Reizen in het spoor van de Maranen Joden vanuit Antwerpen naar Portugal

Het verhaal van mijn Portugese zoektocht naar Joodse sporen begint in de Sint-Jacobskerk te Antwerpen. Ik woon als het ware onder haar klokkentoren. Op een pilaar in het koor staat in gouden letters de naam Diego Duarte 1626, gevolgd door cum suis: met de zijnen.

Diego of Jacob I komt omstreeks 1570, na verdrijving van Joden die zich niet willen bekeren tot het katholicisme, vanuit Portugal naar de Scheldestad. Hij is lid van de Portugese Handelsnatie. De natie importeert specerijen, vooral uit Portugese kolonies.

De man handelt ook in edelstenen en juwelen. Hij wordt begraven voor het hoogaltaar van de Sint-Jacobskerk, een bewijs van zijn gulheid ten opzichte van de kerk. Rond 1515-1516 brengt Diego Duarte ‘zijne gift’ voor de bouw van het grote portaal in de St. Jacobstraat, pas voltooid in 1694.

Naar de doopvont gesleurd
In 1492 vluchten veel Joden van Spanje naar Portugal. Koning Joäo 11 verleent ze, tegen betaling, tijdelijk asiel. In het begin ziet Portugal deze inwijking als een intellectuele en economische verrijking. Wie geld noch belangrijke inbreng heeft, is minder welkom.

In 1493 worden een paar duizend Joodse kinderen gedeporteerd naar het eiland Sao Tomé, een Portugese kolonie vlak voor de kust van West-Afrika. Daar worden ze opgevoed als christenen. De meesten sterven aan tropische ziektes..

Onder opvolger Manuel I verbetert aanvankelijk de situatie van de uit ~ Castilië gevluchte Joden. Deze tolerantie is gebaseerd op de noodzaak aan Joodse kennis en organisatie van geldtransacties naar nieuw verworven koloniën. Ook Joodse cartografen en artsen zijn een aanwinst.

Echter, de koninklijke verzuchting om de Iberische koninkrijken te verenigen, groeit. Een berekende huwelijksmatch is daarvoor ideaal. Spanje eist toegevingen. In het huwelijkscontract (1496) van Manuel I met Isabella van Asturië, oudste dochter van Isabella I van Castilië en Ferdinand 11 van Aragon en bovendien wettelijke erfgename van Spanje, is opgenomen dat Manuell ongelovigen zal verdrijven.

In december 1496 komt er een uitwijzingsdecreet voor joden en moren. Het massale vertrek van een groot deel van de Joodse bevolking is echter niet bevorderlijk voor de economie van het land. Wie blijft, moet zich laten dopen en leven als christen. Menig gezin gaat scheep naar Antwerpen.

Elke dag verzamelen Joden in de haven van Lissabon. Wanneer in 1497 het schip maar niet aanmeert, overgieten een bisschop en een stel priesters de wachtenden met bakken water. Ook een manier om het sacrament van het doopsel uit te voeren. In 1506 volgt een ware slachtpartij in Lissabon.

Het gaat van kwaad naar erger. Pausen bemoeien er zich mee en in 1536 wordt de Inquisitie ingesteld naar Spaans model, bestuurlijk gedirigeerd vanuit Lissabon, Evora en Coimbra. De onhoudbare situatie is de rechtstreekse aanleiding voor nog meer maranen – voor de schijn bekeerde joden – om te vertrekken.

Is martelen tot 1542 niet getolereerd door de Kerk, in de kolonie Goa eindigt menige Jood wel op de brandstapel. In 1580 komt Portugal onder Spaans bewind met aan het roer Filips 11, oudste zoon van Karel V. Uitgeweken Spaanse Joden keren terug naar Spanje in de hoop op verbetering. Niets is minder waar.

In 1640 wordt Portugal onafhankelijk. Niettemin houdt vervolging van Joden aan tot midden 18de eeuw. Joodse families koesteren in het geheim hun werkelijke geloofsovertuiging zo goed dat in sommige dorpen, zoals Belmonte in de buurt van Guarda, de buren dit pas in de twintigste eeuw ontdekken. Ik hoop nazaten van die Joodse bewoners te ontdekken en vertrek erheen in de zomer van 2020.

