De origine van het bloedsprookje: gruwelijke Jodenmassacre in Blois, Frankrijk in 1171

Op de 20ste dag van de Joodse maand Sivan houden de Joodse Ashkenazi-gemeenschappen een vastendag om twee belangrijke tragedies uit de Joodse geschiedenis te herinneren: De massacre in het Westen van 26 mei 1171 in Blois, Frankrijk en de bloedbaden in het Oosten die door de wrede Kozakkenleider Bogdan Chmielnicki in 1648/1649 onder de Joden werden aangericht in de Oekraïne.

Rituele moorden
Het verhaal van William uit Norwich wordt vaak aangehaald als de eerste bekende beschuldiging van een rituele moord door Joden gepleegd in Europa.

De Joden in Norwich, Engeland, werden in 1144 beschuldigd van rituele moord. De 12-jarige christelijke William, werd dood teruggevonden. Er werd beweerd dat de Joden de jongen hadden overmeesterd, gemarteld en gekruisigd. Al de Joden van de stad die niet tijdig uit de stad waren gevlucht werden vermoord.

Honderdenelf jaar later dook andermaal een vermeende Joodse rituele moord op in Engeland toen Joden in 1255 een bruiloft in Lincoln bijwoonden. Een christelijke jongen, de 9-jarige Hugh uit Lincoln werd gevonden in een beerput waar hij blijkbaar in was gevallen. Nadat Joden gezwicht door marteling de moord ‘bekenden’ werden 19 Joden veroordeeld en opgehangen.

Al snel beschuldigden de antisemieten van Engeland alle Engelse Joden van deelname aan rituele moorden. De verhalen van deze rituele moorden en de daaropvolgende bloedbaden die nog wat werden aangedikt, zullen zich algauw uitbreiden naar het vasteland in heel Europa.

Het bloedsprookje van Blois
Op 26 mei 1171, de 20ste dag van Sivan, werd de Joodse gemeenschap van Blois, Frankrijk, afgeslacht nadat ze werd beschuldigd van de rituele moord op een christelijk kind. Onder alle omstandigheden zou de massa-executie in Blois schokkend zijn geweest. Maar het is vooral gruwelijk gezien het feit dat er geen bewijs was dat er een misdrijf was gepleegd en er geen meldingen waren van een vermist christelijk kind.

De aflevering begon op 25 maart 1171, drie dagen vóór Paaszondag, toen een christelijke dienaar botste op een Joodse man, Isaac ben Eliezer, aan de oever van de rivier de Loire in de buurt van Blois, een klein stadje in Noord-centraal Frankrijk. Isaac droeg gelooide dierenhuiden die hij in Blois had gekocht.

Een van de vellen viel in het water waardoor het paard van de dienaar moest schrikken en blijkbaar ook zijn ruiter, die naar huis terugkeerde en zijn werkgever vertelde “dat hij een Jood had gezien die het lichaam van een kind in de rivier gooide.”

Pulcelina
De beschuldiging viel op oren die klaar waren om het ergste van “de Joden” te geloven. Ten eerste waren er de gebeurtenissen in Norwich, Engeland die werden gevolgd door andere aanklachten wegens bloedlaster, bekend bij de mensen van de Loire-vallei.

Bovendien was bekend dat de plaatselijke heerser, graaf Theobald V aka Thibaut le Bon (1130-1191), een buitenechtelijke relatie had met een ​​Joodse vrouw uit Blois die Pulcelina (ook Pucellina) heette (plaatje rechts).

Zowel de vrouw van Theobald V, Alix de France die een dochter was van de Franse koning Louis VII (aka Louis le Jeune), alsook de christelijke edelen van de stad hadden een bloedhekel aan Pulcelina voor haar grip op de graaf en wisten blijkbaar niet dat zijn enthousiasme voor zijn Joodse minnares intussen reeds bekoeld was.

Graaf Theobald V beval dat alle Joden van Blois werden gearresteerd, maar, in de wetenschap dat er een soort van bewijs nodig was, beval hij dat de getuige een proef moest afleggen voor het proces. Hij werd in de rivier geplaatst, in een boot die vervolgens met water werd gevuld. Toen de boot niet wegzonk, werd het opgevat als een teken dat hij de waarheid sprak.

