De Belgisch-Joodse gemeenschap in Scheveningen tijdens WO I; Deel 2: Leven onder Duitse bezetting

Plaatje hierboven: Links een groep Joodse soldaten van het Duitse leger zittend in een Belgische synagoge in 1915 en rechts Opperrabbijn van België Armand Bloch (1862-1923) [beeldbron: MJB]

Terwijl in Londen en Scheveningen een gelijkenis met het ‘Belgische’ vooroorlogse joodse leven bleef voortduren in ‘Belgische’ joodse enclaves; werd het over de grens in bezet België teruggebracht tot een schaduw van zijn vroegere staat.

In Antwerpen kwamen de joodse gemeenschap en haar instellingen bijna volledig tot stilstand en bleef er weinig over van de bruisende gemeenschap van ongeveer 20.000 joden die voor de oorlog in de “stad aan de Schelde” hadden gewoond.

Tijdens het beleg van Antwerpen begin oktober 1914 kwam het historische centrum van de stad onder zware artilleriebeschietingen en luchtaanvallen van zeppelins en werd de hoofdsynagoge aan de Bouwmeestersstraat zwaar beschadigd.

Een zware granaat sloeg een voltreffer en scheurde door de zuidelijke muur en de vrouwengalerij die naast de hekhal landde, de ark waar de Torah-rollen worden bewaard, waardoor vernietiging maar gelukkig geen vuur ontstond.

Rabbi Wiener – die de hele oorlog in Antwerpen zou blijven – redde de Torarollen en bewaarde ze veilig in de kelder van de synagoge. Het beschadigde gebouw zou tijdens de oorlog worden gerepareerd, maar de diensten zouden worden beperkt.

De gemeentelijke leiders die bij het uitbreken van de oorlog waren achtergebleven, hadden gehoopt op een snelle terugkeer van het joodse leven in Antwerpen. Ze riepen zelfs hun coreligionisten op om terug te keren in de Nederlandse Joodse pers; Een oproep die echter grotendeels onbeantwoord bleef.

Door de ineenstorting van de diamanthandel in Antwerpen en de onzekerheid van de oorlog kozen de meeste joden die de stad waren ontvlucht ervoor om in hun toevluchtsoorden te blijven in plaats van het risico te lopen de onzekerheid die hen in Antwerpen te wachten stond, onder ogen te zien.

Tegen december 1914 bestond de gehele joodse gemeenschap van Antwerpen naar verluidt uit zo’n negentig gezinnen en hoewel sommige basisbehoeften, zoals de levering van koosjer vlees, werden hersteld, werden de meeste synagogen en oratoria hersteld, echter de Sefardische en Nederlandse oratoria aan de Hoveniersstraat en Lentestraat bleven gesloten.

Plaatje hierboven: Duits-Joodse soldaten lezen de gebeden in de synagoge van Beverloo, België, in 1915 terwijl de soldaat in het midden op de sjofar blaast op de Joodse feestavond van Rosh Hashana (Joods nieuwjaar) [beeldbron: MJB]

Deze situatie verbeterde zeker niet naarmate de oorlog vorderde en de levensomstandigheden verslechterden, de voorzieningen schaars werden en de prijzen stegen. In de winter van 1916-1917 werd de voedingssituatie in de stedelijke centra van België wanhopig en de bevolking naderde de hongerdood.

Vooral de armen werden zwaar getroffen en konden soms niet voor hun gezin zorgen. Dit was het geval bij de meerderheid van de achtergebleven joodse bevolking. Het plaatselijke Joodse weeshuis sloot wegens geldgebrek en de overgebleven Joden van Antwerpen werden wanhopig.

De Nederlands Joodse gemeenschap, bijgestaan ​​door de Belgische Joodse bevolking in Nederland, startte een actie om “de lijdende Joodse kinderen in België” te helpen. Ondervoede joodse kinderen werden, in overleg met de bezetter, over de grens naar Nederland vervoerd en ondergebracht bij joodse families en organisaties.

