Manfred Gerstenfeld over de lock-down en zijn tijd als onderduiker tijdens de Holocaust

Plaatje hierboven: De Israëlische grenspolitie stopt als de sirene in heel Israël afgaat ter gelegenheid van Yom Hazikaron, 28 april 2020 [beeldbron: Marc Israel Sellem/J-Post]

In de regel denk ik in de dagen voor Jom Hasjoa (Holocaust Herdenkingsdag) ook aan de anderhalf jaar die ik tijdens de Holocaust als onderduiker doorbracht. In deze tijd zat ik met mijn ouders in een kleine woning in Amsterdam opgesloten.

Tot op de dag van vandaag begrijp ik niet waar ze de mentale en emotionele kracht vandaan haalden om deze situatie uit te houden. Als 6- tot 7-jarig kind begreep ik de volle omvang respectievelijk de daarmee samenhangende risico´s niet. Ik weet nu dat tussen de 30 en 40% van de in Nederland ondergedoken Joden aan de Duitsers werden verraden, hoofdzakelijk door Nederlanders.

Mijn ouders hadden op naam van een ongetrouwde moeder een kleine woning in het centrum van Amsterdam gehuurd. Nu weet ik dat deze woning ongeveer een kilometer verwijderd was van de schuilplaats van Anne Frank en haar familie. Deze woning was de plek waar we naartoe wilden, toen duidelijk werd dat Nederlandse Joden naar het doorgangskamp Westerbork gebracht werden. We wisten niet dat er van daaruit elke week treinen naar het oosten vertrokken. De mensen, die naar Sobibor werden gestuurd, werden bij aankomst onmiddellijk vermoord. Een deel van diegenen, die naar Auschwitz-Birkenau werden gestuurd, werd onmiddellijk vergast. Andere Nederlandse Joden hadden een kleine kans om te overleven als ze dwangarbeid moesten verrichten. Maar de meesten van hen stierven als gevolg van de vreselijke omstandigheden in de kampen.

De woning, waarin wij ons verborgen hielden, had drie kamers. De vrouw, op wier naam de woning gehuurd werd, had de voorste kamer. Haar zoon was zeeman, die zelden op bezoek kwam. De middelste kamer was heel klein en had geen raam. Daar sliep ik. Overdag woonden we in de achterkamer, waar mijn ouders ´s nachts sliepen. Onder ons bevond zich een winkel, die schrijfmachines verkocht. De mensen die daar werkten, wisten dat er een alleenstaande vrouw boven hen woonde, die overdag uit werken ging. Daarom waren we nauwelijks in staat om ons te bewegen of tijdens de openingstijden van de winkel ook maar een kik te geven.

De moedige verzetsbeweging voorzag ons van distributiebonnen. Zonder deze zou de dame niet in staat geweest zijn om levensmiddelen voor ons te kopen. Een neef van mijn vader, zelf onderduiker, bezorgde ons het geld om de huur te betalen en de meest noodzakelijke dingen te kopen. Onder normale lokale omstandigheden zouden we geen stroom gehad hebben. Maar iemand van het verzet sloot ons aan op de stroom van de schoenenwinkel enkele huizen verderop, die van een Nederlandse nazi-collaborateur was. Radio´s waren destijds behoorlijk groot en hadden stroom nodig. Het was illegaal om een radio te bezitten, anderzijds waren wij zelf illegaal.

Veel ondergedoken Joden waren door deze tijd hun leven lang getraumatiseerd. De tijd van de isolering had een duurzame invloed op hen. Mijn vader beïnvloedde de isolering echter op tegenovergestelde wijze. In ons onderduikadres zwoer hij dat, als hij de oorlog zou overleven, hij de rest van zijn leven zou wijden aan de hulp voor joodse overlevenden.

En dat deed hij. Na de oorlog richtte hij in de Amsterdamse Asjkenazisch-joodse gemeente een vakgebied sociale zaken en zielzorg op. Deze organisatie hielp overlevenden op vele manieren. Hoewel er een joodse overkoepelende organisatie was gecreëerd om mensen bij financiële problemen te helpen, hielp ook de afdeling van mijn vader in bepaalde mate veel arme mensen.

