De Joodse nakba: deportaties, slachtingen en gedwongen bekeringen – Deel 2: Reeksen van pogroms

♦ Vervolg van “De Joodse nakba: deportaties, slachtingen en gedwongen bekeringen – Deel 1: Prelude

Reeksen van pogroms

We zouden natuurlijk kunnen beginnen met het conflict tussen Mohammed en de Joden. Als onderdeel van de sociale hervormingen door Mohammed, die de Arabieren uit het tijdperk van de Jehalia hebben gehaald. Mohammed bouwde ook verder op het monotheistische concept, misschien wel in de eerste plaats vanwege de Joden. Veel motieven uit de joodse religie verschijnen in de Koran, zoals de besnijdenis en het verbod op het eten van varkensvlees. Maar Mohammed wilde de Joden bekeren, wat zij naturlijk weigerden. Het resultaat was een confrontatie die eindigde met de uitzetting en het afslachten van honderden Joden.

De Joden, als het “Volk van het Boek”, kregen het recht om te leven onder de bescherming van de Islam en hun godsdienst uit te oefenen. Van tijd tot tijd, van generatie op generatie, veranderden de voorwaarden. In veel gevallen leefden de Joden onder het Covenant van Kalief Omar. Dit convenant stelde hen in staat om te leven als beschermelingen (“dhimmies”), zij het met een lagere status. Maar dikwijls, onder moslimbestuur, mochten ze zelfs geen leven leiden in die lagere status.

De Gouden Eeuw: Een van de bewijzen van het vreedzaam samenleven tussen Joden en moslims is de Joodse welvaart onder de islamitische heerschappij in Spanje en de Gouden Eeuw. De werkelijkheid echter, was helemaal anders. Die omvatte een reeks van gewelddaden tegen de Joden. In 1011 in Còrdoba, Spanje, onder islamitische heerschappij, waren er pogroms waar volgens verschillende schattingen, honderden tot duizenden Joden werden vermoord. In 1066 in Granada, werd Yosef Hanagid geëxecuteerd samen met tussen de 4.000 en 6.000 andere Joden. Een van de allerergste periodes begon in 1148, toen de Almohaden-dynastie aan de macht kwam (al Muwahhidūn), en over Spanje en Noord-Afrika regeerde tijdens de 12de en 13de eeuw.

Marokko: Het land had te lijden onder de ergste reeks van bloedbaden. In de 8ste eeuw werden hele gemeenschappen uitgeroeid onder Idris de Eerste. In 1033, in de stad Fez, werden 6.000 Joden vermoord door een moslimmenigte. De opkomst van de Almohaden-dynastie veroorzaakte golven van massamoorden. Volgens getuigenissen uit die tijd, werden in Fez 100.000 Joden afgeslacht en in Marrakesh ongeveer 120.000 (deze getuigenis moet met de nodige voorzichtigheid worden genomen). In 1465 vond in Fez een ander bloedbad plaats, dat zich uitbreidde naar andere steden in Marokko.

Er waren pogroms in Tatuan in 1790 en 1792, waarbij kinderen werden vermoord, vrouwen verkracht en geplunderd. Tussen 1864 en 1880, was er een reeks pogroms tegen de Joden van Marrakech, waar honderden van hen werden gedood. In 1903 waren er pogroms in twee steden – Taza en Settat, waarbij meer dan 40 Joden werden vermoord. In 1907 was er een pogrom in Casablanca waarbij 30 Joden werden vermoord en vele vrouwen werden verkracht. In 1912 was er in Fez opnieuw een bloedbad waarin 60 Joden werden vermoord en ongeveer 10.000 dakloos werden. In 1948 begon een nieuwe reeks van pogroms tegen de Joden, die leidde tot een slachting van 42 onder hen in de steden Oujda en Jrada.

Algerije: Hier heeft een reeks bloedbaden plaatsgevonden in 1805, 1815 en 1830. De situatie van de Joden verbeterde aan het begin van de Franse verovering in 1830, maar dat kon ook anti-Joodse uitbarstingen in de jaren 1880 niet voorkomen. De situatie verslechterde met de opkomst van de Vichy-regering [tijdens WOII]. Zelfs vóór 1934, werd het land door nazi-invloeden doordrenkt, wat leidde tot het afslachten van 25 Joden in de stad Constantine. Bij de onafhankelijkheid in 1962, werden er wetten aangenomen die tegen het staatsburgerschap waren voor iedereen die geen moslim was en hun bezittingen werden ook effectief in beslag genomen. Het merendeel van de Joden verliet het land, meestal volledig berooid, samen met de Franse (“pieds noirs“).

