Hector Bolitho in 1933 over Die Erste Jüdische Stadt: Tel Aviv

Een merkwaardig getuigenis uit de beginjaren van het zionisme is dat van Hector Bolitho in zijn dagboek ‘Beside Galilee’. In het voorjaar van 1933 brengt de Nieuw-Zeelandse schrijver Hector Bolitho (1897-1974) tijdens één van zijn vele reizen een bezoek van enkele maanden door in het Heilig Land.

De desastreuze gevolgen van de beurscrach van 1929 in New York zijn nog steeds in de hele wereld voelbaar en luidde in Duitsland het einde van de Weimar Republiek in en de opkomst van het nationaal-socialisme. In Duitsland raakt op 30 januari 1933 de NSDAP aan de macht en volgt Adolf Hitler Hindenburg op als Rijkskanselier van het Derde Rijk.

Op zaterdag 1 april 1933 is heel Duitsland in de ban van de actie “Deutsche, kauft nicht beim Juden” van de SA geleid door Ernst Röhm, een handelsboycot van Joodse handelszaken. Een vroege voorloper en toenmalig equivalent van een tegenwoordige boycot Israël actie.

Op dat ogenblik is Hector Bolitho al een maand in Palestina en in april 1933 logeert hij in Tel Aviv, stad die in 1909 in de duinen iets ten noorden van de oude havenstad Jaffa werd opgericht. In die tijd leefden er slechts 375.000 Joden in Palestina waarvan 47.000 in Tel Aviv [thans 393.900!].

De bevolking bleef snel aangroeien en bracht als gevolg van de nazivervolging in Europa de Vijfde Alijah (1929-1939) op gang waardoor duizenden Joodse vluchtelingen – al dan niet clandestien – naar het land van hun voorouders trokken waarvan velen naar Tel Aviv en Jaffa.

De bevolking steeg snel van 46.000 inwoners in 1931 tot ruim 135.000 in 1935. De arabische revolte van 1936, getekend door hevige rellen tussen Joden en arabieren met vele doden en gewonden aan beide zijden, terwijl de Britse bezetter laatdunkend liet begaan[..], leidde ertoe dat Jaffa genoopt werd haar haven te sluiten en werd een nieuw havenfaciliteit gebouwd aan de oevers van Tel Aviv.

Plaatje hierboven; Tel Aviv werd meer dan 110 jaar geleden gesticht. Op de dag van 11 april 1909 verzamelden enkele tientallen families zich op de zandduinen op het strand buiten Jaffa om percelen toe te wijzen voor een nieuwe wijk die ze Ahuzat Bayit, later bekend als Tel Aviv, noemden. Omdat de families niet konden beslissen hoe het land moest worden verdeeld, hielden ze een loterij om een ​​eerlijke verdeling te garanderen. Akiva Arieh Weiss, voorzitter van de loterijcommissie en een van de prominente figuren in de oprichting van de stad, verzamelde 66 grijze schelpen en 66 witte schelpen. Weiss schreef de namen van de deelnemers op de witte schalen en de plotnummers op de grijze schelpen. Hij combineerde een witte en grijze schaal, waardoor elke familie een plot kreeg, en dus begonnen de stichtende families van Tel Aviv de eerste moderne, Hebreeuwse stad te bouwen [beeldbron: COJS]

In zijn inleiding beschrijft Bolitho hoe de stad bruist van leven, Joden, Arabieren en Bedoeïenen zwermen er door elkaar, de Joden bouwen huizen en verbouwen het land met een nooit geziene ijver en energie. Echter de zionistische Joden van Israël van vandaag zijn niet de Joden van gisteren in de getto’s van het Oosten – Polen, Wit-Rusland en het Rusland onder de Tsaren – en dat heeft Hector Bolitho ook opgemerkt.

Met dit verschil dat Bolitho dit 87 jaar geleden schreef en het voor die tijd wel erg visionaire kijk was op de gespannen relatie tussen Joden en Arabieren, in de periode die vooraf ging aan de oprichting van de Joodse staat Israël, toen Groot-Brittannië het Heilig Land meer dan 30 jaar lang in een ijzeren greep hield. Uit de inlieding van ‘Beside Galilee‘:

