Israëls existentiële keuze

De nachtelijke hemel op 14 mei 2021 gezien vanuit Beit Lahia in de noordelijke Gazastrook. Rechts vuurt Hamas een barrage van raketten af naar Israël. Links op het plaatje is te zien hoe het Iron Dome systeem de raketten onderschept [beeldbron: Anas Baba/AFP]

In mijn vorige post vroeg ik mij af waarom Israël de laatste tijd alleen maar “verdedigt”. Waarom knuppelen we de raketten alleen maar weg met de Iron Dome, in plaats van een einde te maken aan het vermogen van onze vijanden om ze te lanceren?

Waarom bombarderen we lege Hamas-installaties in Gaza als reactie op brandsticht-ballonnen en op machinegeweren die bedoeld zijn om te verbranden en te doden? Waarom stonden we toe dat Hezbollah zich herbewapende? Waarom staan we Hamas toe menselijke aanvalsgolven los te laten op de grens met Gaza? Waarom laten we onze vijanden altijd als eerste toeslaan? Waarom geven we, als zij een doelpunt maken, hen de bal terug en mogen ze het opnieuw proberen?

Ik betoogde dat dit niet het geval was in de periode vóór de stichting van de staat of tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog, toen ons militaire en diplomatieke beleid agressief en creatief was, ondanks onze relatieve militaire en economische zwakte. Ik suggereerde dat dit was omdat de natie in het verleden één enkel allesoverheersend doel had — de oprichting van een soevereine staat — en omdat er algemene overeenstemming was dat er geen andere optie was dan succes.

Tegenwoordig heeft de natie geen nationaal doel, zoals dat waarnaar de Palestijnse Arabieren streven — onze verdwijning — of zoals de imperiale ambities van de Iraanse, Russische en Turkse regimes. Israël wenst tegenwoordig alleen rust zodat wij Israëli’s kalm onze eigen tuintjes kunnen verzorgen. Laat ons alsjeblieft met rust, zeggen wij. Helaas is dat niet de manier waarop de historische ontwikkeling van naties werkt. Strijd is noodzakelijk voor het nationale voortbestaan. Zelfgenoegzaamheid is de voorbode van de dood. If you snooze, you lose.

De bloedige strijd van de Tweede Wereldoorlog heeft de Amerikaanse samenleving na de depressie paradoxaal genoeg gerevitaliseerd, en in de periode 1945-1990 gaf de strijd tegen het Sovjet-communisme focus aan de Amerikaanse energie. Amerika had de kampioen kunnen worden van de westerse wereld tegen de legers van de islam, die bijna onmiddellijk na de verdwijning van de Sovjet-Unie het westen uitdaagde. Maar Amerika verkoos dat niet te doen. Misschien omdat het zichzelf als een seculiere natie zag, was Amerika niet in staat om de betekenis van de eerste World Trade Center-aanval te begrijpen, of die tegen de USS Cole, of die van de Khobar Towers-bombardementen en natuurlijk die van Nine-Eleven. Amerika koos ervoor de ogen te sluiten voor de uitdaging en heeft ze nog niet opnieuw geopend.

Ik denk dat Amerikanen het moeilijk vinden in te zien dat ze — of ze willen of niet — betrokken zijn bij een historische strijd met de islamitische wereld van lange termijn. Dat komt deels doordat hun samenleving vooral op de korte termijn functioneert. Hun politiek is korte-termijn-politiek, met een snelle wisseling van de wacht, om de acht jaar of minder. Hun idee van geschiedenis is evenens korte-termijm: ze zien de geboorte van hun natie als het begin van een gloednieuw, zelfs messiaans tijdperk, en niets dat eraan voorafging heeft de macht om daaraan iets af te doen. Hun vijanden kijken echter terug over de zeer lange termijn: Nine-Eleven was de 318e verjaardag van de moslim-nederlaag in de Slag om Wenen. Zij herinneren het zich.