Libië: In 1785 werden honderden Joden vermoord door Burza Pasha. Onder nazi-invloeden nam de intimidatie van de Joden zienderogen toe. Joodse bezittingen in Benghazi werden geplunderd, duizenden Joden werden naar werkkampen gestuurd en ongeveer 500 Joden werden vermoord. In 1945, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, werd een speciaal programma tegen de Joden gestart en steeg het aantal vermoorde Joden tot 140. De New York Times meldde vreselijke taferelen van babies en oude mensen die werden doodgeslagen. In de rellen die in 1948 uitbraken, waren de Joden beter voorbereid, daarom werden er slechts 14 gedood. Na de Zesdaagse Oorlog, braken rellen uit en werden weer 17 Joden afgeslacht. [Lees ook op deze blog: De ondergang en verdrijving van de Joden van Lybië]

Irak: Er vond een bloedbad plaats in Basra in 1776. De situatie van de Joden verbeterde onder de Britse overheersing in 1917, maar deze verbetering eindigde met de onafhankelijkheid van Irak in 1932. De Duitse invloeden stegen en bereikten een piek in 1941, in de pogrom bekend als Farhud, waarin 182 Joden werden afgeslacht (volgens historicus Elie Kedourie, werden er daadwerkelijk 600 mensen vermoord) en duizenden huizen geplunderd.

Dat waren de dagen van Haj Amin al Husseini, die geweld preekte tegen de Joden. Na de oprichting van de staat Israël, handelde het Irakese parlement volgens een wetsvoorstel uit 1950 van de Arabische Liga en bevroor de tegoeden van Joden. Sancties werden opgelegd aan degenen die achterbleven in Irak. Het Farhud bloedbad en de pesterijen van 1946 tot 1949 veranderde de situatie van de Irakese Joden in alle opzichten in bannelingen en vluchtelingen. De paar duizend die achterbleven in Irak leden onder de harde edicten. In 1967 werden 14 van hen ter dood veroordeeld op basis van valse beschuldigingen voor spionage. Onder hen waren 11 Joden. Radio Irak had de massa uitgenodigd om deel te nemen aan de festiviteiten rondom de opknoping.

Syrië: De eerste bloedwraak in een islamitisch land heeft zich voorgedaan in 1840 en leidde tot de ontvoering en tot het martelen van tientallen joodse kinderen soms tot de dood erop volgde en een pogrom tegen de Joden. In 1986 heeft de Syrische minister van Defensie, Mustafa Talas, een boek gepubliceerd, “De Matses van Sion”, waarin hij beweert dat de Joden inderdaad het bloed van een christelijke monnik gebruiken om matses [Paasbrood] te bakken. Hetzelfde oude antisemitisme in een nieuwe uitgave. Het boek is tot op vandaag nog steeds enorm populair en wordt in grote oplages verspreid.

Andere pogroms vonden plaats in Aleppo in 1850 en in 1875, in Damascus in 1848 en in 1890, in Beiroet in 1862 en in 1874, en in Dir al-Kamar was er nog een bloedwraak die in 1847 tot een nieuwe pogrom leidde. Dat jaar was er een pogrom tegen de Joden van Jeruzalem, die het gevolg was van die bloedwraak. In 1945 leden de Joden van Aleppo opnieuw onder hevige pogroms. 75 Joden werden vermoord en de gemeenschap werd vernietigd. Er was een heropleving van de pogrom in 1947, waardoor het merendeel van de Syrische Joden vluchtelingen werd. Degenen die daar gedurende vele jaren achterbleven, leefden als gijzelaars.

Iran: Er was een pogrom tegen de Joden van Mashhad in 1839. Een menigte werd opgehitst om Joden aan te vallen en 40 van hen werden bijna afgeslacht. De rest werd gedwongen zich te bekeren. Dat is hoe de Marranos van Mashhad zijn ontstaan. In 1910 was er een bloedwraak in Shiraz waarbij 30 Joden werden vermoord en alle Joodse huizen werden geplunderd.

