De ethnische zuivering van Jeruzalem in 1948 door de Arabieren – Deel 2: De Val van Jeruzalem

Hadassah “A” en Hadassah “B”
In het begin van mei 1948, waren Davis en de leden van de beheerraad van het Hadassah hospitaal erin geslaagd om redelijk goede faciliteiten in Jeruzalem op te zetten gekend als Hadassah “A” en twee blokken verder van de straat in het St. Joseph’s klooster, dat bekend werd als Hadassah “B” maar het onderkomen waren maar van weinig luxe voorzien. St. Joseph’s, dat afgehuurd werd op 29 april, was voordien een school waar 600 Arabische meisjes school liepen bij Franse nonnen.

Nadat het omgebouwde klooster werd geraakt door granaten (afbeelding hierboven), werd de bovenste verdieping ontruimd en werden de patiënten overgebracht naar de vochtige kelders waar er noch water noch elektriciteit was. De rekken waarin aardappelen werden opgeslagen werden schoongemaakt en als noodbedden ingericht. Verpleegkundigen knielden neer op de stenen vloer om verbanden te verschonen en artsen zaten op de vloer patiënten te onderzoeken.

Samen met Hadassah “A” en “B”, konden het Straus Health Center en de kliniek in de Hasolelstraat, ongeveer 300 ziekenbedden improviseren, bijna evenveel als dat de kliniek op de Scopusberg had. Haar heldhaftige vrijwilligerswerk maakte tijdelijk het verschil uit. Verpleegster Madeline Lewin-Epstein, die in 1918 met de American Zionist Medical Unit (AZMU) was toegekomen, veranderde haar grote appartement in een ziekenhuis met twintig bedden [!]. Onverschrokken trotseerde het sluipschuttersvuur en de onafgebroken regen mortiergranaten om gewonden op te halen in de straten en hen binnen haar huis te trekken.

Haar naar een kliniek omgeturnde ‘appartement’ werd aldus het eerste militaire ziekenhuis in Jeruzalem; veel van haar patiënten waren gewonde soldaten van Joodse ondergrondse milities die nergens anders heen konden gaan. Wat voor de vreemde situatie zorgde dat, terwijl Britse politie ambtenaren in de stoel van de tandheelkundige kliniek van haar populaire man – Sam Epstein-Lewin – zaten te wachten op een behandeling, in de woonkamer op slechts een paar meter afstand, de mannen werden verzorgd naar wie ze op jacht waren. Over een vrouw met stalen zenuwen gesproken, dit was er zo een!

De val van de Oude Stad en etnische zuivering
Op het hoogtepunt van de problemen in het Hadassah hospitaal, viel op 28 mei 1948 de Oude Stad van Jeruzalem in handen van de Arabieren. Het personeel had in het begin van de gevechten het ziekenhuis in het Joods Kwartier van de Oude Stad bemand, maar de positie van de Joden werd algauw hopeloos door de overweldigende aantallen Arabieren. Ze bleven vechten tot er maar weinig meer overbleven, uitgehongerd en te moe om nog verder te strijden. Avraham Laufer, een van de chirurgen die naar de Joodse wijk was gezonden, meldde dat de bovenste verdiepingen van het ziekenhuis waren beschoten en dat zeventig patiënten de matrassen en houten bankjes in een synagoge en in kelders moesten delen.

Laufer verteld van een jonge soldaat die een granaatscherf in het oog kreeg, maar weigerde om vijftien minuten te wachten om die scherf operatief te laten verwijderen omdat de situatie op zijn post hopeloos was geworden. “Een uur later brachten ze hem terug. Zijn knappe gezicht was weggeblazen door een granaat.” Ongeveer 1.300 vrouwen en kinderen werden geëvacueerd naar de Joodse kant van de stad, terwijl de mannen werden meegenomen naar een gevangenis kamp in de Jordaanse woestijn. Drie onder de krijgsgevangenen waren artsen van het Hadassah ziekenhuis: Egon Rys, Eli Peiser en Avraham Laufer. Twee weken later, terwijl Rys nog in het gevangenenkamp vastzat, werd zijn vrouw Hava, verpleegster uit het Hadassah, tijdens de laatste beschietingen van de stad kort voor een staakt-het-vuren werd bereikt.

