Joodse gelovigen die Jozef’s Graf in Nabloes wilden bezoeken opnieuw belegerd door Palestijnse meute

Het graf van Jozef, zoon van patriarch Jacob en Rachel, in Shechem (Nabloes) omstreeks 1894

Ik had niet gedacht dat ik 76 jaar na het einde van de Holocaust deze woorden zou schrijven, maar daar gaan we weer. Vorige week probeerden antisemieten Joden levend te verbranden. En de wereld keek weer de andere kant op en zweeg.

Enkele honderden Joodse gelovigen waren op weg om vreedzame, legale religieuze diensten te houden op de feestdag van Soekot, bij het graf van de bijbelse patriarch Jozef, gelegen in de stad Sichem. 

De stad, beter bekend onder de Romeinse naam Nabloes, had een omvangrijke Joodse gemeenschap totdat Palestijns-Arabische relschoppers hen in de jaren dertig verdreven. De huidige generatie Palestijns-Arabische terroristen viel de Joodse gelovigen vorige week aan. De Palestijnse Autoriteit, die de stad bestuurt en hen de facto moet beschermen, deed niets om in te grijpen.

De aanvallers gooiden “zelfgemaakte explosieven” – dat wil zeggen molotovcocktails – naar de bussen van gelovigen, in de hoop ze in brand te steken. Zonder de heroïsche acties van Israëlische soldaten zouden de bussen in rollende inferno’s zijn veranderd en zouden honderden Joden levend zijn verbrand. Dat was de bedoeling van de terroristen. Toch keek de wereld weg.

Ik controleerde de grote kranten en nieuwswebsites in de dagen na de aanval. Afgezien van de Israëlische en Joodse media, kon ik er geen woord over vinden. Wereldleiders waren niet geïnteresseerd. “Mensenrechten”-organisaties waren elders bezig. De grote nieuwsmedia sluiten hun ogen. Ze keken allemaal weg.

De morele verontwaardiging van een poging tot moord op Joden had voldoende moeten zijn om de internationale gemeenschap wakker te schudden. Maar laten we de morele overwegingen even opzij zetten en alleen de juridische implicaties overwegen.

De bescherming van Joodse gelovigen is vastgelegd in de Oslo II-overeenkomst. De Palestijnse Autoriteit heeft het ondertekend. De PA is verplicht zich aan de voorwaarden te houden. Israël kwam zijn kant van de Oslo-akkoorden na door zich terug te trekken uit 40% van Judea-Samaria en de PA toe te staan ​​een feitelijke staat in dat gebied op te richten. In ruil daarvoor moet de PA haar kant van de deal nakomen, inclusief de bepalingen die van toepassing zijn op de bescherming van Joodse gelovigen.

U vindt de desbetreffende verplichting in bijlage I, artikel V, sectie 2, paragraaf (b), onder “Joodse heilige plaatsen”. Het gaat om joodse religieuze plaatsen die zich in door de PA bestuurd gebied bevinden. En Bijlage IV vermeldt specifiek “Joseph’s Tomb (Nablus)” als een van die sites.

Jozef’s Tombe in Nabloes, oktober 2000. Palestijnen plunderen het graf en steken alles in brand [beeldbron]

De overeenkomst stelt dat “de bescherming van deze sites, evenals van de personen die ze bezoeken, onder de verantwoordelijkheid van de Palestijnse politie zal vallen.” De PA moet “zorgen voor vrije, onbelemmerde en veilige toegang” tot de site, en “zorgen voor een vreedzaam gebruik van een dergelijke site, om mogelijke wanorde te voorkomen en te reageren op elk incident.”

Aangezien de PA een van de grootste veiligheidstroepen per hoofd van de bevolking ter wereld heeft, zou het geen enkel probleem hebben gehad om te voorkomen dat potentiële moordenaars Joden op de locatie zouden aanvallen. Tenminste, als de PA ze wilde voorkomen. Maar dat doet het niet. In feite moedigt de PA, door haar anti-joodse ophitsing in haar moskeeën, media en scholen, Palestijnse Arabieren aan om te streven naar het doden van Joden. Vandaar de poging van vorige week om Joden levend te verbranden.

U weet wat de internationale reactie zou zijn geweest als de slachtoffers die brandbommen direct naar hun aanvallers hadden gegooid. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zou in spoedzitting zijn bijeengekomen. De regering-Biden zou “ernstige bezorgdheid hebben uitgesproken over deze escalatie” en luider hebben geschreeuwd om een ​​”tweestatenoplossing”. Kranten over de hele wereld zouden hebben gemeld dat “kolonisten Palestijnen aanvallen”.

Maar er was geen manier om de Joden de schuld te geven. Dus de wereld keek weg.

‘They Looked Away’ is toevallig de titel van een verschroeiende documentaire uit 2001 van historicus-filmmaker Stuart Erdheim. Verteld door Mike Wallace, beschrijft het hoe de geallieerden wisten wat er in Auschwitz gebeurde, maar weigerden de spoorlijnen die naar het kamp leidden, of de gaskamers en crematoria te bombarderen.

Ik vergelijk de aanval van vorige week niet met de Holocaust. Ik wijs er alleen maar op dat de wereld opnieuw onverschillig is wanneer Joden worden aangevallen. Hoe lang zal het duren voordat een andere filmmaker vastlegt hoe wereldleiders, in onze eigen generatie, wegkeken toen antisemieten probeerden Joden levend te verbranden?

Bronnen:

  • naar een artikel van Stephen M. Flatow “They tried to burn Jews alive. Again.” van 1 oktober 2021 op de site van Arutz Sheva
  • h/t “Avi CS.