Er waait een wervelwind aan veranderingen doorheen Palestina. Die sterker is dan de stormachtige ijver van de zionisten of de subtiele lethargie van de Arabieren, sterker dan elke woede of politiek gekrakeel die tussen hen en Palestina in staat. Het is een wervelstorm waarbij uiteindelijk de gehele mensheid in betrokken zal worden. Het laat de aarde van Palestina beven en haar monumenten schudden. De moslims betwisten de onfeilbaarheid van de wetten die hen werden opgelegd door de ouderen en de dapperste onder hun vrouwen lopen reeds zonder sluier door de straten. De Joden snijden hun haarlokken [peies] af en rennen vanuit hun synagogen recht naar de velden. Hun eens zo bleke gezichten zijn gebruind door de zon. De jonge Brit is afkerig van de christelijke overblijfselen in Jeruzalem, doodsbang voor de twijfels die ze in hem oproepen. Deze jonge moslims, joden en christenen zijn met elkaar verbonden door een gemeenschappelijke angst en wanhoop. Ze zijn meer broers dan ze beseffen, want ze verstoppen allemaal die kentekens weg van de orthodoxe religie waarvan de eerste, oorspronkelijke beelden werden bedekt, en ze eisen een nieuwe en alarmerende vrijheid. Ze proberen de waarheden van weleer te herontdekken voordat de geloofsbelijdenissen begonnen. “De waarheid heeft u vrij gemaakt,” roept Sint Paulus, maar ze antwoorden terug met Pontius Pilatus: “Wat is de waarheid?” De rationele jeugd van vandaag kijkt naar de vernietiging van de parafernalia van de geschiedenis en het is voor hen niet gemakkelijk om er die gemoedsrust in te vinden die zij zo broodnodig hebben met de zovele veranderingen die op hen wegen. De ouden, die al deze veranderingen angstig gadeslaan, hoeven niet te wanhopen. De rabbijnen kijken op van hun boeken en houden hun hart vast omdat een jong Joods meisje en een jongen er tussenuit willen knijpen om samen in de heuvels te slapen, alleen en ongeremd. De oude rabbijn wil niet weten dat zij de hand van God beter daar zullen voelen dan toen ze gescheiden in de muffe synagoge zaten, waar hun gebeden werden doorzeefd met donkere en verschrompelde verlangens. Een jonge moslimvrouw ontvangt haar Engelse gasten in Tul-Karm zonder haar sluier op. De sjeik heeft gehoord van haar zonde en hij kreunt in zijn moskee. Maar de vrouw heeft tahns geen nood meer aan een sluier zwarte zijde om haar maagdelijkheid te bewaken. Ze bloeit op in de nieuwe deugd van de moed, in plaats van onderdanig in de oude deugd van de angst.”

Plaatje hierboven: Die Jüdische Stadt – Tel Aviv in 1932, kruispunt Allenby- en Nachlat Benjaminstraat [beeldbron: DBS]

De eerste Joodse stad
Enkele jaren geleden lag aan de kust in de buurt van de stad Jaffa een eentonige rij duinen, kompleet troosteloos en kleurloos. Het was aan de rand van de Middellandse Zee, de plaats waar de woestijn van het Oosten haar militante opwachting maakte tegen de oceaan van het Westen. De strijd tussen zand en water had elke kleur en reliëf weggespoeld van de zeekust. Het was een monotone grauwheid en zelfs de legende van Sint Joris en de draak en het verhaal van de reis van Jonas in de buik van de walvis, heeft de kust in de buurt Jaffa niet kunnen bevrijden van haar eentonigheid.

Toen de zionisten hun droom van een nationaal tehuis sponnen, dachten zij ook aan een stad: een zeehaven van waaruit zij hun sinaasappelen en bananen over de hele wereld konden uitvoeren. Hun hemel is een gouden stad. Zij konden geen nationaal tehuis bouwen zonder veel van hun duizenden ponden uit te geven aan grote huizen en straten. Zij verwezenlijkten hun droom aan de grauwe kustlijn in de buurt van Jaffa en bouwden hier in één nacht een stad, maar wel een stad van zevenenveertigduizend mensen. Allen zijn Joden. De enige Joodse stad in de wereld. In april en mei vieren deze temperamentvolle mensen de oprichting van de stad en wat de Joden in Palestina hebben bereikt met een grote beurs. Ze is reeds geopend en heeft geleid naar vele orders voor Palestina ter waarde van vele duizenden ponden.