Behalve armoede waren er ook enorme sociale problemen. Veel Joden hadden alle of de meeste van hun familieleden verloren. Mijn vader organiseerde nadrukkelijk voor overlevenden bedoelde gemeenteactiviteiten, waar ze vaak bijeenkwamen om naar voordrachten te luisteren of artistiek of met borduren bezig te zijn. Hij begon ook gezamenlijke uitstapjes te organiseren, in het begin naar andere joodse gemeenten in Nederland en later naar joodse gemeenten in de rest van West-Europa. Uiteindelijk vonden er jaarlijkse reizen naar Israël plaats. Deze activiteiten werden financieel ondersteund door Joden, die hun zaken na de oorlog weer hadden opgebouwd en dit als waardevolle charitatieve zaak beschouwden.

De toestand van de overlevende Joden – drie vierde deel van de 140.000 Nederlandse Joden voor de oorlog werden door de Duitsers vermoord – verschilde radicaal van de rest van de maatschappij. Om met de problemen van een deel van hen te maken te hebben, maakte van mijn vader een pionier van het Nederlandse sociaal werk; daarbij ging het om een beroep dat nog pas aan het begin van wetenschappelijk onderzoek stond. Een Nederlandse professor in de eigentijdse geschiedenis, Isaac Lipschits, schreef de biografie van mijn vader. Ze werd een commercieel boek.

Gedurende deze tijd van de lock-down in Israël ben ik ermee begonnen meer dan gebruikelijk en gedetailleerder over mijn tijd gedurende de Holocaust na te denken. Mijn persoonlijke verhaal geeft me een radicaal ander perspectief op de hedendaagse situatie dan vele Israëli´s. Hoewel de actuele isolering vele nadelen met zich meebrengt, zijn deze in vergelijking met de dagen toen ik ondergedoken zat onbelangrijk.

Het corona-virus is onaangenaam, maar vergeleken met de waarschijnlijkheid vergast te worden in het minimaal. Ik zit niet alleen in lock-down, maar samen met veel andere Israëli´s. Ik zit daar met veel mensen van de westelijke wereld samen in. Mijn kinderen brengen eten. Het is kwalitatief veel beter dan datgene wat ik in de laatste jaren van de Holocaust at. Of ik tegen heinde van de oorlog ook tulpenbollen en suikerbieten heb gegeten? Ik kan het me niet herinneren. Ik herinner me wel dat ik dankzij de Zweden een paar dagen na de oorlog voor de eerste keer überhaupt een stuk witbrood at.

Nu zijn er aangename verrassingen. Vrienden bellen op en vragen hoe het met me gaat. Ik bel andere vrienden op om te vragen hoe het met hen gaat. Ik heb een paar telefoontjes van mensen gekregen, van wie ik meestal niets hoor. Vrienden uit het buitenland schrijven me ook. In veel van deze gesprekken leer ik interessante dingen, vaker niets, die nadrukkelijk verband houden met de lock-down.

Een van de hoogtepunten van mijn lock-down-leven vond vrijdagavond enkele weken geleden plaats. Buren en hun kinderen zongen vanuit hun vensters Kabbalat Shabbat. Anderen sloten zich vanaf hun balkons bij hen aan. Een week later Vond er een grote ontwikkeling plaats. Sjabat- en avondgebeden zijn een collectieve ervaring geworden. Meer dan de voor een minjan benodigde 10 personen komen op straat bij elkaar en houden afstand van elkaar, terwijl anderen, inclusief ikzelf, vanaf hun balkons meedoen.

We zitten nu in de vierde week van de sjabbat-godsdiensten. Ze zijn een vaste vorm geworden. Mensen komen over een afstand van 100 meter lengte op straat en stellen zich in de voorgeschreven afstand van elkaar op. De chazan (voorzanger) leidt de godsdienst, omdat hij een zeer luide stem heeft. Tijdens Pesach en de laatste sjabbat voegen we een lezing van de Thora en de priesterlijke zegen toe. Op doordeweekse dagen met Pesach vonden er vaak middag- en avondgebeden plaats. Een vrouw van de overkant zette glazen en een fles wijn buiten neer, opdat de kidoesj gehouden kan worden. Ik kan niet naar de synagoge, maar ik heb het geluk dat de synagoge naar mij is toegekomen.

Als ik erover nadenk, erken ik volledig hoe belangrijk het was dat mijn overleden vrouw en ik meer dan 50 jaar geleden besloten Europa te verlaten en naar Jeruzalem te gaan.

door Dr. Manfred Gerstenfeld


Bronnen:

♦ een artikel in een vertaling uit het Duits door E.J. Bron van een artikel Der Lockdown und meine Zeit im Versteck während des Holocaust op de site van Heplev van 27 april 2020