Over de mythe van de ‘Goede Nederlander’ tijdens de oorlog

Soms werpt een opmerking van een persoon in een kleine publicatie een belangrijk licht op een belangrijk nationaal kenmerk. Twintig jaar geleden interviewde de Nederlands-Israëlische auteur Miriam Dubi Gazan de Nederlandse ambassadeur in Israël, Como van Hellenberg-Hubar voor het Nederlands-Joodse ‘Joods Journaal’. Het artikel ging over het gedrag van de Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tegen de tijd dat dit artikel werd gepubliceerd, hadden historici al bewezen dat in bezet Nederland degenen die zich verzetten tegen of zich uitspraken tegen de Duitsers, slechts een kleine minderheid van de bevolking vertegenwoordigden. De meeste mensen waren onverschilligen velen onder hen hadden op de een of andere manier met de nazi’s gecollaboreerd. Daartoe behoorden hoge regeringsfunctionarissen, de politie, gemeenten, de meerderheid van het hooggerechtshof, spoorwegleiders en een groot aantal anderen.

‘Goede Nederlanders’
Toch verspreidde de mythe van de ‘goede Nederlander‘ tijdens de oorlog zich internationaal. Het dagboek van Anne Frank speelde een belangrijke rol in deze verkeerde voorstelling. Ze was met goede familie en anderen verborgen gehouden door goede Nederlanders in Amsterdam.

Veel minder nadruk werd gelegd op hun verraad, waarschijnlijk door een andere Nederlander die tot haar dood leidde. Van Hellenberg-Hubar zei in het interview:

Ik ben van mening dat de mythe van de ‘goede Nederlander’ een positieve uitwerking kan hebben. Een mythe kan als ideaalbeeld dienen. Een beeld waar men aan moet voldoen. De positieve norm, die de mythe bevat, maakt deel uit van de normen en waarden in Nederland. Als men de mythe uitdraagt, ontstaat het gevaar dat de norm in dit geval ook tolerantie ontstaat. Tolerantie is in wezen niet vanzelfsprekend, maar een gevolg van een bewuste keuze om een ​​ander de ruimte te geven. Daar moet men aan werken. Het ontrafelen van de mythe kan in deze context problematisch zijn.

Wat hij zei kan als volgt worden samengevat: “Ik ben voorstander van liegen om het Nederlandse verleden te verfraaien. We moeten liegen of op zijn minst zwijgen over de lelijke kanten.” Zodra men deze visie als een prisma op de Nederlandse samenleving toepast, wordt veel van de houding van de landelijke leiders in de afgelopen decennia veel duidelijker.

Het verklaart bijvoorbeeld waarom het tot 2016 duurde voordat de onderzoeker Rémy Limpach tot in detail de Nederlandse misdaden in Indonesië – toen nog Nederlands-Indië – openbaar maakte tijdens wat eufemistisch de ‘politie-acties’ werden genoemd in 1947 en 1948. Toen onderdrukten de Nederlanders de lokale opstand. Limpach concludeerde dat het Nederlandse koloniale gedrag in die oorlog sterk leek op dat van de Britten, Fransen, Belgen of Portugezen.

Twee voorbeelden: Nederlandse soldaten gaven een inheemse jongen de opdracht om in een kokospalm te klimmen en noten naar beneden te gooien. Ze schoten hem vervolgens uit de boom. Nederlandse soldaten verkrachtten ook Indonesische vrouwen, onder wie minderjarigen. Tientallen jaren geleden deed de Nederlandse historicus Cees Fasseur een officieel onderzoek naar deze ‘politie-acties’. In 2008 zei hij dat “als je de Nederlandse oorlogsmisdaden echt wilt kennen, het onderzoek moet worden vernieuwd. Het kost veel meer tijd, met veel meer historici en veel betere begeleiding.”

In de loop der jaren waren er incidentele onthullingen geweest over extreem wangedrag tijdens de ‘politie-acties’. De Nederlandse kapitein, Raymond Westerling, had de revolutionaire ongeregeldheden op het eiland Sulawesi (toen Celebes genoemd) ‘gepacificeerd’. In 1973 gaf hij een interview over een verdund glas whisky aan het weekblad Panorama. Hij sprak vrijuit en onthulde dat hij 350 gevangenen voor de krijgsraad had gebracht en hen had geëxecuteerd. De Nederlandse justitie reageerde niet.

In 1969 werd Westerling geïnterviewd door een Nederlandse tv-journalist. Hij gaf toe dat zijn soldaten grote oorlogsmisdaden hebben begaan, waaronder executies van mensen zonder proces. Hij beweerde dat hem niets kon overkomen omdat de Nederlandse autoriteiten hiervan op de hoogte waren. Mede door de bedreigingen die de media ontvingen, werd dit interview pas in 2012 uitgezonden.

Een andere onthulling vond plaats in 1997, toen de Nederlandse historische journalist Ad van Liempt een boek publiceerde waarvan de titel zich vertaalt als ‘De Lijkentrein: Waarom 46 gevangenen de reis naar Surabaya niet hebben overleefd‘. Nederlandse soldaten hadden de trein van de Nederlandse Indiase gevangene in de brandende zon laten staan ​​zonder water te geven.

