Déjà Vu in NL: Strijd tegen opkomend antisemitisme 1934-1939 een maat voor niets

Aus der Geschichte der Völker können wir lernen, das die Völker aus der Geschichte nichts gelernt haben.
[Georg Hegel 1770-1831]

Om Joodse burgers te beschermen stelde de Nederlandse overheid vanaf 1934 groepsbelediging strafbaar. In de praktijk wisten veel antisemieten de wet handig te omzeilen: ze meden scheldkanonnades en beperkten zich tot insinuaties.

In 1933 nam de Nederlandse minister van Justitie Josef van Schaik (1882-1962) het initiatief om een aantal bepalingen in het Wetboek van Stafrecht te herzien. De bewindsman wilde daarmee opruiing en openlijke belediging van het openbaar gezag en bevolkingsgroepen tegengaan. Dit verbod op groepsbelediging was een reactie op turbulente gebeurtenissen over de oostgrens.

‘Groepsbelediging’
Nadat Adolf Hitler begin 1933 aan de macht was gekomen, nam de Nederlandse overheid in snel tempo maatregelen tegen het opkomende fascisme. Zij wilde hiermee de democratische rechtstaat en de openbare orde beschermen. Zo mochten beroepsmilitairen en ambtenaren geen lid meer zijn van fascistische en nationaal-socialistische organisaties.

Strafbaarstelling van groepsbelediging was bedoeld om “onze Israëlitische mede-burgers” te beschermen, benadrukte Van Schaik tegenover de Vaste Kamercommissie voor privaat-en strafrecht, de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Met het oog op “de ervaringen in het buitenland” was het noodzakelijk de “excessen van het antisemitisme” te bestrijden. De bewindsman wilde in het nieuwe artikel over groepsbelediging in het Wetboek van Strafrecht (137c) geen afzonderlijke “Jodenbepaling” opnemen, omdat in de toekomst ook andere groepen het onderwerp konden worden van “een gruwelijke Hetze en campagne”.

De Kamercommissie en verscheidene volksvertegenwoordigers uitten scherpe kritiek op het wetsvoorstel. Wat moest er precies worden verstaan onder ‘opruiing’ , ‘belediging’ en ‘groep’? Hiervoor bestonden immers geen objectieve maatstaven. Linkse partijen vreesden dat de maatregelen zich vooral tegen hen zouden keren. In de Tweede Kamer merkte SDAP’ er Albert van der Heide fijntjes op “dat de subjectieve opvatting van de rechterlijke macht of van het Openbaar Ministerie ons hier parten zal spelen”.

Als het wetsvoorstel alleen ‘de invectieven tegen Joden’ strafbaar stelde, had hij graag voor gestemd. Communist Lou de Visser sprak zelfs van ‘fasciseering van den burgerlijken staat’. Ondanks de tegenstemmen van hoofdzakelijk linkse partijen werd het wetsvoorstel in beide Kamers met een ruime meerderheid aangenomen. Op 16 augustus 1934 trad de nieuwe wet in werking.

Gegronde scepsis
Op grond van bepaling 137c kon strafvervolging alleen plaatsvinden wanneer een uitlating over een groep in “beleedigenden vorm” was gedaan. In de praktijk leidde dit niet alleen tot rechtszaken wegens belediging van Joden, maar ook van vrijmetselaars, geestelijken en zelfs nationaal-socialisten.

Zo stond in januari 1936 de voorzitter van het RoomsKatholieke Werklieden Verbond Adrianus de Bruijn voor de rechter, omdat hij NSB’ers had uitgemaakt voor dictatuuraanhangers die “door rijkaards (groote werkgevers) gesteund worden, om de vakbeweging (de arbeiders) te bestrijden” en die “waar zij de kans hebben, kerk en priesters onder hun lompe voeten vertreden” en zelfs “voor moord en doodslag niet terugdeinzen”. Dit was “taal, die in achterbuurten thuis hoort”, oordeelde de officier van justitie. De Bruijn erkende dat hij te ver was gegaan. Hij werd veroordeeld tot een boete van 100 gulden.