Video: Viering van Poerim, 1932 en 1933 in Tel Aviv

De Arabieren boycotten de beurs, maar al bijna een kwart miljoen mensen hebben ze gezien. Een Joods Wembley. En toch wonen er niet meer dan een achtste van een miljoen Joden in geheel Palestina. Ze hebben hun stad Tel Aviv uitgeroepen tot de heuvel van de hoop. Het is de meest verbazingwekkende metropool aan de oevers van de Middellandse Zee. Het bouwen van een stad aan de zee, met uitzicht op die Middellandse Zee en de duinen als haar fundamenten, duidt op zich reeds op een teken van verandering bij de Joden. Want het zijn nooit bouwers geweest van zeehavens. Ik heb zelfs vernomen dat er geen Hebreeuws woord bestaat voor zeehaven. Van in het begin, is het steeds de aard van de Joden geweest om hun rug naar het water te keren en zich naar het binnenland te begeven.

Wanneer de Arabier uit de naburige stad van Jaffa wandelend over de weg naar Tel Aviv zit te gluren, schudt hij meewarig het hoofd. Hij is tevreden met zijn gescheurde kleren aan zijn lijf en zijn eenvoudig huis. Hij heeft geen materiële ambities en zijn grootste luxe zijn zijn slaap en de stilte. Hoe kan hij al die drukte begrijpen van die bonte verzameling mensen, met hun winkels en hun streven naar efficiëntie?

Deze kleine magere Arabier, met zijn fijne trekken en zijn gespatelde handen, is een fatalist en als je hem vraagt wat hij denkt van die Joodse stad, zal hij zeggen: “Ze is gebouwd op zand. Romeinen en Grieken en anderen hebben hebben het Middellandse Zeegebied overgestoken en zij zijn gekomen tot aan de rand van onze woestijn, om te proberen hier hun eigen beschaving te stichten. Maar altijd, nadat zij voor een poosje geduldig met haar hadden samen geleefd, is de woestijn beginnen protesteren en heeft hen weer in de zee gedrukt. De woestijn is enorm groot en als zij ervoor kiest om te ademen en te bewegen, schuift de Westerse beschaving over de rand en valt in het water.”

Niettemin, met een architecturaal samenraapsel dat verbijsterend is, zijn de Joden uit bijna alle hoeken van de wereld gekomen om er hun eerste stad te bouwen. Balkons uit Berlijn – die zo zouden kunnen weggerukt zijn uit een van residentiële woonwijken die leiden naar Grunewald. Veranda’s van Amerikaanse bungalows, bogen en koepels vreemdweg uit Rusland gescheurd; modern Duitse behangpapier uit Frankfurt. Alles bij elkaar gegooid, maken van haar de lelijkste en toch misschien wel de meest vitale stad die ik ooit heb gezien. Elke zionist die naar hier is gekomen, gaat gebukt onder de smaak van het land van waaruit hij het geluk had te kunnen ontsnappen. Het resultaat is een warboel van vormen en torens en balkons en deuren en kleuren, zoals die nog nooit op één plaats werden samen gebracht. Esthetisch gezien is Tel Aviv een trieste blunder.

De passie en energie die in de Joodse stad werden gestoken zijn niet te ontkennen. Ze overvallen je op het ogenblik dat je de boomgaarden met sinaasappels achter je hebt en de stad nadert. Ik ging naar Tel Aviv via Tiberias, over het slechtste stuk weg van Palestina. Sterker nog, het is het enige slechte stuk van de belangrijkste weg die ik heb gevonden in het land. Kleine wegen kronkelen verwilderd tussen de dorpen heen maar ook deze worden rechtgetrokken en geëffend. Toen we in de buurt kwamen van Tel Aviv, was de lucht warm en zoet van de geur van sinaasappelbloesem.

Een paar mijl terug waren we doorheen een vervallen maar prachtige Arabisch dorpje getrokken, waarin elke lijn, elke steen en elke bocht, op natuurlijke wijze uit de aarde leek te zijn ontstaan. De schoonheid van de minste en de smerigste van deze Arabische dorpen, is de meest oogstrelende ervaring die men in Palestina kan meemaken. Vanaf de stoffige Arabische dorpjes naar de koele sinaasappelboomgaarden: van de sinaasappelboomgaarden naar het samenraapsel van Tel Aviv. De zon brandde op een honderd nieuwe huizen, in een warboel door en naast elkaar gebouwd, soms uitgevend op twee of drie straten in het centrum, die deden denken aan een paar steden die in het westen van Canada als paddenstoelen waren opgerezen. Een van die straten wordt de Allenbystraat genoemd.

