‘Een volk dat alleen woont’ aka de strijd om de Joodse identiteit van de staat Israël

Tel Aviv, Israël, 28 juni 2019. Ultraorthodoxe Joden demonstreren om vrijstelling van militaire dienst in het Israëlische leger te behouden [beeldbron: Financial Times]

“Sinds de oprichting van de staat in 1948 wordt Israël verscheurd door een diepgaand conflict tussen vromen en seculieren over de joodse identiteit van het land. Deze zogenaamde ‘Kulturkampf‘ heeft min of meer de vorm van een burgeroorlog aangenomen.

“Het gaat daarbij onder meer om het orthodoxe alleenrecht op zaken zoals het sluiten en ontbinden van huwelijken, het begraven en het uitvoeren van bekeringen, zaken die uiteindelijk voor een verregaande mate van ontwrichting van de Israëlische samenleving kunnen zorgen.

“Veel seculiere Israëliërs proberen tegen elke prijs te voorkomen dat Israël in plaats van een ‘normale’ democratie een reactionaire theocratie zal worden waarin een absolute minderheid onevenredig veel invloed op het dagelijkse leven en de politiek kan uitoefenen. De polarisatie die hiervan het gevolg is, is in Israël zelf nadrukkelijk merkbaar in het leven van alledag, maar heeft in het buitenland nog nauwelijks de aandacht gekregen die de ernst ervan rechtvaardigt.” [Els van Diggele in haar boek uit 2000 “Een volk dat alleen woont.“]

De meest ingrijpende verandering in de joodse geschiedenis heeft plaatsgevonden in het spirituele leven van het volk. Het heeft zich ontwikkeld van een geloofsgemeenschap in een pluralistische gemeenschap tot de onafhankelijke joodse staat Israël. Tijdens deze ontwikkeling (die begon tijdens de Haskala) veroorzaakten de joden die de naleving van de joodse wet verzuimden een crisis in de orthodoxie doordat ze tegelijkertijd verkondigden dat ze zich niet van het joodse volk wilden distantiëren. Deze  seculiere joden, die vóór de Haskala nauwelijks bestonden, vormden voor de orthodoxe jood een contradictio in terminis.

In de joodse gemeenschappen in de diaspora, waar geen ‘joodse’ overheid was om de problemen tussen joden onderling op te lossen, verzoende de orthodoxie zich tot op zekere hoogte met het pluralisme. In Palestina werd de dialoog tussen de vrome en seculiere joden onmogelijk gemaakt door de oude jisjoev. die zich terugtrok in een spirituele wereld uit angst voor vernieuwing. De spanningen escaleerden pas echt in de jonge staat Israël, toen tradities moesten worden ingepast in de voor de joden nieuwe realiteit van de joodse soevereine staat.

Eén van de taken van de politiek van die staat, waaraan de vromen wilden deelnemen uit angst anders hun vrome leven in de moderne samenleving niet te kunnen voortzetten, was juist het oplossen van het godsdienstprobleem, dat sinds het bestaan van de staat Israël dan ook altijd op de politieke agenda heeft gestaan. (Abramov merkte in dit verband op dat het jodendom het enige slachtoffer is van de verstrengeling van de godsdienst en de staat. Het jodendom is er volgens hem vanwege de politieke bemoeienis niet aan toegekomen zich te ontwikkelen tot een creatieve kracht in het spirituele leven van de joodse staat.)

De tolerantie en de intellectuele discussies uit de diaspora leken in Israël geheel te zijn verdwenen. De laatste jaren worden er in Israël weliswaar congressen georganiseerd die als doel hebben de vromen en de seculieren nader tot elkaar te brengen, maar dat er hier sprake is van een werkelijke toenadering en van wederzijds begrip kan niet worden gezegd.

Israël is een buitengewoon versnipperde en daardoor complexe maatschappij geworden, waarin traditionele gelovige en moderne niet-gelovige joden, vaak uit verschillende landen van herkomst, het met elkaar eens moeten worden over de joodse identiteit en over de joodse inhoud van de staat. Het is inmiddels duidelijk dat de eerder genoemde gemeenschappelijke factoren van weleer de kloven die er in de loop der jaren zijn ontstaan tussen de verschillende groepen joden onderling, niet kunnen dichten.

Voor de (ultra- )orthodoxie is het uitgesloten dat Israël, het land van het joodse volk, wiens nationalisme een theologische dimensie heeft gekregen, ooit een normaal land zal worden. Met ‘normaal’ bedoelen zij een niet-joodse staat voor alle burgers waarin het geloof geen geprivilegieerde positie heeft. God heeft immers het volk uitverkoren uit alle volkeren en de godsdienst is door de unieke joodse geschiedenis een deel geworden van de structuur van de joodse staat. Scheiding van deze twee elementen zou dan ook indruisen tegen het unieke en particularistische karakter van de joodse identiteit. Hierbij realiseren veel vrome zionisten zich dat hun aloude slogan ‘het land van Israël, voor het volk van Israël, in overeenstemming met de Thora van Israël’ een onbereikbaar ideaal is: de halacha kan niet voorzien in de behoeften van een moderne staat.