De scepsis van critici ten aanzien van de vaagheid van artikel 137c bleek gegrond. Juist strafrechtelijke vervolging van antisemitisme op grond van groepsbelediging, waar het Van Schaik om te doen was geweest, bleek in de praktijk dikwijls moeilijk. Dit was bijvoorbeeld het geval bij demagogische leugens over het Joodsegeloof.

De Nederlandsche Nationaal-Socialist beweerde in november 1934 dat “moord op christenen behoorde tot de gebruiken van het Jodendom, zoals voorgeschreven in het kabbalistische boek Zohar.” Op vragen van de sociaal-democratische senator Henri Polak verduidelijkte Van Schaik dat hier geen sprake was van groepsbelediging. Het Nieuw Israëlietisch Weekblad was het eens met de bewindsman: “De Joodsche godsdienst, het Joodsche boek Zohar zijn beleedigd, doch daarin heeft de wet niet voorzien.”

‘Joodsche wereldmacht’
Ook vervolging wegens uitdrukkingen als “joodsche wereldmacht” en “internationaal Jodendom” was problematisch. Hoewel de antisemitische strekking onmiskenbaar was, viel juridisch niet zo eenvoudig te bewijzen dat zij in hun vorm beledigend waren. Misschien dat het Openbaar Ministerie daarom niet altijd een even grote ijver aan de dag legde.

Politieke druk kon helpen. Op aandrang van verscheidene Eerste Kamerleden stelde Van Schaik begin 1937 een gerechtelijk vooronderzoek in naar een publicatie van NSB’ er Arie van der Oord. Onder het pseudoniem Redemptor publiceerde hij in het najaar van 1936 bij zijn eigen uitgeverij De Batavier de brochure Geheime Machten. Hoewel ook de vrijmetselarij het moest ontgelden, richtte de auteur zijn giftige pijlen vooral op Joden. Van der Oord meende dat de ‘joodsche wereldmacht’ met zijn ‘volken-splijtende, demoraliseerende en anti-christelijke ideeën’ andere volkeren onderwierp met het doel hen uit te zuigen.

De antisemitische complotdenker ontwaarde overal Joden op invloedrijke posities in het pers- en het bankwezen en het openbaar bestuur. Ons trotse Germaanse volk werd bedreigd door het aanstaande “joodsch-marxistische bloedfeest”. Strijd tegen de Joden was geboden voordat Nederlanders tot slaven zouden worden gemaakt van deze “internationale misdadigerskliek”.

‘Niet noodeloos kwetsend’
Het resultaat van het gerechtelijk vooronderzoek was dat de officier van justitie een strafzaak aanspande tegen Van der Oord als uitgever. De NSB’ er had namelijk met succes weten te verhullen dat hij ook de auteur was. Hij stond daardoor alleen terecht voor verspreiding van materiaal betreffende groepsbelediging (artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht). Als beledigende uitlatingen waren onder meer aangemerkt dat Joden “een vreeselijke en misdadige rol” speelden, zich schuldig maakten aan ‘schandelijken woeker’, hun enige doel geld was en ‘de menschenvijand die in den Jood steekt’. Van der Oord verklaarde dat de brochure moest worden beschouwd als een Weckruf Hij vond de gebezigde uitdrukkingen ‘niet noodeloos kwetsend’.

De Haagse rechtbank achtte het ten laste gelegde ‘niet wettig en overtuigend bewezen’ en sprak hem in juni 1937 vrij. Uitgeverij De Batavier adverteerde in NSB-bladen onbekommerd verder voor Geheime Machten. ‘Lange winteravonden … lezen maakt u weerbaar!’ luidde de opwekkende reclameslogan. De officier van justitie ging met succes in beroep. De president van het Haagse Gerechtshof veroordeelde op 12 januari 1938 Van der Oord alsnog tot 100 gulden boete of vijftig dagen hechtenis. De rechter sprak van ‘schandelijke taal’ , terwijl bovendien elk bewijs voor de geuite beschuldigingen ontbrak.

Vluchtelingen
Het anti-Joodse geweld na de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland op 13 maart 1938 en tijdens de Reichskristallnacht van 9 op 10 november 1938 veroorzaakte een enorme vluchtelingenstroom. Geïmproviseerde vluchtelingenkampen voorzagen in de opvang van de ontheemde Joden. Door deze gebeurtenissen raakte het debat over de werking van artikel 137c gepolariseerd.