Jemen: De betrekkingen schommelden tussen tolerantie en inferieure levensomstandigheden, tussen intimidatie en pogroms. De Brief van Rambam aan Jemen werd verzonden naar aanleiding van een brief die hij had ontvangen van de leider van de Jemenitische Joden, en beschreef edicten van gedwongen bekeringen van de Joden (1173). Er werd verder in vlagen van afvallige edicten uitgegeven die hier wegens gebrek aan ruimte niet gedetailleerd kunnen worden weergegeven.

Een van de droevigste hoogtepunten was het Mawza ballingschap. Drie jaar nadat Imam al-Mahdi in 1676 aan de macht was gekomen; verdreef hij de Joden naar een van de meest dorre wijken van Jemen. Volgens verschillende berekeningen, stierven 60 tot 75% van de Joden als gevolg van die ballingschap. Vele verschillende edicten werden opgelegd aan de Joden, het enige onderscheid daarin was de ernst van het edict. Een van de zwaarste was het zogeheten “Weeskinderen Edict”, waarin weeskinderen veroordeeld werden tot een gedwongen bekering tot de islam.

In het nabijgelegen Aden, dat onder Britse heerschappij stond, hebben in 1947 pogroms plaatsgevonden die het leven hebben gekost aan 82 Joden. 106 van de 170 winkels die eigendom waren van Joden werden volledig verwoest. Honderden huizen en alle gebouwen van de gemeenschap werden in brand gestoken en tot aan de grond platgebrand. [Lees ook op deze blog: Joden van Jemen in het geheim naar Israël gesmokkeld en Laatste Joden van Jemen leven in angst voor groeiende moslimhaat…]

Egypte: Net zoals in andere Arabische landen, leefden de Joden van Egypte honderden jaren onder minderwaardige levensomstandigheden. Een belangrijke verbetering is opgetreden toen Mohammed Ali in 1805 aan de macht kwam. De getuigenis van de Franse diplomaat, Edmond Combes, laat er niet de minste twijfel over bestaan: “Voor moslims verdient geen enkel ras meer veracht te worden dan het Joodse ras.” Een andere diplomaat voegde er nog aan toe: “De moslims haten geen enkele andere religie meer dan de manier waarop ze die van de Joden haten.”

Na de bloedwraak in Damascus, begonnen vergelijkbare wraakoefeningen zich te verspreiden doorheen Egypte en veroorzaakten zij een reeks aanslagen door opgehitste menigtes: in Caïro in 1844, 1890 en in 1901-1902; in Alexandrië in 1870, 1882 en in 1901 – 1907. Soortgelijke aanslagen kwamen ook voor in Port Said en in Damanhur.

Later vonden er aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945, rellen plaats tegen de Joden, waarbij 10 doden en honderden gewond raakten. In 1947 werd de Bedrijvenwet aangenomen, die Joodse bedrijven zwaar belaste en leidde tot de confiscatie van eigendommen. In 1948, na aanname van de Resolutie 181 van de Verenigde Naties (het Verdeelplan), werden nieuwe rellen aangestoken in Caïro en Alexandrië. Het aantal doden bedroeg tussen de 80 en 180.

Tienduizenden werden gedwongen te vertrekken, een groot aantal vluchtelingen moest afstand doen van hun eigendom. Het lot van degenen die bleven werd er niet beter op. In 1956 werd in Egypte een wet aangenomen die daadwerkelijk de Joden de burgerrechten ontnamen, hierdoor waren ze gedwongen het land te verlaten zonder eigendommen. Dit was een daad van pure uitzetting en een massale confiscatie van eigendommen.

Het bovenstaande is slechts een korte opsomming van een lange reeks van bloedbaden in moslimlanden. Dit gebeurde allemaal nog vóór de Zionistische verwezenlijkingen en het werd gewoon verder gezet tijdens de volgende Zionistische inspanningen. We hebben het over een opeenvolging van gebeurtenissen. Tienduizenden werden vermoord omdat ze Joods waren. Dus de fabel van vreedzaam samenleven en het Zionisme de schuld geven van het ondermijnen van die coëxistentie, is de zoveelste volkomen mythe die nergens op gebaseerd is.


Bronnen:

♦ naar een artikel van Ben-Dror Yemini “The Jewish Nakba: Expulsions, Massacres and Forced Conversions” van 15 mei 2009 op de site van Maariv / Mid East Truth