Dit ‘West Bank land’ is niet ‘Palestijns’ en is dat ook nooit geweest

‘Wie kan de rechten van de Joden in Palestina aanvechten?’ schreef Yusuf al-Khalidi op 1 maart 1899 aan de opperrabbijn van Frankrijk. ‘Goede God, historisch gezien is het echt uw land.’ Toch wordt, meer dan een eeuw na de toelating van Khalidi, de band van het Joodse volk met hun voorouderlijk vaderland vaak vergeten.

Veel nieuwsuitzendingen en analisten negeren het inderdaad niet alleen, maar proberen het vaak te wissen. Neem bijvoorbeeld The Washington Post. In het rapport van 13 augustus 2020 van de krant, ‘Trump kondigt historisch vredesakkoord aan tussen Israël en de Verenigde Arabische Emiraten’, beweerde dat ‘Arabische leiders Trump persoonlijk hadden gewaarschuwd dat ze niet konden instemmen met toekomstige economische of diplomatieke banden met Israël als Israël land zou overnemen dat nu nog als Plestijns wordt beschouwd.

Maar het artikel, van verslaggeefster Anne Gearan en hoofd van het bureau Steve Hendrix in Jeruzalem, zegt niet waarom het land ‘nu als Palestijns wordt beschouwd’. In feite heeft er nooit een soevereine Palestijnse Arabische staat bestaan. De status van het grondgebied wordt eerder op zijn best betwist.

De status ervan moet worden opgelost door onderhandelingen die worden verwacht door de resoluties 242 (1967) en 338 (1973) van de VN-Veiligheidsraad, de Israëlisch-Palestijnse interim-akkoorden van 1995, de internationale ‘routekaart’ van 2003 en aanverwante diplomatieke inspanningen. Inderdaad, de co-auteurs van Resolutie 242, de Amerikaanse staatssecretaris Eugene Rostow, de Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties Arthur Goldberg en de Britse ambassadeur Lord Caradon maakten zowel toen als later duidelijk dat Joden en Arabieren beiden aanspraken hadden op de gebieden en dat er sinds het einde van de Ottomaanse heerschappij geen nationale soevereiniteit over hen was erkend.

De Washington Post zelf, in een correctie van 4 september 2014 ingegeven door CAMERA, merkte op dat ‘de door Israël bezette gebieden betwiste gebieden zijn die Palestijnen willen voor een toekomstige staat.’ In een andere recente correctie op basis van CAMERA erkende The Wall Street Journal op 16 mei 2020 dat ‘onder de Oslo-akkoorden de soevereiniteit over de Westelijke Jordaanoever wordt betwist, in afwachting van een definitieve regeling.’

Verder is er een wettelijke basis voor Joodse aanspraken op het land. Zoals CAMERA heeft gedocumenteerd (zie bijvoorbeeld ‘De Westelijke Jordaanoever – Joods gebied onder internationaal recht’), heeft Israël een basis voor het doen gelden van soevereiniteit over het gebied. Bovendien roept het Mandaat van de Volkenbond voor Palestina, later aangenomen door de Verenigde Naties, op tot een ‘nauwe Joodse nederzetting op het land’ ten westen van de Jordaan in Artikel 6.

Het VN-Handvest, Hoofdstuk XII, Artikel 80, bevestigt de bepalingen van het Mandaat. Het San Remo-verdrag van 1920 en de Anglo-Amerikaanse conventie van 1924 legden ook joodse territoriale aanspraken vast in het internationaal recht. Toch is de Post niet de enige die de facto ten gunste van Palestijnse claims beslist.

In een Vox-artikel van 14 augustus 2020 van Alex Ward (‘Kamala Harris’s buitenlandse beleid, uitgelegd’) werd ten onrechte beweerd dat het Joods Nationaal Fonds (JNF) ‘een belangrijke rol speelde bij het verdrijven van Palestijnen uit hun land om plaats te maken voor de staat Israël.

Dit is in elk opzicht a-historisch. In feite komen Joden uit Judea en Samaria, een gebied dat pas in de laatste halve eeuw de ‘Westelijke Jordaanoever’ wordt genoemd. De Joodse aanwezigheid in het land Israël dateert van vóór die van de Arabische en islamitische veroveringen in de 7e eeuw – met duizenden jaren. Verder is die aanwezigheid continu geweest. In Jeruzalem vormden bijvoorbeeld Joden de meerderheid van de inwoners sinds de jaren 1840 – lang vóór de oprichting van de JNF in 1901.

Nog een belangrijk, maar weggelaten feit: veel van het land dat Joden verwierven, werd gekocht van Arabieren, ook van verschillende opmerkelijke Palestijnse Arabische families. Zoals de historicus Benny Morris opmerkte in zijn boek 1948 uit 2008: ‘Er hangt een gigantisch vraagteken boven het ethos van de Palestijnse Arabische elite: Husseinis, evenals Nashashibis, Khalidis, Dajanis en Tamimis … verkocht land aan de zionistische instellingen en / of diende als zionistische agenten of spionnen.”

Deze families, van wie velen verzet zouden leiden tegen het bestaan ​​van Israël en het recht op Joodse zelfbeschikking, verkochten in het geheim land aan de beweging die ze aan de kaak stelden. Inderdaad, zoals de historicus Yehoshua Porath documenteerde in The Palestinian Arab National Movement, 1929-1939, toen de Britse functionaris John Hope Simpson een ontmoeting had met Arabieren in het noordelijke deel van het huidige Israël, vroegen sommige Arabieren om een ​​bijeenkomst waar ze ‘hun mening ter ondersteuning van Joodse immigratie en landaankopen.”

