Aanspraken op Holocaustschadevergoeding tegen nationale spoorwegen

Plaatje hierboven: Nederland, 1942, Joodse geïnterneerden uit doorgangskamp Westerbork wachten langs de spoordijk in Hooghalen op deportatie naar de vernietigingskampen in het Oosten. Van de circa 140.000 Joden die voor de oorlog in Nederland woonden, werden er tussen de 102.000 en 110.000 vermoord, ongeveer 75 procent in totaal [beeldbron: Spaarnestad.nl]

Holocaust schadeloosstelling na de Tweede Wereldoorlog heeft niet alleen tot zeer onvolledige schadevergoedingen voor joods bezit van voor de oorlog geleid. De Amerikaanse financiële deskundige Sidney Zabludoff heeft geschat dat minder dan 20% van het gestolen goed teruggegeven werd. Aan de joodse eigenaren of hun erfgenamen werden meer dan $ 100 miljard in actuele waarde niet teruggegeven.

Aan het einde van de vorige eeuw vond in een serie landen, waaronder Zwitserland, Nederland en Noorwegen, een tweede ronde van teruggave plaats. Dat betreft een klein deel van hetgeen in totaal werd afgepakt. Derhalve resten er veel onopgeloste vragen, waar men op dit moment enkele van stelt.

Bij enkelen daarvan gaat het om Europese spoorwegmaatschappijen. Die transporteerden een enorm aantal Joden naar het begin van de weg in hun vernietiging. In december 2014 gingen Frankrijk en de VS akkoord met een schadevergoedingspakket voor buiten Frankrijk levende Holocaustslachtoffers, die door de Franse nationale spoorwegmaatschappij SNCF gedeporteerd werden. Overlevenden uit Frankrijk, die door de SNCF gedeporteerd werden en nu in enkele andere landen zoals België wonen, werden in de overeenkomst uitgesloten van de betalingen.

De twee landen kondigden samen een schadevergoedingsfonds van $ 60 miljoen aan, dat door de Franse regering gefinancierd wordt. Frankrijk betaalde het bedrag aan de VS. En die betaalden het geld dan uit aan buiten Frankrijk levende overlevenden. De betalingen aan individuele overlevenden bedroegen ongeveer $ 100.000,- Als deel van de overeenkomst beloofde de Amerikaanse regering te proberen alle aanklachten en aanspraken tegen de SNCF in de VS te beëindigen.

Het akkoord werd overeengekomen, toen Amerikaanse afgevaardigden geprobeerd hadden om de SNCF wegens zijn collaboratie met de Duitse bezetters van Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog van verdragen in de VS uit te sluiten. Van de 76.000 Joden die de SNCF tijdens de Holocaust naar nazi-kampen transporteerde, overleefden er maar 3000.

Daarvoor was in Frankrijk sprake van niet succesvolle eisen tegen de SNCF. In 2006 klaagden Alain Lipietz en zijn zuster Hélène de maatschappij aan. Lipietz was destijds lid van het Europees Parlement voor de Groenen. Ze eisten van de spoorwegmaatschappij schadevergoedingen voor het transport van hun families naar het Franse deportatiekamp in Drancy.

Broer en zus Lipietz wonnen het eerste proces. Het tribunaal in Toulouse gaf opdracht aan de Franse staat en de SNCF om aan de familie in totaal een bedrag van € 60.000,- te betalen. De rechters stelden vast dat de SNCF nooit protest had aangetekend tegen het transport van zulke gevangenen. Een gelijksoortige aanklacht in het jaar 2003 was mislukt, toen een rechtbank in Parijs oordeelde niet te kunnen vaststellen dat de SNCF tijdens de nazi-bezetting voor het transport van Joden verantwoordelijk was.

De SNCF tekende beroep aan tegen het vonnis uit Toulouse ten gunste van broer en zus Lipietz. In 2007 oordeelden de rechters van beroep dat administratieve rechtbanken niet over de schuld van de SNCF kunnen beslissen. Zodoende hoefde de SCNF niet te betalen. De hoogste Franse administratieve rechtbank, de Staatsraad, verklaarde zichzelf als niet competent om in deze zaak te oordelen.