De vluchtelingen van de Oude Stad werden ondergebracht in de verlaten huizen van de Katamon kwartier, een grote wijk van Arabische villa’s die door de Haganah waren veroverd tijdens bloedige gevechten. Hier werden de magere rantsoenen van Jeruzalem verdeeld door vrijwilligers, die zelf ook moesten overleven op een hongerdiëet. Onder leiding van Sara Bavli, hoofd van de voedingsafdeling van Hadassah, kregen deze 1300 en twintigduizend anderen elke dag karige maaltijden toebedeeld tijdens wat bekend stond als de “strijd van de calorieën.” Een van de vrijwilligers van Hadassah die zorgde voor de moeders en hun kinderen die gevlucht waren uit de Oude Stad, was Betty Levin. Ze kreeg het beheer over een verlaten 3-kamer appartement waarin elke hoek diende als een “thuis” voor tien vluchtelingen – 120 in totaal.

Betty herinnerde het zich allemaal nog alsof het gisteren was:

Zij hebben mij verteld dat aan het einde van de gevechten in de Oude Stad zij naar een synagoge waren gevlucht, waar ze samen in elkaar bleven gedoken totdat het Arabische Legioen hen gevonden had. Het Legioen dreef hen uit enkel gekleed in nachtjaponnen en pantoffels die ze op dat ogenblik droegen. Mijn taak was hen te voeden. In de ochtend kregen ze elk twee sneetjes brood en, voor de kinderen, vier theelepels jam. Op een dag, gooide een radeloze moeder het brood naar beneden en riep: ‘Mijn kinderen zijn smerig: hun hoofdjes zitten vol met luizen. Ik moet zeep hebben.’ Maar er was geen zeep.

Betty herinnerde zich dat vóór het beleg begon, dat haar afwezige hospita tien grote blokken waszeep had afgegrendeld in een kamer. Afgezien van de mortieren die om har heen explodeerden, liep ze terug naar haar appartement op een kilometer afstand lopen, brak de vergrendelde kamer binnen en nam de zeep terug mee naar Katamon. Daar heeft ze elk blok versneden in zestien vierkantjes. De luizen werden gesmoord en de vrede werd in het appartement weer hersteld.

Een staat is geboren
In de turbulentie van het beleg, was vrijdag de 14de mei van 1948 niets anders dan een zoveelste dag van honger en dood in Jeruzalem. Geen feesten op straat die de proclamatie markeerden die gedaan werd door David Ben-Goerion toen hij de onafhankelijkheid van Israël uitriep in het Museum van Tel Aviv. Vrijwel niemand wist ervan tot de volgende dag, voor de weinigen in Jeruzalem die elektriciteit hadden en het nieuws doorgaven van mond tot mond. Alleen op zondag 16 mei 1948 blokletterde The Palestine Post: STATE OF ISRAEL BORN.

De hoofdweg nar Tel Aviv was opnieuw afgezet door de Arabische legers. De dagelijkse rantsoenen werden verder gereduceerd tot stervensniveaus. De enige verbinding van de Heilige Stad met de buitenwereld was een eenmotorig vliegtuigje dat onder voortdurende beschietingen landde in de Vallei van het Kruis. Terwijl op het einde van die meimaand grote militaire vooruitgang werd geboekt in de rest van het land, leek Jeruzalem wel vervloekt te zijn. De laatste Britten hadden Jeruzalem verlaten op 14 mei, uitgezonderd dan voor de officieren die achterbleven om het Arabische Legioen van Abdoellah te commanderen.

De inwoners van de stad wisten dat deze officieren het bevel voerden doordat de dagelijkse beschietingen elke dag ophielden telkens om klokslag 16u00, om de Britten toe te laten van hun thee te genieten. Het was tijdens die uren – tea time! – dat de meeste Israëli’s naar buiten durfden te gaan om hun rantsoenen op te halen. De Scopusberg vormde werd niet van bombardementen gespaard. De gebouwen hadden ernstig te lijden maar er vielen relatief weinig slachtoffers omdat de ondergrondse tunnel tussen de school voor verpleegkundigen en het ziekenhuis diende als een perfecte schuilplaats.