Zo werd senator Henri Polak, die in Het Volk had geschreven dat het fascisme een heel volk tot moordenaars maakte, veroordeeld tot een boete van 25 gulden. En redacteur van de NSB-krant Het Nationale Dagblad Evert Jan Roskam moest zich tegenover de rechtbank verdedigen voor een ingezonden brief, geplaatst in het nummer van 15 oktober. Naar aanleiding van de moord op het 14-jarige meisje Greta Groen en de profielschets van de dader (een persoon met ‘zwart krulhaar’) klaagde ‘een bezorgde moeder’ dat het altijd Joden waren die zich schuldig maakten aan dergelijke misdaden. Het kwam Roskam te staan op een boete van 200 gulden – 600 gulden minder dan was geëist.

Maar op grond van de bestaande wetgeving kon de stortvloed aan felle antisemitische uitlatingen niet worden beteugeld. Veel antisemieten waren goed bekend met de begrenzingen van artikel 137c. Scheldkanonnades werden vermeden, maar insinuaties waren aan de orde van de dag. Deze situatie leidde tot veel frustratie binnen Joodse kringen en daarbuiten.

De liberaal Gerard Boon, een fervent NSB-bestrijder, nam in november 1938 het initiatief voor een petitie aan minister van Justitie Carel Goseling. Boon drong aan op een hardere” aanpak van “de goorste antisemietische lectuur”, zoals Volk en Vaderland, Het Nationale¬ Dagblad, De Nederlandsche Nationaal-Socialist, Zwart Front en De Misthoorn. Hij vergeleek het antisemitisme met een voortwoekerende epidemie die bedwongen moest worden. De petitie, waarin gepleit werd voor uitbreiding van artikel 137c, werd gesteund door 1500 prominenten uit de Nederlandse samenleving.

Cynisch antisemitisch grapje uit 1938 in NL: treinticket ‘naar Jerusalem en nooit meer terug‘. Het eerste Jodentransport naar Westerbork was op 31 juli 1942 en vanaf oktober ’42 ging het rechtstreeks naar de vernietigingskampen, Sobibor, Treblinka, Auschwitz e.a..

Goseling bleek gevoelig voor deze oproep. Zelf had hij tegenover het parlement herhaaldelijk zijn ergernis laten blijken over de beperkte reikwijdte van artikel 137c.

Het kon toch niet zo zijn dat uitdrukkingen zoals “Joden in het land, welvaart aan de kant” en “De wurgende klauw van het internationale Joodsche bolsjewisme grijpt naar onze vrouwen” onbestraft bleven.

In het artikel ‘Twee werelden botsen’ in Volk en Vaderland kon Mussert vrijelijk schrijven dat Joden aanstuurden op een nieuwe wereldoorlog. Pas toen in een later nummer werd gerept over de “het Internationale Jodendom, dat zijn eeuwige rol van parasiet op den arbeid” vervulde, ging het Openbaar Ministerie over tot vervolging. De nogal gekunstelde verdediging van NSB-jurist Anton van Vessem dat het woord “parasiet” in vorm en inhoud niet beledigend was mocht niet baten. De rechtbank veroordeelde Volk en Vaderland-redacteur Maarten Meuldijk tot een boete van 25 gulden.

door Edwin Klijn en Robin Te Slaa

Ariërverklaring in Nederland (1940)


Bronnen:

♦ naar een artikel van Edwin Klijn en Robin Te Slaa “Verbod op haatspraak tegen antisemitische excessen” in het februari nummer 2 van 2019 van het Historisch Nieuwsblad

3 gedachtes over “Déjà Vu in NL: Strijd tegen opkomend antisemitisme 1934-1939 een maat voor niets

  1. Hoe het verleden het heden heeft ingehaald.

    Dezelfde scheldkannonades, wegkijk taktiek, loze woorden en overheids bias………allemaal leidend naar dezelfde uitkomst.

    Het grote verschil is dat Joden vandaag een eigen land hebben.

    “Uit de geschiedenis der volkeren leren wij dat de volkeren niets geleerd hebben uit de geschiedenis”.

    Die meneer George Hegel (1770-1831) was een wijs man.

    Like

Reacties zijn gesloten.