De SNCF werd jarenlang bekritiseerd voor zijn rol bij de deportatie van de Joden in de oorlog. Meerdere van zijn presidenten begrepen dat de oorlogsgeschiedenis van de maatschappij een heikel onderwerp was. In 1990 besloot de toenmalige president van de SNCF, Jacques Fournier, dat alle archieven van de firma – met prioriteit op de archieven uit de oorlogstijd – op één enkele plek opgeslagen zouden moeten worden. Bovendien werd op zijn bevel een bericht over de geschiedenis van de SNCF gedurende de Tweede Wereldoorlog opgesteld.

In het jaar 2000 besloot de toenmalige president van de SNCF, Louis Gallois, dat er van 2002 tot 2004 een fototentoonstelling over gedeporteerd een vermoorde kinderen op 20 grote Franse stations zou moeten komen. De foto´s werden ook in de hoofdvestiging van de SNCF, het Franse parlement en het stadsbestuur van Parijs getoond. De tentoonstelling werd door naar schatting een miljoen mensen bezocht.

In 2008 uitte de nieuwe president van de SNCF, Guillaume Pepy, zijn leedwezen vanwege de gevolgen van het gedrag van de SNCF tijdens de oorlog. Er werden echter geen betalingen aangeboden aan diegenen die de transporten overleefd hadden. Dat moest wachten tot het reeds genoemde Frans-Amerikaans akkoord van 2014, dat slechts voor een deel van de overlevenden bedoeld was.

In Nederland lukte het één enkele activist de NS (Nederlandse Spoorwegen) ervan te overtuigen betalingen te verrichten aan Nederlandse Holocaustoverlevenden. Salo Muller – wiens ouders in Auschwitz vermoord werden – is in Amsterdam een bekende naam. Hij was vele jaren lang de fysiotherapeut van de grote voetbalclub Ajax.

Uiteindelijk dwong Muller´s druk de NS betalingen aan overlevenden te verrichten die zij had afgevoerd, respectievelijk aan hun echtgenoten/echtgenotes of kinderen. Volgens de overeenkomst betaalde de firma ongeveer € 40 tot € 50 miljoen. Deze betalingen vonden in 2020 plaats. Dit werd aanbevolen door een onafhankelijke commissie, geleid door de voormalige burgemeester van Amsterdam, Job Cohen.

Omdat er veel vermoord emensen zijn die geen familieleden hebben nagelaten, adviseerde de commissie ook dat de NS met betrekking tot hen een betaling verricht. Wat deze betalingen betreft, ignoreerde de NS de mening van de joodse gemeenschap. Ze besloot de betalingen van in totaal € 5 miljoen aan vier Nederlandse herinneringscentra van de Tweede Wereldoorlog te doen. Dat was geen verstandige beslissing. Hoewel de NS aanzienlijke bedragen uitbetaalde, bestaat er in de joodse gemeenschap nog steeds verbittering tegenover de firma.

Al in 2005 had de toenmalige president van de NS, Aad Veenman, zich onverwacht bij de joodse gemeenschap voor het gedrag van de spoorwegmaatschappij tijdens de Tweede Wereldoorlog verontschuldigd. Tot dat moment had haar management betwist dat het zich voor diensten zou verontschuldigen die haar voorgangers in oorlogstijd zonder protest bij de deportatie van een groot deel van het Nederlandse Jodendom hadden verricht (PDF, pag. 141/142).

Na zijn succes tegen de NS besloot Muller een eis in te dienen tegen de Duitse staat. Deze verwijst naar de rol van de Duitse staatsspoorwegen in de oorlog, de toenmalige Deutsche Reichsbahn. Muller eist een verontschuldiging en financiële schadevergoeding voor Nederlandse Holocaustoverlevenden en hun naaste familieleden. Zijn advocaat heeft bondskanselier Merkel geschreven dat de erfgenamen van de Duitse spoorwegen een morele en juridische plicht hebben om hun rol bij het lijden van de Joden, Sinti en Roma te erkennen.