De orthodoxen kunnen nog steeds zonder gewetensbezwaren deelnemen aan de Israëlische politiek, omdat er nog geen grondwet is. In de loop der jaren is er echter wel een aantal Basiswetten aangenomen waardoor er nog slechts vier van zulke wetten dienen te worden goedgekeurd om tot een constitutie te komen. Het moment waarop Israël een grondwet zou kunnen aannemen is dus dichterbij gekomen, maar door de samenstelling van de opeenvolgende regeringen zal de goedkeuring van deze vier resterende Basiswetten nog lange tijd op zich laten wachten.

De wet van God is volgens hen de eigenlijke basis voor een politieke partij en het is legitiem via zo’n politieke partij door democratisch handelen te streven naar het bereiken van godsdienstige doelen. Het is vanuit de orthodoxe optiek gezien ook gerechtvaardigd de dwingende kracht die er van de staat uitgaat te gebruiken om diezelfde staat een godsdienstige inhoud te geven. Het was juist vanwege de noodzaak van godsdienstige wetgeving en het bewaken van de Status Quo dat de vromen oorspronkelijk gingen deelnemen aan de politiek.

Hierin zijn ze min of meer geslaagd tot eind jaren zeventig. Abramov concludeerde in 1976 nog dat de positie van de Status Quo, die toen nog een nationaal doel diende, geen gevaar liep: ‘[ … ] de positie ervan voor de directe toekomst is veiliggesteld’ . Hij merkte tegelijkertijd op dat de orthodoxie in het algemeen een ‘ongemakkelijk gevoel’ bekroop omdat het op z’n minst pijnlijk was dat het nodig was te appelleren aan nationalistische sentimenten om een godsdienstig doel te bereiken. Voor hen betekende dit het begin van het einde van het traditionele jodendom.

De ultra-orthodoxie heeft vandaag de dag dan ook het gevoel door de seculiere zionisten van destijds te zijn verraden omdat dezen het traditionele jodendom in de nieuwe staat van meet af aan hebben verwaarloosd. Zij, de ultra-orthodoxen, hebben in de loop der jaren veel moeten opgeven van hun traditionele levensstijl om te kunnen overleven in Israël. De Status Quo is in de loop der jaren alleen maar uitgehold en dit gegeven geeft hun het gevoel een bedreigde minderheid te zijn geworden in hun eigen staat. Zij zijn het en niet de seculieren, die in de moderne staat Israël hebben verloren.

De moord op Yitzchak Rabin in november 1995 en de vergelijking van Meretz-leider Yossi Sarid met de bijbelse figuur Haman in april 2000 door rabbijn Ovadia Yossef, geven uitdrukking aan dit orthodoxe gevoel te zijn verraden door de seculiere zionisten. Ook de grote ultra -orthodoxe demonstratie in februari 1999 is hiervan een voorbeeld. In de opvatting van de vromen is er in Israël eerder sprake van kfia ehilani en niet van kfia dati, zoals de chilanim beweren.

De extreme seculiere Israëliërs hebben in de loop der jaren steeds meer het gevoel gekregen dat zij de verliezers zijn in de moderne joodse staat waarin de ultra -orthodoxie steeds meer ruimte heeft gekregen. De uitgesproken anti-godsdienstige retoriek van Meretz en de in het bijzonder tegen de charedim gerichte verkiezingsleuzen van Shinui geven uitdrukking aan het gevoel bedreigd te worden. Meer dan ooit lijken ze van Israël in sociaal en economisch opzicht een Europees land te willen maken, dat wil zeggen een staat voor alle burgers waarin het jodendom niet of nauwelijks een rol speelt.

Ze onderstrepen hierbij de behoefte een vrij mens te willen zijn in een vrij land en het argument dat de instandhouding van de Status Quo de prijs is die betaald moet worden om een Kulturkampf te voorkomen, heeft in hun ogen allang afgedaan. Ze beschouwen de Status Quo niet langer als een noodzakelijk kwaad, maar eerder als een gedateerde afspraak die de burgers in hun vrijheden beperkt. De gematigde seculieren, die in de Knesset de meerderheid vormen, willen desondanks dat Israël een joodse staat blijft.

Een belangrijke oorzaak van het ongenoegen van de seculieren is het feit dat de staat godsdienstige opleidingen financiert, wat de seculieren in de beginjaren van de staat volgens Abramov nog ‘volledig gerechtvaardigd’ vonden. Tegenwoordig vinden zij dit onacceptabel omdat – en deze bepaling is voor de seculieren de meest problematische uit de Status Quo – de ultra-orthodoxen zijn vrijgesteld van de dienstplicht. Dit privilege heeft in de loop der jaren bijgedragen tot de eerder genoemde breuk tussen de vromen en de seculieren vanwege het steeds groter wordende contrast tussen de eisen die de charedim aan de staat stellen en hun maatschappelijke bijdragen. De Israëlische staat stelt een volledige gemeenschap in de gelegenheid, zo luidt hun redenering, van seculier belastinggeld te studeren zonder deel te nemen aan het arbeidsproces.

Bronnen:

  • naar een artikel en het boek van Els van Diggele “Een volk dat alleen woont (De strijd om de Joodse identiteit van de staat Israël)” van 200n