Het joodse leven in Antwerpen bleef gedurende de oorlog in winterslaap. In Brussel lijkt de joodse gemeenschap het iets beter te hebben gedaan. Terwijl bij het uitbreken van de oorlog veel joden de stad waren ontvlucht en de joodse bevolking sterk afnam, ging het joodse gemeenschapsleven in Brussel door tot een mate die in Antwerpen niet mogelijk was.

Het strategische belang van Antwerpen en andere versterkte steden zoals Namen en Luik had ertoe geleid dat de Belgische militaire autoriteiten bij het uitbreken van de oorlog de controle over deze steden hadden overgenomen en ze om veiligheidsredenen van vijandige onderdanen hadden ontdaan.

Ook het burgerlijk bestuur in Brussel deporteerde Duitse staatsburgers en zo’n 5.100 (een derde van de Duitse bevolking) van hen werden aan het begin van de oorlog aan Nederland uitgeleverd. De deportatie van buitenlanders lijkt echter minder grondig te zijn uitgevoerd dan in Antwerpen.

Het feit dat Brussel zonder slag of lange belegering door het Duitse leger werd ingenomen en dat de joodse gemeenschap in Brussel, of althans de leden van het joodse establishment, verregaande vorderingen had gemaakt in de richting van integratie in de Belgische samenleving, helpt ook om te verklaren waarom het joodse leven in Brussel zichzelf in stand kon houden.

Plaatje hierboven: Yom Kipoer gevierd door Duits-Joodse soldaten met of zonder puntige helmen die Yom Kipour vierden in de consistorische hal van Brussel op 15 september 1915. De kroonluchter is te zien. Links op de foto draagt ​​een soldaat een tallit. Op de eerste rij lijkt het alsof er ook een vrouw is [beeldbron: JMB]

Gedurende de oorlog bleef de Israëlitische gemeenschap van Brussel functioneren, evenals de joodse liefdadigheidsorganisaties onder haar controle. Deze joodse filantropische organisaties werden een vitale reddingslijn voor de vele joodse armen in de stad, waar de oorlogsrantsoenering een zware tol eiste.

Vanwege de gevaarlijke situatie van veel Joodse armen, werden de verschillende Joodse liefdadigheidsorganisaties onder het gezag van de Israëlitische gemeenschap van Brussel gereorganiseerd in een losse federatie, de Assistance de Guerre. Naarmate de oorlog vorderde en de leefomstandigheden in Brussel verslechterden, raakte een toenemend aantal joden afhankelijk van de steun van deze instelling, die op haar beurt kon rekenen op de steun van Belgische liefdadigheidsorganisaties.

Niet alleen het joodse establishment en de ‘belgiciseerde’ joodse middenklasse zetten hun activiteiten voort tijdens de oorlogsjaren, de joodse immigrantensamenleving, bestaande uit Oost-Europese immigranten die na 1882 arriveerden en voornamelijk na de mislukte Russische revolutie van 1905, begon ook hun eigen filantropische, Culturele en politieke organisaties.

Op 20 augustus 1917 werd de filantropische organisatie Ezrah opgericht door Joodse immigranten als een zionistisch antwoord op de filantropische organisaties die worden gedomineerd door de consistorie. Haar commissie bestond uit de opkomende nieuwe immigranten middenklasse en bourgeoisie en telde onder haar prominente leden M. Gratvol (president), Isaac Kubowitzki (vice-president), Israel Raindorf (penningmeester) en A. Averbouch (secretaris).

Plaatje hierboven: De ‘Hollandse synagoge’, aka de Nieuwe Synagoge in de Bouwmeesterstraat te Antwerpen omstreeks 1900, werd gebouwd door de Antwerpse architect Joseph Hertogs en geopend in 1893. Het was in 1893 de eerste imposante synagoge die in Antwerpen gebouwd werd, opgericht door afstammelingen van joden uit Nederland, die in de zeevaart actief waren. Vandaar de naam ‘Hollandse synagoge’. [beeldbron: EV]

In het eerste semester van 1918 hielp de organisatie ongeveer 950 verarmde Joden die leden onder de tekorten van de oorlog. In de onmiddellijke naoorlogse jaren reorganiseerde de organisatie zich en nam het op zich om de massale toestroom van vluchtelingen uit Oost-Europa te ondersteunen. Het zou daarbij een gelijkaardige rol spelen als zijn naamgenoot in Antwerpen.