Amerika’s zelfgenoegzaamheid wordt mogelijk gemaakt door de wetenschap dat het enorm machtig is, beschermd tegen invasie door brede oceanen, en in ieder geval had Amerika in het verleden een industriële motor die snel kon omschakelen op militaire doeleinden om vijanden ruim in productie te overtreffen.

Israël anderzijds is heel klein, heeft beperkte mankracht en weinig strategische diepgang, wordt omringd door vijanden en is afhankelijk van Amerika voor bevoorrading. Voor Israël is Amerika’s zelfgenoegzaamheid geen optie. Maar een grote en machtige minderheid in de Israëlische samenleving heeft zich overgegeven aan fantasieën. Deze groep, waaronder de intellectuele elite van ons land, sluit voorts de ogen voor de ideologische verhalen en doelstellingen van onze vijanden. Ze geloven dat onze vijanden, net als wij, denken dat het grootste goed voortkomt uit vreedzame economische en sociale vooruitgang. Niets is minder waar. En toch kan niets wat onze vijanden zeggen of doen hen van het idee afbrengen dat — als maar de juiste formule kan worden gevonden, altijd gepaard gaande met het opgeven van land, controle, geld, eer en enzovoort — het conflict voorbij zal zijn, en we allemaal weer onze tuintjes kunnen gaan cultiveren.

De meeste Israëli’s behoren niet tot de misleide minderheid. Maar die minderheid heeft wel een vetorecht over onze politiek en hebben en gijzelen onze media, ons rechtssysteem en onze cultuur. En  hoewel ze dus niet in staat zijn om Israëls nationale zelfmoord te bespoedigen — hoewel ze daar bijna in slaagden met de Oslo-akkoorden — is onze staat verlamd en kan niet effectief optreden tegen zijn vijanden.

Omdat de minderheid gelooft dat appeasement de weg is naar vrede, proberen ze ervoor te zorgen dat we geen blijvende wrok bij onze vijanden creëren. Maar de rest van de natie eist actie tegen terrorisme en raketaanvallen. Dus als compromis hebben we nu de strategie van ‘pijnloze vergelding’ aangenomen, waarbij er wel eens iets wordt gebombardeerd, maar er goed op wordt gelet dat niemand gewond raakt.

De rest van de natie begrijpt dat we in een situatie zitten van alles-of-niets. Of wij duwen onze vijanden eruit, of zij duwen ons eruit. De meesten van ons begrijpen de afkalving van de Joodse soevereiniteit in Judea-Samaria — evenals die in de Negev, in Galilea en Jeruzalem — als een teken dat we aan de verliezende hand zijn. Maar de fantaserende minderheid denkt dat de Joodse aanwezigheid in Judea-Samaria en vooral Oost-Jeruzalem “een obstakel voor vrede” is. Dus als compromis laten we Joden daar wonen, maar beperken we de bouw van woningen voor hen.

Menselijke samenlevingen leven of sterven door strijd. Strijd creëert vitaliteit, terwijl gebrek aan strijd zwakte kweekt. Vroeg of laat wordt een cultuur die is gestopt met vechten, veroverd door een cultuur die dat niet heeft gedaan. Onze defaitistische minderheid wil stoppen; hun woordvoerder zou inderdaad de voormalige premier Ehud Olmert kunnen zijn, die in een toespraak in 2005 voor het Israel Policy Forum zei: “[w]e zijn moe van het vechten, we zijn moe van moedig zijn, we zijn moe van het winnen, we zijn moe van het verslaan van onze vijanden . . .” Dat zei hij echt.

In tegenstelling tot Iran, Rusland en Turkije, willen wij geen kalifaat of groot rijk creëren. Maar we staan wel voor een existentiële keuze: we kunnen vechten voor wat van ons is, Eretz Yisrael, en tegelijkertijd onze samenleving versterken en revitaliseren. Of, aan de andere kant, kunnen we opgeven, zoals de vermoeide Ehud Olmert.

Bronnen:

  • naar een artikel van Victor Rosenthal “Our Existential Choice” van 15 september 2021 op de site van Abu Yehuda in een vertaling door Martien Pennings als “Israëls existentiële keuze” van 17 september 2021 op de site van de auteur