Vooraanstaande Nederlandse historici hebben deze Nederlandse neiging om te zwijgen over grote lelijke gebeurtenissen in het verleden opgemerkt en becommentarieerd. Prof. Frank van Vree is directeur van het Instituut voor Oorlogs- en Holocaust-Genocidestudies (NIOD) in Amsterdam.

Onder zijn leiding – meer dan 70 jaar na het einde van de koloniale oorlog in Indonesië – is het NIOD eindelijk een groot onderzoeksprogramma gestart met de titel ‘Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950’. Op de vraag waarom Nederland zoveel moeilijkheden had met het aanbieden van excuses voor de mislukkingen jegens de Joden van zijn oorlogstijdregering in ballingschap in Londen, antwoordde Van Vree:

De geschiedenis van de oorlogsherinnering laat zien dat Nederland bereid is te kijken naar de zwaktes van zijn samenleving. Maar tegelijkertijd bestaat de hardnekkige gedachte dat Nederland op vele manieren een fout heeft gemaakt; maar al met al heeft het veel beter gedaan dan anderen. Een tweede reden is dat er soms de angst bestaat dat er eventueel herstelbetalingen moeten worden gedaan. Het gevoel is dat je niet te hard moet zeggen dat je iets verkeerds hebt gedaan, want dat kan financiële gevolgen hebben.

“Hebben het niet goed gedaan, we hebben het beter gedaan dan anderen” is diep geworteld in de Nederlandse cultuur. Aan de ene kant is er erkenning, aan de andere kant is er sprake van verdoezeling. Prof. Hans Blom was in het verleden directeur van het NIOD. Gevraagd naar het onvermogen van de Nederlanders om haar eigen geschiedenis onder ogen te zien met betrekking tot zaken als haar mislukkingen in de vervolging van zijn jodendom in de oorlogstijd en de vele misdaden die het beging tijdens de dekolonisatieoorlogen in Indonesië, zei hij:

Nederland is een land waar de noodzaak om compromissen te sluiten zeer vroeg aanwezig was in zijn geschiedenis. Bovendien kan men zeggen dat Nederland in de 19e en 20e eeuw een traditie heeft ontwikkeld om te denken dat ‘wij’ een land zijn met zeer hoge morele maatstaven. In de 19e eeuw werd onvermijdelijk duidelijk dat het machtige Nederland van de Republiek der Verenigde Nederlanden niet langer een significante factor was. Dit, ondanks het feit dat we onze kolonies nog anderhalve eeuw hebben vastgehouden. In dit kleine Nederland ontstond een zelfbeeld dat het prettiger is om ’s werelds meest morele natie te zijn dan de machtigste.

Onder die omstandigheden sloot deze houding ook aan bij de Nederlandse belangen. Als klein land heeft men veel te winnen bij vredesregelingen en internationaal recht. Zo beschermt men zichzelf tot op zekere hoogte tegen het verlangen naar macht van de grote landen. In een dergelijke traditie van een hoog moreel zelfbeeld is het moeilijker om gebeurtenissen in het openbaar en op de juiste manier te behandelen wanneer dat duidelijk niet het geval is.

Er zijn veel andere schandalen van Nederlandse leiders die lelijke kwesties uit het verleden verdoezelen. Tegen deze achtergrond kan men begrijpen waarom Nederland het laatste land in West-Europa was dat toegaf en zich verontschuldigde voor de mislukkingen en het extreme wangedrag van de regering en instellingen in oorlogstijd jegens de joden in hun land.

Deze verontschuldiging werd uiteindelijk door premier Mark Rutte – nadat hij dat jarenlang weigerde – in januari 2020. Maar dat wil niet zeggen dat de Nederlandse mentaliteit is veranderd. Momenteel is er nog een schandaal over het verbergen van een lelijke gebeurtenis uit het verleden. In 2015 hebben Nederlandse vliegtuigen burgers gebombardeerd en gedood in Hawija in Irak.

Vervolgens werd minister van Defensie Jeanine Hennis hierover geïnformeerd. Ze besloot erover te liegen toen ze naar het parlement schreef met de mededeling ‘dat er, voor zover bekend’, geen burgerslachtoffers waren. In feite waren 74 burgers omgekomen. De huidige minister van Defensie, Ank Bijleveld, heeft in 2019 ternauwernood een motie van wantrouwen overleefd. Het schandaal viert nog steeds en de minister overleefde in mei 2020 opnieuw een motie van wantrouwen.


Bronnen:

♦ naar een artikel van Dr. Manfred Gerstenfeld “The myth of the Good Dutchman; Do the Dutch preserve a self-image as a nation with a high level of morality by lying, obfuscating and hiding things that don’t fit?” van 26 mei 2020 op de site van Arutz Sheva

Een gedachte over “Over de mythe van de ‘Goede Nederlander’ tijdens de oorlog

  1. De goede Nederlander & de tolerante Nederlander zijn, net als de rijke Jood, mythes met een kapitale M.

    Er waren/zijn goede & tolerante Nederlanders en er zijn rijke Joden.

    Jammer genoeg waren er een pak meer slechte, boosaardige & intolerante Nederlanders……net als arme Joden.

    Raar maar waar!

    Geliked door 1 persoon

Reacties zijn gesloten.