Expositie van prachtige Joodse juwelen uit Colmar tijdens de Middeleeuwse Pest epidemie

Plaatje hierboven: Links een gouden munt uit de regeerperiode van Lodewijk I van Hongarije, 1342-53; Rechts een zilveren broche met juwelen, tweede kwart van de 14de eeuw, beide afkomstig uit de Colmar Treasure (Musée de Cluny – Musée national du Moyen Âge, RMN-Grand Palais / Art Resource, NY via Metropolitan Museum of Art)

Restanten van de verwoeste Joodse gemeenschap in Colmar, Frankrijk, zijn onthuld in het Metropolitan Museum of art in NYC. Er zijn weinig overblijfselen van de ooit bloeiende Joodse gemeenschap van de stad Colmar, in de Elzas van Frankrijk.

Joden kregen de schuld voor het uitbreken van de Pest epidemie, aka de Zwarte Dood aldaar in 1348-49, en velen werden verbrand. Een Romeinse keizer die vervolgens het gebied controleerde, stal later hun bezittingen.

Maar een paar sieraden die getuigen van het Joodse leven in de stad, overleefden op wonderbaarlijke wijze nadat ze in de 14de eeuw verborgen waren geweest in de muren van een huis en daar meer dan 500 jaar waren opgeborgen thans gekend als de Colmar Treasure.

Plaatje hieronder: De schat werd in 1863 ontdekt in de muur van een huis in de Middeleeuwse Jodenstraat, fr. Rue des Juifs, in Colmar, Elzas:

Er wordt aangenomen dat sommige items door de ontdekkers werden verkocht voordat de volledige omvang van de schat kon worden opgenomen. De overgebleven schatten bevinden zich voor het grootste deel in de collectie van het Musée de Cluny.

De schat aan prachtige Joodse juwelen werd pas in 1999 openbaar tentoongesteld in Colmar en behoren allemaal tot een onbekende familie. Sommige zijn nog tot 12 januari 2020 te zien in het Met Cloisters museum, een onderdeel van het Metropolitan Museum of Art in New York.

Als onderdeel van de tentoonstelling worden de items weergegeven naast gerelateerde artefacten uit de Cloisters-collectie, het Jewish Theological Seminary en de openbare bibliotheek van Colmar.

Hieronder enkele van de items die worden getoon in het Met Cloisters Museum die meer dan een verhaal uit de Joodse geschiedenis vertellen:

Plaatje hierboven: Een Joodse ceremoniële trouwring, met daarin de inscriptie ‘mazel tov’ gegraveerd, gemaakt van goud en email, van de Colmar Treasure, circa 1300-1347 (Musée de Cluny – Musée national du Moyen Âge, RMN-Grand Palais / Art Resource, NY via Metropolitan Museum of Art)

Daarnaast ook een zilveren sleutel uit de eerste helft van de 14de eeuw en een gouden ring met ster en maan uit de late 13de of begin 14de eeuw afkomstig uit de Colmar Treasure. (Musée de Cluny – Musée national du Moyen Âge, RMN-Grand Palais/Art Resource, NY via Metropolitan Museum of Art)

Plaatje hierboven: Een saffier in een gouden ring gezet uit het tweede kwart van de 14de eeuw, uit de Colmar Treasure. (Musée de Cluny – Musée national du Moyen Âge, RMN-Grand Palais / Art Resource, NY via Metropolitan Museum of Art)

De Joden van Colmar
Colmar, was tot 1681 een stad in Duitsland in de Elzas (fr. L’ Alsace), maar viel daarna in Franse handen en werd aldus de hoofdstad van het departement Haut-Rhin in Frankrijk. Joden vestigden zich waarschijnlijk reeds in het midden van de 13de eeuw in Colmar. Een document uit 1278 bewijst dat Joden er toen reeds woonden.

Colmar kent een lange geschiedenis van Jodenhaat en antisemitisme. Een eerste absoluut dieptepunt was in de 14de eeuw toen de Joden de schuld kregen voor het uitbreken van de Pest in Colmar in 1348-49, gekend als de Zwarte Dood, en vele Joden werden publieklijk op grote brandstapels levend verbrand.