Een van de verrassende ontwikkelingen in de Joodse immigrantengemeenschap in Brussel tijdens de bezetting is de beginnende organisatie van een Joods nationaal leven in de stad. Het zionisme in Brussel vóór de oorlog was altijd marginaal gebleven en de kleine zionistische organisaties werden gekenmerkt door hun vluchtige aard.

Tijdens de bezetting ontstond een aantal joodse culturele en politieke kringen met zionistische oriëntatie, die de zionistische beweging in de hoofdstad versterkten. De reden voor deze plotselinge opname van het joodse nationale leven kan gedeeltelijk worden verklaard door de komst van toegewijde activisten en intellectuelen zoals Benzion Averbuch, die het belegerde Luik was gevlucht en aan het begin van de oorlog in Brussel arriveerde.

Laatstgenoemde was samen met Isaac Kubowitzki, Alexander Van Der Horst en Gustaaf Hildesheim, lid van The Zionist Society Hatikwah (niet te verwarren met het tijdschrift van de Zionist Federation), dat lezingen en andere activiteiten organiseerde. Deze zionistische kring had een uitgesproken burgerlijk en algemeen zionistisch karakter, en stond op gespannen voet met een meer militante ‘progressieve’ organisatie, aangestuurd door jonge Jiddisch-sprekende Oost-Europese joden en Franstalige joden die de naam Zeire Zion aannamen.

In een pamflet dat in september 1916 werd verspreid, riep Zeire Zion de joodse jongeren van Brussel op tot actie:

Uw bestaan ​​heeft een doel: bijdragen aan het welzijn van uw volk, uw studies hebben een doel: de wetenschap van uw volk kennen, uw Vrije tijd heeft een doel: werken aan de regeneratie van uw mensen … wees niet bevooroordeeld, VRAAG uzelf; Luister naar je geweten, KEN jezelf, kom naar ons, adviseer ons, werk met ons samen voor de eer van ons gemeenschappelijk erfgoed.

Haar activiteiten bestonden voornamelijk uit culturele en politieke vorming van joodse jongeren maar ook uit (bescheiden) fondsenwerving voor het werk van de zionistische beweging in Palestina. ‘Praktisch werk’ op het veld in Palestina was onmogelijk gezien de politieke omstandigheden.

Een van de oprichters van Zeire Zion was de jonge rechtenstudent Léon Kubowitzki, de jongere broer van de eerder genoemde Isaac, die tijdens het interbellum een ​​van de meest prominente leiders van de Labour Zionistische beweging in België en een van de meest invloedrijke figuren in België zou worden.

Ondanks hun verschillen vormden Hatikwah en Zeire Zion in 1917 samen de Mercaz Sioniste. Deze organisatie stelde een Beth Zion (een zionistisch huis) in, bestaande uit een kleine bibliotheek en een leeszaal waar een scala aan activiteiten kon worden gehouden.

Ook actief in de hoofdstad tijdens de oorlogsperiode was de Club Autodidactique Juif, die de joodse liberale bourgeois, professionele intellectuelen en joodse arbeiders samenbracht en, zoals de naam suggereert, een reeks lezingen en conferenties organiseerde.

Volgens een naoorlogse beschrijving van Ahron Weiss, een van de belangrijkste leden van de Zeire Zion, werd deze club gekarakteriseerd als een ‘oppervlakkig Joods nationaal karakter’.


Bronnen:

♦ naar een artikel van Wim Willems & Hanneke Verbeek “Opkomst en ondergang van een joodse gemeenschap” van 19 april 2018 en een artikel “Hoe de Joodse gemeenschap uit Scheveningen verdween” van 3 november 2015 op de site van Historiek

♦ naar een artikel van Corien Glaudemans “Joodse vluchtelingen uit België” van 28 juni 2014 op de sitse van Stichting Joods Erfgoed Den Haag

♦ naar een artikelfotocollectie‘ op de site van Muséee Juif de Belgique

♦ een artikel op deze blogDe Belgisch-Joodse gemeenschap in Scheveningen tijdens WO I; Deel 1: De vlucht naar Nederland” van 6 augustus 2020