Joodse migratie en opgang van het Joodse leven in Antwerpen van ca. 1800 tot 1940

Plaatje hierboven: Joodse migranten uit het Oosten in Antwerpen op doorreis naar de VS via de Red Star Lines aan het einde van de 19de eeuw. Velen van hen zullen stranden in Antwerpen [beeldbron: MJB]

De geschiedenis van de joden in België ontstaat voornamelijk na 1815, hoewel joden tot het einde van de negentiende eeuw een zeer kleine minderheid bleven, in Antwerpen en elders.

Vóór 1816, toen de kleine joodse gemeenschap van Antwerpen officieel door de staat erkend werd als religieuze gemeenschap, hadden kleine aantallen nieuwchristenen en marranen zich in de stad gevestigd. De meeste van deze nieuwkomers waren bezig met overzeese handel. In 1808, toen Antwerpen onder Frans bestuur stond (dat duurde van 1795 tot 1815), telde de stad slechts 37 joodse inwoners.

Gebedsbijeenkomsten waren echter niet toegestaan ​​zonder officiële toestemming, en het duurde tot 1812 voordat een dergelijk verzoek werd ingediend toen een groep van 22 joden de staat een verzoekschrift deed om officiële erkenning als religieuze gemeenschap. Deze erkenning als Israëlitische Gemeente werd verleend in 1816, nadat de stad onder Nederlandse heerschappij kwam (die duurde van 1815 tot 1830, de periode van de Verenigd Koninkrijk der Nederlanden). In 1829 woonden er ongeveer honderd joden in Antwerpen.

Na 1830, toen België een onafhankelijk land werd, begon de joodse bevolking in Antwerpen aanzienlijk te groeien, vooral na 1841. De kleine groep joodse inwoners die al in de stad woonde, werd aangevuld met een immigratiegolf die duurde van 1841 tot 1880 Bij een namenoverzicht van de gemeentelijke autoriteiten in 1854 telden 457 Joden in de stad.

De nieuwkomers waren voornamelijk van Nederlandse afkomst, maar sommigen kwamen uit Duitsland en Frankrijk. Deze groep werd als redelijk geïntegreerd in de algemene samenleving beschouwd. Ze spraken Nederlands en / of Frans en werden beïnvloed door het West-Europese model van joodse emancipatie en assimilatie.

Deze migratiegolf verschilde aanzienlijk van de migratiegolf van 1880-1890 en andere daaropvolgende immigratiegolven. Hoewel veel van de nieuwkomers arbeiders waren, meestal in diamanten, waren de leiders van de Israëlitische Gemeente Antwerpen economisch en vaak politiek opmerkelijke persoonlijkheden zoals bijvoorbeeld Jonathan Raphaël Bischoffsheim (1808-1883).

Jonathan-Raphaël Bischoffsheim (plaatje hierboven) was de eerste president van de religieuze Joodse gemeenschap in Antwerpen na de Belgische onafhankelijkheid. Vanaf 1833 vertegenwoordigde hij de joodse gemeenschap van Antwerpen bij de Belgische Consistorie, waarvan hij voorzitter was van 1837 tot 1840.

Bischoffsheim, een belangrijke filantroop, behoorde niet alleen tot de belangrijkste bankiers en ondernemers van België, zoals bv. zijn broer Louis-Raphaël Bischoffsheim (1800-1873), oprichter van de Nederlands-Franse bank Paribas en de Belgische Société Générale. Jonathan Bischoffsheim was ook actief in de nationale politiek als senator, van 1862 tot aan zijn dood, in 1883.

De grootste uitbreiding in het joodse leven in Antwerpen kwam met de massale joodse immigratiegolven uit Midden- en Oost-Europa vanaf ongeveer 1880. Antwerpen, als havenstad, was meestal ofwel de uiteindelijke bestemming van de aankomende immigranten of, zoals over het algemeen het geval was, hun laatste stop in de Oude Wereld voordat ze doorgingen naar Amerika.

Tussen 1873 en 1934 vertrokken meer dan twee miljoen migranten, waaronder veel Joden, vanuit Antwerpen naar Amerika aan boord van schepen van de Red Star Line. Voor sommige van deze immigranten duurde de tijd tussen hun aankomst in de havenstad en het kunnen inschepen naar Amerika echter te lang.

Reclame voor Joodse immigratie via de Red Star Line
in een Joods weekblad begin jaren 1920

Ze bleven in Antwerpen, samen met degenen die zich er oorspronkelijk hadden willen vestigen. Een gevolg van een dergelijke hervestiging in Antwerpen was dat de bestaande, kleine joodse gemeenschap van de stad al snel sterk in de minderheid werd gebracht door de nieuwkomers. In 1880 waren er ongeveer 1.200 joden in Antwerpen, maar kort na de eeuwwisseling was dat aantal opgelopen tot ongeveer 8.000 mensen.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bereikte het aantal ongeveer 20.000. Joodse immigratie naar Antwerpen ging door tijdens het interbellum en tegen de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd het totale aantal Joodse inwoners geschat op 35.500. Voor de Eerste Wereldoorlog waren de meeste joodse immigranten Russisch of Oostenrijks-Hongaars en Duits.