Halfweg april, na een Britse poging om een staakt-het-vuren te bereiken die werd afgewezen door de Grootmoefti, hebben de consul-generaals van de Verenigde Staten, Frankrijk en België van Veiligheidsraad van de Verenigde Naties geprobeerd om in Jeruzalem een wapenstilstand te regelen. Tegelijkertijd, werkte de Amerikaanse Consul-Generaal Thomas Wasson, de meest sympathieke en effectieve diplomaat in de stad, om de gebouwen en structuren op de Scopusberg te beveiligen tegen aanvallen. Aan het eind van de maand werd hij door Arabieren onder vuur genomen in de buurt van zijn consulaat. Artsen van het Hadassah hospitaal zullen nog twaalf uren tevergeefs vechten om zijn leven te redden.

De Scopusberg onder bescherming van de Verenigde Naties
Onmiddellijk na de 15de mei, vestigden de Britten een deftig consulaat in Jeruzalem en benoemde tegelijk twee consuls om specifiek de Arabische en Israëlische zaken te behartigen. Consul John Guy Tempest Sheringham behartigde persoonlijk de kwestie van de Scopusberg en op 31 mei, na een telefoongesprek met Dr. Werner Senator, de beheerder van de Hebreeuwse Universiteit, adviseerde hij de Israëlische staat om de Scopusberg op te geven. Dr. Senator speelde een opname af na van dit gesprek:

Sheringham: “De beste manier om de Universiteit en de gebouwen van Hadassah te beschermen zou zijn om het aanbod van koning Abdullah te aanvaarden en hen onder de bescherming van het Arabische Legioen te plaatsen.”

Senator: “De beste manier lijkt mij te zijn om koning Abdullah te adviseren om de Universiteit en Hadassah niet met granaten te beschieten.”

Sheringham: “Uw militaire positie is niet erg duidelijk. U bent er niet in geslaagd om de Arabieren uit Jeruzalem te drijven.”

Senator: “De verantwoordelijkheid voor de acties van het Legioen tegen de Universiteit en Hadassah ligt bij de Britse regering.”

In Washington werden talloze smeekbeden uit alle mogelijke bronnen om de situatie op de Scopusberg te helpen verlichten. Het Staatsdepartement was nuttig in een opzicht: Staatssecretaris George Marshall stemde er mee in dat overeengekomen dat het kabelnetwerk van de National Board zouden worden doorverbonden via het consulaat in Jeruzalem naar Davis en Ethel Agron.

Op het einde werd een overeenkomst uitgewerkt waarbij de Verenigde Naties de controle van de Scopusberg zouden overnemen, owaarover zij de vlag zou voeren en waarnemers zou voorzien dat het gebied zouden moeten handhaven als een gedemilitariseerde zone. Vierentachtig Joodse politieagenten zou de installaties van het Hadassahcomplex moeten beschermen alsmede de Hebreeuwse Universiteit, terwijl 40 Arabieren de Arabische eigendommen op de Scopusberg zouden bewaken.

De Verenigde Naties beloofden dat zij de het vervoer en de aflossing van de Joodse politie zouden voorzien van reguliere tweewekelijkse konvooien doorheen de Arabische Sheikh Jarrah wijk. Hadassah en de universiteit werden geëvacueerd op 6 juli en de demilitarisatie werd beëindigd op 7 juli toen de eerste politie, Israëlische soldaten in politie-uniform, de berg opgingen en de wacht betrokken.


Bronnen:

♦ naar een artikelHadassah in the Ethnic Cleansing of Jerusalem – 1948” op de site van Zionism.com

♦ naar een artikel van Sidney Zabludoff “Jewish Refugees of 1948 – Jews flee West Bank after Jordan annexed the region in 1948 – Israel liberated the region in 1967 after being attacked by Jordan” op de site van Sullivan County

♦ naar een artikelThe Ethnic Cleansing of the Jews from Palestine, 1948: The Arab Plan” van 22 augustus 2007 op de site van Strategy.com

Een gedachte over “De ethnische zuivering van Jeruzalem in 1948 door de Arabieren – Deel 2: De Val van Jeruzalem

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.