Ik zag Tel Aviv vanop het dak van een hoog, nieuw huis, op de dag van een festival. De Joodse bevolking van de stad was op die dag aangezweld tot honderdduizend mensen. Er waren Russische Joden en Poolse Joden, Amerikaanse Joden en Abessijnse Joden [thans Ethiopië], afkomstig van alle uithoeken der aarde, samen geperst in deze nieuwe stad, die juichten en in de handen klapten wanneer de stoet voorbij trok. Ze spraken met elkaar in het Hebreeuws. Ze waren verbaasd over de wonderen van hun eigen prestatie.

In het begin van de optocht werd een historisch tafereel voorgesteld. Toen kwamen groepen Joden in kostuums. Zij stelden speldeprikken voor op het Britse bestuur. Het lijkt erop dat wij zeer slechte en oneerlijke mensen zijn. Overal waren de blauw-witte vlaggen van de zionisten te zien. Gemotoriseerde vehikels reden voorbij, sommigen geladen met twaalf of veertien kinderen: boerenkarren kwamen toe afgeladen vol met kinderen, een ezel sleurde een kar voort met wel veertien kinderen in. Het was noch een groots noch bijzonder schouwspel, maar de passie die er vanuit straalde hield Tel Aviv in zijn greep. Er hing leven in de lucht. De gezichten van de mensen gloeiden van opwinding. Zij hadden de enige Joodse stad in de wereld gebouwd.

Plaatje hierboven: Jonge Joodse vrouwen bewerken het land – met het geweer op de rug!

“Het is niet goed dat het zionisme, dat een terug-naar-het-thuisland beweging is, een grote stad moet bouwen,” zei een Britse ambtenaar. “Er wonen hier niet minder dan zesentwintig procent van de Zionisten die op het land werken. De rest woont in de steden. Palestina zal nooit gedijen met een stedelijke bevolking. Het is een agrarisch land en het percentage van de mensen die in de stad en op het land leven moet precies het omgekeerde zijn.”

We lezen in de Talmoed dat wanneer rabbijn Eleazar een roggeveld en het wuivende graan had waargenomen, hij toen sprak: “Blijf doorgaan met wuiven; de handel verkiest jou boven alles.” En toen voegde hij eraan toe, “Hij die honderd centen uitgeeft aan de handel kan elke dag van vlees en wijn genieten, maar hij die honderd centen uitgeeft aan de landbouw moet tevreden zijn met kool en zout, moet op de grond slapen en wordt blootgesteld aan elke mogelijk denkbare vorm van ellende.” Er bestaat geen ander wonder, dat met dergelijke lessen uit de Talmoed, de Jood een stad bouwt waarin hij een kwart van de Joodse bevolking van het land samenperst.

En toch is Tel Aviv de uitdrukking van extase. De trots waarmee de zionisten verwijzen naar hun nederzettingen is niets vergeleken met de trots waarmee ze mij Tel Aviv toonden. “We hebben een stad gebouwd… De enige Joodse stad in de wereld.” Het ligt aan de oevers van de Middellandse Zee, incongruent, lelijk en passievol. De Duitse Jood in Tel Aviv en kijkt uit over Jaffa vanaf zijn Berlijnse smeedijzeren balkon. Zijn buurman slaapt onder een koepeldak dat hij heeft gekopieerd van Moskou. De Poolse Jodin staat op haar balkon en schudt een kleed uit dat werd geweven in het kleine dorpje van waaruit ze vandaan kwam. De winkel in de hoofdstraat van de Amerikaanse Jood heeft iets weg van een typische straathoek ‘drugstore’ uit de States.

Van het lachende samenraapsel en het stralende gevoel van iets bereikt te hebben, houdt de Arabier zich op afstand en blijft er cynisch bij. Hij blijft in Jaffa. Maar als hij zich buiten waagt op de weg tussen de twee steden, pauzeert hij even aan de rand van de stad Tel Aviv en schudt zijn hoofd. Dan herhaalt hij opnieuw: “Zij is gebouwd op zand. Geen enkele beschaving heeft ooit lang stand gehouden aan de rand van onze woestijn. Op een dag zal de grote zandwoestijn willen ademen en bewegen en zal de stad van de Joden vervolgens in zee tuimelen en zullen we weer vrede hebben.”

De Joden van gisteren…
… zijn niet zoals de Zionisten van 1933


Bronnen:

♦ naar een artikel van Hector Bolitho “Beside Galilee: a Diary in Palestine“; uitgegeven in London, Cobden-Sanderson in 1933

Een gedachte over “Hector Bolitho in 1933 over Die Erste Jüdische Stadt: Tel Aviv

Reacties zijn gesloten.