Na de oorlog waren het vooral burgers van het herstelde Polen. Vandaag telt Antwerpen naar schatting minstens 15.000 tot 20.000 joodse inwoners. Deze cijfers zijn schattingen, aangezien de liberale grondwet van België de registratie van etniciteit of religie niet toestond. De geschatte cijfers laten echter duidelijk zien dat de joodse bevolking van Antwerpen dramatisch toenam in de late negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw.

Plaatje hierboven: Een beroemde reiziger op de Red Star Line was Nobelprijswinnaar Albert Einstein. Hij reisde op 2 december 1930 met de SS Belgenland van Antwerpen naar New York [beeldbron: Red Star Line]

Redenen tot migratie en keuze voor Antwerpen
De joodse immigranten in Antwerpen verlieten hun geboorteplaats en thuisland om talloze redenen. Antisemitisme, evenals anti-joodse maatregelen en officiële discriminatie van verschillende soorten en graden behoorden zeker tot hen, en omvatten anti-joods geweld, economische discriminatie en discriminatie bij inschrijving aan een universiteit.

Economische redenen waren een andere categorie van motivatie voor immigratie en overlapten vaak of gecombineerd met motivaties die voortkwamen uit antisemitisme en anti-joodse praktijken. De joodse werkloosheid in Oost-Europa was in die tijd bijzonder hoog vanwege de ontwrichting en destabilisatie van de traditionele joodse sjtetl-economie, niet in het minst de typisch ‘joodse sectoren’ zoals de leerindustrie en textiel.

Een derde categorie, die de eerste twee opnieuw overlapt of combineert, was die van jonge mannen die (vaak discriminerende) militaire voorschriften in Rusland wilden vermijden. Oorlog, binnenlandse instabiliteit en veranderende grenzen en regimes boden nog meer redenen om te emigreren.

Een grote groep immigranten, zogenaamde kettingmigranten, waren immigranten die zich bij familie, vrienden of andere mensen uit hun geboorteplaats voegden nadat ze verhalen hadden gehoord over de mogelijkheden en vrijheden die ze genoten in hun nieuwe land. Zelfs als de immigrant zelf niemand kende, kan het zijn dat hij toch een brief bij zich heeft, bijvoorbeeld van zijn rebbe, aan een chassid die in de stad van bestemming woonde.

Talrijke factoren (vaak in combinatie) waren van invloed op de respectieve beslissingen van immigranten om te immigreren. Dit overzicht houdt geen rekening met microfactoren zoals de gezinsstructuur en persoonlijkheid van een immigrant, maar in plaats daarvan worden de belangrijkste macro- en mesofactoren genoemd die hebben geleid tot beslissingen voor migratie.

De keuze voor Antwerpen als immigratiebestemming had evenveel facetten als de beslissing voor migratie. Een veel voorkomende en belangrijkste reden om voor Antwerpen te kiezen, was het liberale verblijfsbeleid van de Belgische staat. Zelfs tijdens de jaren van economische crisis van het interbellum waren er tot eind 1938 geen strenge overheidsbeperkingen voor immigratie, vluchtelingen of buitenlandse arbeid.

Voor de Belgische autoriteiten waren de meest doorslaggevende factoren voor het vormgeven van het immigratie- en verblijfsbeleid economische en politieke argumenten. Zolang immigranten geen politieke tegenstanders waren (behorend tot politieke partijen of organisaties die door de staat als subversief werden beschouwd), criminelen of landlopers, en in hun levensonderhoud konden voorzien zonder staatslast te worden, was immigratie vrij eenvoudig.

Dit opmerkelijk liberale beleid werd tijdens het interbellum strenger, hoewel er in het algemeen uitzonderingen konden worden gemaakt voor immigranten die in hun eigen levensonderhoud konden voorzien, of in het geval van joodse immigranten, werden ondersteund door joodse particuliere bijstand.

Natuurlijk handhaafde de Belgische regering maatregelen om “ongewenste” buitenlanders uit te zetten, bijvoorbeeld door hen geen staatsburgerschap of permanent verblijf te verlenen. Evenzo betekent geboren worden in het land niet automatisch een Belgisch staatsburger. Van de geregistreerde joodse bevolking in 1940 bezat immers slechts 6,6% de Belgische nationaliteit. Dit waren meestal gezinnen die in België hadden gewoond vóór de massale immigratiegolf aan het einde van de negentiende eeuw.

Dus aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bleef de meerderheid van de Joden in België, zelfs degenen die decennia in het land woonden en vaak de tweede (of volgende) generatie van hun families waren die daar geboren waren, officieel niet-staatsburger. En buitenlanders. Deze situatie was heel anders dan in Frankrijk en Nederland, waar 56% en 80% van de respectieve joodse bevolking aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog het staatsburgerschap bezat.

De Duitse ordonnantie van 27 mei 1942 verplichte elke Jood in
Antwerpen, ouder dan zes jaar in het openbaar de gele ster te dragen.


Bronnen:

♦ naar een artikel Veerle Vanden Daelen “In the Port City We Meet? Jewish Migration and Jewish Life in Antwerp During the Late 19th and Early 20th Centuries” in nummer 13 p. 55-94 van 2018 van Bijdragen tot de Eigentijdse Herinnering