De 84-jarige Muller becommentarieerde voor de Nederlandse televisie wat betreft de Reichsbahn: “Ik maak de spoorwegmaatschappij er verantwoordelijk voor dat deze Joden op verschrikkelijke wijze werden vermoord.” De Duitse spoorwegen voerde ongeveer 100 transporten van de Nederlandse grens naar Auschwitz en het vernietigingskamp Sobibor uit.

Een ruimere zienswijze vertegenwoordigt de bekende joodse Amsterdamse advocaat Herman Loonstein. In een interview met het dagblad “Trouw” zei hij dat veel van de in de oorlog gestolen bezittingen van Nederlandse Joden altijd nog niet werden teruggegeven. Loonstein noemde als voorbeelden kunstwerken of huizen, die de Joden die de Duitse kampen hadden overleefd na de oorlog in bezit van anderen terugvonden. Hij beweert dat de Nederlandse regering niets onderneemt om deze bezittingen terug te geven en daarom de strijd overlaat aan de overlevenden. Hij verklaarde bovendien dat hetgeen wel werd teruggegeven willekeurig geweest is.

Loonstein heeft gezegd: “De Tweede Wereldoorlog is er, juridisch gezien, ver van verwijderd ten einde te zijn.” Hij noemde kleine gevallen, zoals dat Joden aan stadsbesturen de gele sterren moesten betalen die ze gedwongen moesten dragen. Loonstein noemde ook dat de Amsterdamse trammaatschappij – net zoals alle spoorwegen – Joden binnen Amsterdam naar de deportatieprocedure transporteerde. De firma wees het van de hand om zich met de kwestie van schadeloosstelling bezig te houden. Loonstein benadrukte echter dat de grootste resterende problemen kunstwerken en woningen betreffen.

Loonstein zei tegen de interviewer als curiositeit eveneens dat een van zijn zoons, een advocaat, ontdekte dat de eigendomswoning van een Jood op de dag van zijn deportatie aan een van de bekendste en grootste Nederlandse oorlogsmisdadigers werd overgedragen, Pieter Menten. Loonstein vraagt zich af of hij een klacht kan indienen tegen de Nederlandse staat. Hij gaat er van uit dat de huidige eigenaren de woning in goed geloof gekocht hebben. Hij zei echter ook dat de Nederlandse regering een deel van de verantwoordelijkheid voor deze affaire draagt. De notarissen, die collaboreerden bij de overdracht van gestolen joods grondeigendom, waren deels Nederlandse staatsdienaren.

Gezien dit alles lijkt het erop dat schadeloosstelling i.v.m. de Holocaust nog jarenlang een discussiethema zal blijven in meerdere Europese landen, zowel privé als in de media.

door Dr. Manfred Gerstenfeld


Bronnen:

♦ een artikel van Dr. Manfred Gerstenfeld in een vertaling uit het Duits door E.J. Bron van een artikel Holocaust-Abfindungsansprüche gegen nationale Eisenbahnen op de site van Heplev van 14 september 2020

Een gedachte over “Aanspraken op Holocaustschadevergoeding tegen nationale spoorwegen

  1. Ja die beroemde Europeese waarden zijn werkelijk indrukwekkend..

    Europa, rijk geworden door gestolen grondstoffen uit coloniaal bezit en actieve hand & spandiensten voor de moordende Nazi’s, spelen de huidige verantwoordelijken mooi weer met teruggave van fooien van gestolen Joods bezit en gratis verontschuldigingen, 75 jaar na dato……en dit met het mes op de keel na jaren van rechtzaken.

    Wanneer Joodse nabestaanden dan ‘blijven hameren over teruggave van de ‘volledige gestolen gelden & bezittingen van hun vermoorde families, dan worden ze uitgemaakt voor Joodse geldazen….die bekende term van mensen met een Jodenfobie die ter verantwoording worden geroepen voor hun (mis)daden.

    Ja, die beroemde Europeese waarden zijn inderdaad indrukwekkend.

    Geliked door 1 persoon

Reacties zijn gesloten.