“Deze mensen,” merkte Porath op, “waren eigenaren van grote stukken braakliggend land waarvan ze een deel wilden verkopen om de rest terug te winnen. Aangezien ze geen potentiële Arabische koper konden vinden, hadden ze Joodse immigratie en een groeiende Joodse vraag naar land nodig om het zo duur mogelijk aan hen te verkopen.”

Zeker, dit was geen standpunt van de meerderheid, en die Arabieren die in het openbaar land aan zionisten bleken te hebben verkocht, werden – en worden nog steeds – beschuldigd als verraders. Maar zoals hierboven opgemerkt, verkochten prominente antizionistische Palestijnse Arabieren nog steeds land aan Joden, zij het in het geheim.

Bij het herzien van gegevens uit 1920-1939, concludeert Porath dat maar liefst 52,6% van het door zionisten verworven land werd gekocht van niet-Palestijnse Arabische landeigenaren, terwijl 24,6% werd gekocht van Palestijnse Arabische landeigenaren en slechts 9,4% van de fellahins of boeren, die onder het Ottomaanse Rijk zelden land bezaten.

Vanaf 1928 ‘overtrof de hoeveelheid land die door Joden van Palestijnse landeigenaren (zowel grote als kleine) werd gekocht, de hoeveelheid die van niet-Palestijnse landeigenaren werd gekocht’. Joden zijn dus niet alleen inheems in Israël, maar ze hebben ook veel van het land dat nu Israël is, verworven door het te kopen – vaak van Palestijnse Arabieren zelf.

Zeker, Palestijnse Arabieren hadden een staat kunnen hebben, waarvan een deel in Judea en Samaria was gesticht – ook in 1948 toen ze het verdelingsplan van de VN uit 1947 verwierpen en in plaats daarvan ervoor kozen om oorlog te voeren tegen Joden. Bij een aantal gelegenheden is hun een staat aangeboden, maar ze hebben consequent de staat afgewezen als dat betekende dat ze in vrede naast een Joodse staat moesten leven.

Dit roept de vraag op: wanneer en waarom kiezen velen in de media ervoor om het land ‘Palestijns’ te noemen? Vooral wanneer er nooit een Palestijnse Arabische staat heeft bestaan ​​en Joodse aanspraken op het land, zowel historisch als wettelijk, bestaan? Zoals de blogger Elder of Ziyon heeft gedocumenteerd, van 1948-1967, toen Jordanië Judea en Samaria en een deel van Jeruzalem bezette na hen in de oorlog van 1948 te hebben ingenomen, “erkende de New York Times Jeruzalem en de hele Westelijke Jordaanoever als een deel van Jordanië, en de Israëlische kant van Jeruzalem was slechts een ‘Israëlische sector’, maar geen deel van Israël.”

Jarenlang bleef The New York Times naar steden als Ramallah – tegenwoordig de zetel van de Palestijnse Autoriteit – verwijzen als ‘het door Israël bezette Jordanië’. De term ‘Westelijke Jordaanoever’ werd zelden gebruikt; Het land, zo beweerde de Times, was Jordaans. ‘Langzaam’, merkt Elder op, “begon de Times te beseffen dat het ‘Jordaans’ niet logisch was, omdat Jordan er steeds minder mee te maken wilde hebben. Plots bezette Israël geen Jordaans land, maar slechts een gebied waarvan de juridische status nog moest worden bepaald: de Westelijke Jordaanoever.

Tegen het einde van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig werd het gebruik van de term ‘Westelijke Jordaanoever’ in de Times en andere verkooppunten wijdverspreid – en daarmee de impliciete gedachte dat ‘Westelijke Jordaanoever’ ‘Palestijns’ betekent en dat het land dat altijd heeft bestaan en altijd Arabisch was geweest. Maar volgens velen in de pers kon – het mag niet – nooit als Joods worden beschouwd. Het kan Jordaans zijn. Het kan Palestijns zijn. Maar de aanspraken van Joden op hun voorouderlijk vaderland moeten worden uitgewist of geminimaliseerd.


Bronnen:

♦ naar een artikel van Sean Durns “This West Bank Land Is Not ‘Palestinian’” van 24 augustus 2020 op de site van The Algemeiner

2 gedachtes over “Dit ‘West Bank land’ is niet ‘Palestijns’ en is dat ook nooit geweest

  1. Politiek is…..”het veiligstellen van de eigen belangen”.

    In naam van deze waarheid worden de grootste leugens gelegitimiseerd & feiten geëlimineerd.

    De ‘West Bank’ was nooit een palestijns gebied en nooit een land.

    Het is gewoon de naam van het gebied aan de Westelijke kant van de rivier de Jordaan, net als de Rive Gauche het gebied aan de linkerkant van de Seine is, Amstelland het gebied langs de Amstel betreft en waarbij geen internationaal forum of normaal denkend mens het in zijn hoofd daar een land van te maken.

    Verder was dit “door Israel bezette Jordaans gebied” ook dat niet.

    Het was Jordanie dat dit Bijbels Joods gebied door oorlog in 1948 in handen kreeg, het bezet hield tot Israel het in 1967 bevrijde.

    Hoog tijd deze grootste leugen uit de moderne geschiedenis te ontrafelen…….de wereld zal er een stuk veiliger door worden!!

    Geliked door 1 persoon

Reacties zijn gesloten.