Achtjarige uit Buchenwald wordt opperrabbijn Israël

Elf weken na vernietigingskamp Auschwitz werd kamp Buchenwald bevrijd. Schokkend is het getuigenis van de Amerikaanse legerrabbijn Herchel Schacter, die in de namiddag van 11 april 1945 het appelterrein betrad. „Hoe heet je, lieve jongen?” „Loelek.”

Op 23 maart 1945 slechtten militairen van het Amerikaanse Derde Leger onder leiding van generaal Patton een barrière die de toegang tot Duitsland zo lang had geblokkeerd: de Rijn. Na het aanleggen van een brug trok het leger van Patton vervolgens Duitsland door. Al na een paar weken waren de Amerikanen in het oosten van het land.

Op 11 april 1945 –afgelopen zaterdag 75 jaar geleden– stonden de Amerikaanse tanks voor de poorten van Buchenwald. Dit kamp, vlakbij de beroemde cultuurstad Weimar, was al in 1937 op Duitse bodem gebouwd. Het was dan ook geen vernietigingskamp zoals Auschwitz en Sobibor, maar een werkkamp voor ‘vijanden’ van de nazi’s.

Toen de Amerikanen kwamen, hadden de nazi’s al bijna 30.000 gevangenen uit Buchenwald weggevoerd en waren er nog 21.000 overgebleven.

In de namiddag van die 11e april ging de Amerikaanse legerrabbijn Herschel Schacter het kamp binnen. Op het appelterrein zag hij iets bewegen bij een stapel lijken. Toen hij dichterbij kwam, ontdekte hij een jongetje dat nog leefde. Schacter ging op zijn knieën, omarmde de jongen en vroeg in het Jiddisch: „Hoe heet je, lieve jongen?” Het antwoord was: „Loelek.”

Met zachte stem vroeg de rabbijn: „En, hoe oud ben je?” Loelek antwoordde uit gewoonte voorzichtig: „Wat maakt het uit.” Daarna kwam hij met een verbijsterende toelichting: „In elk geval ben ik ouder dan u.” Schacter was verbaasd en vroeg waarom hij dat dacht. Zonder aarzelen antwoordde het jongetje: „Omdat u huilt en lacht als een kind; ik heb al heel lang niet meer gelachen en huilen kan ik ook niet meer.”

Plaatje hierboven: Loelek (l.) en Naftali, zoons van de Poolse opperrabbijn Moshé Chaim Lau, bij aankomst in Haifa [beeldbron: United States Holocaust Memorial Museum – USHMM]

Broertje
De jongen bleek acht jaar te zijn en afkomstig uit het Poolse Piotrkow. Dat is bizar, want die stad ligt in de buurt van Auschwitz. Dat deze jongen niet in de gaskamers van Auschwitz terechtkwam, is een wonderlijke geschiedenis. Loelek was zijn koosnaam; zijn echte naam was Israel Meïr Lau.

Zijn vader Moshé Chaim Lau was opperrabbijn van Piotrkow. Toen de ontruiming van het getto van die stad naderde, zegende Moshé zijn oudste zoon Naftali en drukte hem op het hart om op zijn kleine broertje te passen en later met hem naar Eretz Israel te gaan. Bijna de hele gemeente van opperrabbijn Lau werd naar Treblinka afgevoerd. Op het perron riep Lau zijn gemeenteleden op om met hem het Sjema (Deuteronomium 6:4) uit te spreken en het schuldgebed Widdoei. Ongeveer 22.000 Joden uit Piotrkow werden toen vermoord.

Met zijn moeder en zijn broer verblijft Loelek dan in het lege getto. Naftali is dwangarbeider in een fabriek in Piotrkow. Als de Russen Polen binnentrekken, komen Naftali en Loelek in kamp Buchenwald terecht, terwijl hun moeder wordt afgevoerd naar een vernietigingskamp. Naftali smokkelt zijn kleine broer in een jutezak op zijn rug Buchenwald binnen om te voorkomen dat hij bij aankomst naar de gaskamer verdwijnt. Een klein kind is immers nutteloos in een werkkamp. Naftali brengt zijn broertje onder in een barak waar meer kleine kinderen verborgen worden gehouden.

Zo overleeft het Joodse jongetje Loelek, dat tot zijn achtste niets anders heeft gekend dan getto en concentratiekamp. Kun je ooit over zo’n ellendige kindertijd heenkomen, vraag je je af. Ja, er gebeuren wonderen. Naftali en Loelek komen inderdaad in Eretz Israel, al is de ontvangst daar dramatisch. De Britse bezetter stopt hen in Haifa in een veewagon die hen naar een kamp brengt: weer achter prikkeldraad! Als ze vrijkomen, kan eigenlijk niemand van de Joden in Palestina hun verhaal geloven.

Beide jongens uit Piotrkow bereiken later bijzondere posities. Naftali wordt ambassadeur van de staat Israël en Loelek wordt de opperrabbijn van Israël.

Elie Wiesel
Binnen het Amerikaanse leger kon men eigenlijk ook niet geloven wat er in Buchenwald was gebeurd. Hadden de inwoners van Weimar echt niets gemerkt? Het leger organiseerde op 15 april 1945 voor ruim 1500 burgers een gedwongen bezichtiging van het kamp, waar nog talloze lijken lagen. Rabbijn Schacter bleef twee maanden in het kamp voor geestelijke verzorging. Op 18 mei was hij voorganger in een dienst voor Sjavoeot, het Bijbelse Wekenfeest.

Onder de Joodse jongens in Buchenwald was ook Elie Wiesel, afkomstig uit Hongarije. In het voorjaar van 1944 was hij als 16-jarige naar Auschwitz gebracht; in januari 1945 moest hij naar Buchenwald lopen. Wiesel werd wereldberoemd met zijn boek ”La Nuit” (De Nacht) en kreeg in 1986 een Nobelprijs.

Hij schreef evenals Shimon Peres een voorwoord in de autobiografie van Israel Meïr Lau, die in 2005 uitkwam in het Hebreeuws en later is vertaald in het Engels en het Spaans. Helaas is er geen Nederlandse vertaling van dit ontroerende boek van een Joods jongetje uit Buchenwald – dat later als opperrabbijn sprak met meerdere presidenten en paus Johannes Paulus II.


Bronnen:

♦ naar een artikel van Klaas de Jong “Achtjarige uit Buchenwald wordt opperrabbijn Israël” van 17 april 2020 op de site van Het Reformatorisch Dagblad