het vroegchristelijke denken en lagen aan de oorsprong van de christelijke antisemitisme.

Mozaïek die de onthoofding van Justinus de Martelaar voorstelt.

Justinus de Martelaar zou samen met zes van zijn studenten op bevel van de Romeinse prefect Junius Rusticus door Romeinse soldaten zijn terechtgesteld ergens tussen 162 en 168 na C. Sindsdien wordt hij vereerd als een heilige door zowel de Rooms-Katholieke Kerk, de Anglicaanse Kerk, de Oosters-Orthodoxe Kerk, en de Orthodoxe Kerken in het Midden-Oosten.

Bronnen:

  • naar een artikelChristian-Jewish Relations: The Early Church and the Beginnings of Anti-Semitism” op de site van The Jewish Virtual Library (JVL)