Het zal nog verschillende eeuwen duren vooraleer wetenschappers de oorzaak van deze pestepidemie kunnen vaststellen die aan zowat eenderde van de Europeanen het leven kosttte. De ziekte werd veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis en door vlooien via zwarte ratten verspreid. In die tijd gold de Rooms-Katholieke doctrine dat de Joden de waterbronnen hadden vergiftigd en aldus de Pest hadden veroorzaakt.

De houding van de burgers tegenover de Joden bleef ongewijzigd, zelfs nadat Colmar in 1681 formeel bij Frankrijk was gevoegd. Vanaf de 18de eeuw mochten enkele Joden in huizen en herbergen in de stad wonen om ritueel voedsel voor Joden te bereiden en Colmar bezoeken om er handel te drijven.

Al in 1754 werd de Jood Mirtzel Lévi van de naburige stad Wittelsheim na een inquisitionele rechtszaak gemarteld. Na het uitbreken van de Franse revolutie in 1789 mochten Joden zich weer in Colmar vestigen. In 1808 werd het de zetel van een Joods Consistorie, met 25 afhankelijke gemeenschappen. In 1823 werd Colmar ook de zetel van het belangrijkste rabbinaat van de Elzas (Haut-Rhin). Op haar hoogtepunt, in 1870, telde de Joodse gemeenschap van de Elzas 35.000 mensen. In 1929 bleven er nog zo’n 1200 mensen over van de Joodse gemeenschap in Colmar.

Tijdens de Holocaust deelden de Joden in Colmar hetzelfde lot als de andere Joden in de Elzas en de Moezel in de Tweede Wereldoorlog. Ze werden uit hun huizen verdreven en hun synagoge, die werd gebouwd in 1843, werd volledig geplunderd. Na de oorlog hebben de overlevenden de Joodse gemeenschap herbouwd, de synagoge hersteld en nieuwe instellingen opgericht, waaronder een gemeenschapscentrum. In 1969 waren er opnieuw meer dan 1.000 Joden in Colmar en ruim 50.000 Joden in het hele gebied van de Elzas.

Na de Algerijnse oorlog, beginnend in 1962, arriveerden Sefardische Joden in de Elzas vanuit Noord-Afrika. In het jaar 2000 waren ongeveer 4.000 Joden in Straatsburg Sefardisch, wat iets meer dan 25% van de totale Joodse bevolking uitmaakt. In het jaar 2001 was ongeveer 25% van de 500 Joodse families van Mulhouse Sefardisch.

Plaatje hierboven: Waterspuwer (fr. gargouille) aan de gevel van de Collegiale kerk van Saint-Martin te Colmar. Veel waterspuwers staan ​​langs de kroonlijst van deze kerk uit de 13de eeuw. Dit exemplaar toont een varken dat wordt berijd door een Jood, herkenbaar aan zijn typische spitse hoed die Joden moesten dragen om als dusdanig herkenbaar te zijn. Vergelijk bv. met het verplicht dragen van de gele Davidster tijdens het Derde Rijk.

Varkens met Joden rijdend op een zeug of een varken dat Joden zoogt, was een erg populaire beeldspraak tijdens de Middeleeuwen, waar de kerk de voorkeur gaf aan religieus anti-Jodendom. Wat toen heel gebruikelijk in het Heilige Roomse Rijk, maar eerder zeldzaam was in de Elzas, behalve in Colmar.

Vanaf het einde van de twaalfde eeuw presenteert de christelijke renaissancekunst geassimileerde Joden als medeplichtigen van de Duivel, die de hel bewoont en die wellustige en dierlijke manieren hebben [beeldbron: Guy Lerdung: Colmar, les gargouilles de la collégiale St Martin]

Kaartje van de Elzas (Alsace)
met de belangrijkste steden


Bronnen:

♦ naar een artikel van Josefin Dolsten “6 stunning finds from the Met’s exhibit on medieval Jewish treasure” van 25 juli 2019 op de site van The Jewish Telegraphic Agency (JTA)

♦ naar een artikel van X. Mossman “l’Histoire des Juifs à Colmar” uit 1866 uit het Archief van de Stad Colmar