De vergeten onderdrukking van de Joden in Jeruzalem onder islamitische heerschappij

In het algemeen leefden de Joden op de bodem van het vat in de Arabische-islamitische samenleving. Daaruit zou logischerwijze moeten volgen dat de Joden ook op de bodem van het vat leefden in het Jeruzalem onder islamitische heerschappij.

Tegen het einde van de heerschappij van de Mamelukken – die duurde van de Mongoolse terugtrekking in 1260 tot aan de Ottomaanse verovering in 1517 – leefde er in het Franciscaner klooster in Jeruzalem een monnik genaamd Francesco Suriano (Venetië, 1450-1529) voor zowat vijfentwintig jaar lang.

Gedurende zes jaar was hij in opdracht van zijn orde de Custos Terrae Sanctae of Voogd van het Heilige Land. Dat wil zeggen, dat hij de hoogste westerse christelijke ambtenaar was in het Land van Israël, die door de paus belast werd met het toezicht op rooms-katholieke belangen in de christelijke heilige plaatsen en kerkelijke zaken in het land en hulp te bieden aan katholieke pelgrims. Hij hield niet van moslims maar hij wist goed te waarderen hoe zij de Joden behandelden. Hij beschreef hoe ze de Joden in Jeruzalem behandelden als volgt:

Als je wilt weten hoe deze honden van Joden worden gestampt, geslagen en mishandeld, zoals ze dat verdienen gelijk welk ander ongelovig volk, is dit gewoon het juiste gebod van God. Ze leven in dit land in een dergelijke staat van onderwerping dat die met geen woorden valt te beschrijven… daar in Jeruzalem, waar ze de zonde begaan hebben waardoor ze verspreid werden over de hele wereld [dwz, de Kruisiging van Christus], worden ze door God gestraft en lijden ze meer dan in enig ander deel van de wereld. En daar ben ik lange tijd getuige van geweest…. Geen ongelovige [= moslim] zou een Jood met zijn handen durven aanraken omdat hij onrein is, maar als ze zin hebben om hen te slaan, doen ze hun schoenen uit en slaan ze hen op hun baarden en snorren; de grootste fout en belediging voor een man is hem een Jood te noemen. En het is een achtenswaardige zaak dat de moslims geen Jood aanvaarden tot hun geloof, tenzij hij eerst christen is geworden… En als ze niet werden gesubsidieerd door de Joden van het christendom, zouden de Joden die in Judea wonen omkomen van de honger zoals honden.

Het Ottomaanse Rijk lijkt de status van de Joden in Jeruzalem zich te hebben verbeterd, maar dit gebeurde zeer tegen de zin van de lokale moslims. Niettemin, “Lagen de prijzen van de djizja, de bijzondere taks die de Joodse gemeenschap aan de moslims moesten betalen… gemiddeld iets hoger dan die van de [Grieks-] Orthodoxen.”

Ongeveer 300 jaar na Suriano, constateerde de grote Franse schrijver François-René de Chateaubriand (1768-1848) dat de Joden nog steeds op de bodem van het sociale vat leefden. Hij bezocht in 1806 Jeruzalem en schreef er later dit over:

De speciale doelgroep van alle minachting [dwz. van zowel moslims als christenen], zij buigen hun hoofden zonder morren; zij lijden onder alle beledigingen zonder dat zij opkomen voor hun rechten; zij laten zich verpletteren en omver blazen… dringt de woningen van deze mensen binnen, waar u ze zal aantreffen in de verschrikkelijkste armoede…

Niets kan voorkomen dat ze hun blik naar Zion keren. Als men de Joden ziet die verspreid leven over de hele wereld,… is men waarschijnlijk verbaasd, maar wil men met bovennatuurlijke verstomming worden geslagen, moet men noodzakelijk eerst zien hoe ze in Jeruzalem leven… deze rechtmatige eigenaren van Judea, als slaven en vreemdelingen in hun eigen land. Men moet ze zien onder alle onderdrukking, in afwachting van een koning die ooit komen zal om hen te verlossen.

Toch stonden niet alle christenen in Jeruzalem te popelen om de Joden te haten. Neophytos was een Grieks-orthodoxe monnik die behoren tot de Broederschap van het Heilige Graf, die de belangen regelde van de Orthodoxe Kerk in Jeruzalem. Een inwoner van Cyprus die al vele jaren leefde in Jeruzalem, toonde een zekere sympathie of medelijden met de Joden, voor alle zekerheid niet te overdreven.

Neophytos had zelf geleden onder de vervolging en bedreiging van zijn eigen gemeenschap tijdens de Griekse opstand tegen het keizerrijk, tot de Grieks-Orthodoxen in Jeruzalem grote sommen betaalde – inclusief gouden religieuze objecten – aan de lokale Arabisch-Islamitische notabelen om een bloedbad te vermijden uit wraak voor de Griekse opstand van de jaren 1820.