Pogingen werden ondernomen om de Joden te bevrijden door het betalen van een losgeld, maar de onderhandelingen verliepen niet goed en op 26 mei 1171 werden de 31 Joden van Blois (of mogelijk zelfs 33) opgesloten in een huis, inclusief de onfortuinlijke Pulcelina en haar twee dochters, dat toen opzettelijk in brand werd gestokken en platgebrand.

Verschillende kinderen werden gespaard op voorwaarde dat ze zich bekeerden tot het christendom en een aantal volwassen Joden kregen i.p.v. gevangenisstraffen in ruil voor bekering. Terwijl ze levend verbrandden kon men horen hoe de stervende Joden het ‘Aleinu‘-gebed zongen:

Nasleep
In een fascinerend artikel gepubliceerd in de Proceedings van de American Academy for Jewish Research in 1968, geeft historicus Robert Chazan een beknopt overzicht van de grote hoeveelheid hedendaagse getuigenissen over het Blois-incident en de nasleep daarvan. Hij wijst erop als een vroeg en indrukwekkend voorbeeld van intercommunale Joodse samenwerking.

Toegegeven, pogingen om de uitvoering te voorkomen waren niet succesvol. Maar in de nasleep coördineerden andere joodse gemeenschappen in Noord-Frankrijk de inspanningen om de lichamen van de slachtoffers terug te halen voor begrafenis en te betalen voor de vrijlating van het kleine aantal joden dat gevangen zat.

Verder omvatten de gezamenlijke inspanningen van de gemeenschappen een beroep op autoriteiten die een andere dergelijke wreedheid konden voorkomen. Deze omvatten een ontmoeting met koning Louis VII en een andere met de graaf van Champagne, die toevallig ook de broer van graaf Theobald was.

Zowel de koning als de graaf verklaarden dat ze de verhalen over Joden die christelijke kinderen offeren niet geloofden. Koning Louis gaf ook instructies voor de bescherming van zijn Joodse onderdanen tegen dergelijk misbruik in de toekomst. De diplomatieke inspanningen, waaronder ook de verspreiding van brieven aan Joodse gemeenschappen in Noord-Europa, werden grotendeels gecontroleerd door rabbijn Jacob Tam van Troyes.

Tam stierf kort daarna, maar vóór zijn dood verklaarde hij de 20ste dag van Sivan, de Hebreeuwse datum waarop het bloedbad plaatsvond, waargenomen als een vastendag, naast andere herdenkingsrituelen. De 20ste Sivan wordt nog steeds in achet genomen in sommige Joodse gemeenschappen, voornamelijk in Europa.

Plaatje hierboven: Omslag van de antisemitische periodiek Der Stürmer nr. 20 van mei 1939 van  Julius Streicher, getiteld Ritualmord, waarin de beschuldigingen van vermeende rituele moorden door Joden in het Duitse Regensburg anno 1476, weer worden opgevist.


Bronnen:

♦ naar een artikel van David B. Green “This Day in Jewish History 1171: The Town of Blois Kills Its Jews” van 26 mei 2015 op de site van Haaretz

♦ naar een artikel van Rabbi Yirmiyohu Kaganoff “The Twentieth of Sivan – What is the halachic basis for mourning on the 20th day of Sivan and why do we no longer observe it” op de site van

♦ naar een artikelAccusation de meurtre rituel contre les Juifs” op de site van Wikipédia – L’encyclopédie libre

♦ naar een artikelPULCELINA OF BLOIS, 12th-century female moneylender to the court of Blois‘ op de site van The Jewish Virtual Library (JVL)

♦ een artikel op deze blogHet Bloedsprookje: Waarom antisemitisme altijd toeneemt rond Pasen” van 22 april 2019 en een artikelKozakkenleider Bogdan Chmielnicki slacht in 1648/49 tienduizenden Joden af in de Oekraïne” van 21 september 2018

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.