Plaatje hierboven: Lissabon, Portugal: Een auto-da-fé (publieke verbranding van Joden op de brandstapel) vindt plaats in Terreiro do Paço, Lissabon, in de periode van de Rooms-Katholieke Portugese Inquisitie (1536-1821) [beeldbron: naar een tekening van Joseph Lavallée uit 1822 – Stoodi]

Guarda, Joodse wijk
Het is vanuit het busstation een felle klim om het centrum van Guarda (Midden-Portugal) te bereiken. Meteen ook de hoogstgelegen stad (1.056 m) van het land. Ik logeer in een hotel waarin delen van de eeuwenoude stadsmuren zijn geïntegreerd. De imposante 14de-eeuwse Sé-kathedraal, opgetrokken in graniet, domineert als een fort het gezellige marktplein.

Vanop een terras onder de 16de-eeuwse arcades kijk ik naar dit religieuze bastion. Achter mij ligt de stille, grotendeels verlaten Joodse wijk. De in de 14de eeuw gestichte wijk in het oude stadscentrum is een doolhof van smalle straatjes. De ingang, destijds bewaakt door twee soldaten, sloot nadat de avondklokken Trindades hadden geluid. Menige woonst heeft een smalle deur, die toegang gaf tot de bewoonde bovenverdieping en een brede ingangsdeur voor de winkel. Veel huizen staan er half vergaan bij.

Ook al zijn ze van graniet, hun harten huilen. Niemand wordt graag verlaten. Kleurrijke schimmel op de stenen. Scheve muren als tanden in een te oud gebit. Gebroken glasramen. Waar ooit op vrijdagavond de sabbat werd ingeleid, waar joodse gebeden en gezangen weerklonken, huizen nu kirrende duiven. Zij hebben de wijk overgenomen. Joodse bewoners vertrokken uit noodzaak, verdreven door katholieke waanzin.

Op sommige gevels hangt aan de deurpost een kleine plaquette met kruisvormig symbool. Onderzoek naar de betekenis van die plaatjes is nog gaande. Wellicht een teken om aan te duiden dat de Joodse familie zich had bekeerd uit veiligheidsredenen. Misschien ook om te tonen dat de ruimte weer zuiver was na vertrek van een Joods gezin. Ik leg mijn hand op een plakkaatje.

Ondanks de warmte voel ik een rilling. Een oude man aan de overkant ziet mijn gebaar. Hij knikt. Ik wou dat ik zijn gedachten kon lezen. Het handvol huidige bewoners heeft de auto net niet geparkeerd op de Davidster in het wegdek. Toeval of bewust uit respect? ’s Avonds struin ik terug door de Joodse wijk waar nu geen Jood meer woont. Op een paar katten na, ontmoet ik niemand. Alsof ik door het decor van de film Anatevka stap, na de opnames. Met verlichting oogt het plaatje zowaar romantisch. Valse romantiek weliswaar.

What’s in a name?
De term maranen is een allesomvattende term voor wie zich, uit angst voor het beest van de Inquisitie, bekeerde omwille van lijfbehoud en vrijwaring van have en goed. Wie gedoopt is en van Joodse afkomst, wordt converso genoemd.

Crypto-Joden waren voor de schijn bekeerd maar bleven heimelijk hun geloof belijden. De termen worden door elkaar gebruikt. Anoesim is Hebreeuws voor gedwongen bekeerlingen. In Spanje begon de uitdrijving in het noodlottige jaar 1492, in Portugal­ in 1496.

door Chris Rachel Spatz

Plaatje hierboven: De Sinagoga Belmonte. Gevel aanzicht van de Beit Eliyahu-synagoge van de lang verborgen joodse gemeenschap in Belmonte, Portugal, opgericht in 1996 [beeldbron: Wikipedia]


Bronnen:

♦ naar een artikel (ingekort) van Chris Rachel Spatz “Reizen in Joodse sporen: Portugal” in het december nummer 135 van Joods Actueel Magazine