De relatieve grootmoedigheid van Muhammad Ali beschrijvende tegenover de dhimmi gemeenschappen, nadat hij de Islamitische opstand – door de Ottomanen gesteund – tegen hem in 1834 in Israël had neergeslagen, merkte Neophytos op dat deze grootmoedigheid zich ook naar de Joden uitstrekte. Onder de Ottomaanse heerschappij, zoals hij uitlegt, durfden zij niet eens de toestemming te vragen om hun synagogen te repareren:

Als we op de kwestie van de reparaties aankomen, moeten we iets zeggen over de Joodse Synagoge. Amper een jaar geleden, en de liberale bepalingen van Mehemet Ali Pasha [Muhammad Ali] en Ibrahim Pasha [zijn zoon, generaal en afgevaardigde] in ogenschouw genomen, durven zij weer te spreken over hun synagoge. Ze vroegen dat hun Huis van Gebed, dat in een vervallen staat verkeert en op het punt staat ineen te storten, kan worden gerepareerd. Dus, diegenen die niet eens durfden om een tegel op het dak van de synagoge te vervangen, kregen daar nu de toestemming voor en een decreet om te bouwen.

Neophytos’ woorden “degenen die niet eens durfden,” impliceren de minderwaardigheid van de Joden ten aanzien van de christenen. Dit toont de omvang van de Joodse degradatie aan in de Joodse Heilige stad Jeruzalem.

Het volgende getuigenis over de nederige status van de Joden in de stad komt van niemand minder dan Karl Marx (1818-1883), de grondlegger van het marxisme, en het is alleszins een verrassend getuigenis. In zijn rapport in de New York Daily Tribune van 15 april 1854 over het ontstaan van de Krimoorlog (1853-1856), beschrijft Marx de leefomstandigheden in Jeruzalem, waar religieuze rivaliteit gericht op de Kerk van het Heilige Graf, voor de grote mogendheden kon dienen als voorwendsel voor de oorlog:

De Muzelmannen, die ongeveer een vierde deel van het geheel uitmaken, dat verder bestaat uit Turken, Arabieren en Moren, zijn natuurlijk de meesters in alle opzichten, omdat zij op geen enkele wijze beïnvloed worden door de zwakte van hun regering in Constantinopel. .. ‘Er is niets dat te vergelijken valt met de ellende en het lijden van de Joden in Jeruzalem, waar ze de meest smerige wijk van de stad bevolken, met name Hareth-el-yahoud. In het kwartier van het stortvuil, tussen de Zion en de Moriah waar hun synagogen zijn gelegen – zijn ze voortdurend het mikpunt van onderdrukking en intolerantie door de muzelmannen, beledigd door de Grieken en vervolgd door de Latijnen…

Merk op dat Joden zowel door de christenen in de stad werden vernederd alsook door de moslims. Voor de volledigheid: Marx is nooit in Jeruzalem geweest. Zijn verslag van de datum hierboven is vrijwel volledig geciteerd of geparafraseerd uit een boek van de Franse diplomaat en historicus, César Famin.

Famin zou Jeruzalem kunnen hebben bezocht, maar zo niet, dan was hij ongetwijfeld zeer goed geïnformeerd over de toestand in de Heilige Stad door collega-Franse diplomaten, verslagen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Franse geestelijken en reizigers. Hij was gestationeerd in Yassi (Jassy) in Roemenië, dat toen deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk, waar hij een idee van de status van de Joden en christenen had kunnen krijgen in een islamitische staat.

Het boek van Famin ‘Histoire de la rivalité et du protectorat des églises chrétiennes en Orient’, gepubliceerd in 1853, sprak van een absolute Joodse meerderheid van de bevolking van Jeruzalem en Marx reproduceerde zijn voorstel voor de splitsing van de bevolking van de stad.

We zullen met onze voorbeelden eindigen bij Gerardy Santine, een Fransman die drie jaren woonde in Jeruzalem in de jaren 1850 en met Felix Bovet, een Franstalige Zwitserse protestantse predikant die een bezoek bracht aan de stad in 1858. Santine benadrukte het gevoel van angst en intimidatie waaronder de inheemse Joden gebukt liepen. Bovet citeert een Franse bekeerling tot de Islam, die schreef: “de Jood van Jeruzalem leeft maar half, bang als hij is om nauwelijks adem te halen.”

… de zonen van Israël zijn hier het mikpunt van antipathie en minachting vanwege de andere gemeenschappen… kruiperig en overdreven angstig… Zij wakkeren – eerder dan te ontwapenen – de vijandige gevoelens van de christenen nog wat aan, die blij zijn wraak te nemen door hen [de Joden] te plagen voor hun eigen vrijwillige degradatie ten opzichte van de moslims … de Joden die schuilen onder de vlag van een Europese consul, zijn bijna allen mannen. De Joden zijn nog steeds, tot op vandaag, het meest ellendige deel zijn van de bevolking van de Heilige Stad.

Kortom: 1) de staat van onderdrukking, vernedering en economische uitbuiting – de dhimmitude – van Joden en christenen in de traditionele Arabische-islamitische samenleving, 2) dat de status van de Joden onder de Arabische Islam slechter was dan elders (volgens Maïmonides) en 3) de lagere status van de Joden zelfs ten aanzien van de christelijke dhimmi’s in de Arabisch-islamitische samenleving in het algemeen en in Jeruzalem in het bijzonder.


Bronnen:

♦ naar een ingekort artikel van Elliott A. Green “The forgotten oppression of Jews under Islam and in The Land of Israel. Part I” van van 14 augustus 2009 op de site van Middle East & Terrorism Blog

 

Een gedachte over “De vergeten onderdrukking van de Joden in Jeruzalem onder islamitische heerschappij

Reacties zijn gesloten.