Hebron, 25 jaar geleden: Baruch Goldstein en de massacre in de Tombe van de Patriarchen

Op de ochtend van Poerim, 25 februari 1994, liep de 37-jarige Baruch Goldstein de gebedshal van de moslims binnen bij het Graf van de Aartsvaders in Hebron, ook wel Ibrahimi Moskee genoemd door de Palestijnen.

Als voormalig majoor in de IDF, droeg Goldstein zijn IDF-reservistenuniform en droeg een Glilon aanvalsgeweer en 140 kogels. Hij opende vervolgens het vuur op de verzamelde menigte, doodde 29 mensen en verwondde 125 anderen, totdat hij werd overweldigd en doodgeslagen door de overlevenden.

Baruch Goldstein
Goldstein werd in 1956 in Brooklyn, New York, geboren in een orthodox gezin. Hij studeerde aan Yeshiva of Flatbush, Yeshiva University, en aan het Albert Einstein College of Medicine, waar hij een opleiding tot arts volgde. Hij was lid van de Jewish Defence League, een extremistische Joodse organisatie die voorstander was van het gebruik van geweld tegen antisemitisme en een leerling van zijn leider, Meir Kahane (1932-1990).

Na immigratie naar Israël, diende Goldstein als een dokter in het Israëlische leger. Hij vestigde zich in Kiryat Arba nabij Hebron, een Joodse gemeente gesticht in 1968 van zowat 7.350 mensen, en bleef werken als een noodarts. In Israël was Goldstein een actief lid van de Kach-partij van Meir Kahane (Kahane emigreerde in 1971 naar Israël), een beweging die vanwege zijn racistische, antidemocratische platform verbannen werd van het deelnemen aan de Israëlische verkiezingen.

Na het bloedbad meldde de pers dat de anti-Arabische opvattingen van Goldstein ertoe hadden geleid dat hij weigerde om niet-Joodse patiënten te behandelen tijdens hun dienst in Libanon in de vroege jaren tachtig – in directe inbreuk op bevelen – en later als een burgerarts in Hebron. Ondanks dit ontving Goldstein in 1993 twee citaten van het Israëlische leger als erkenning voor zijn medische werk, en in januari 1994 werd hij aanbevolen voor promotie van de rang van kapitein tot majoor.

Het bloedbad: Feiten en fictie
De gebeurtenissen van 25 februari zijn niet minder controversieel dan het karakter van Goldstein. Verschillende versies van de gebeurtenissen van de ochtend circuleerden in de Israëlische pers op basis van ooggetuigenverslagen:

  • Goldstein werd opgeroepen voor reservisten op de ochtend van het bloedbad en naar het graf van de aartsvaders gereden in de leger-jeep van zijn commandant;
  • hij werd geholpen de Tombe binnen te gaan via een afgesloten zij ingang;
  • het schieten werd voorafgegaan door de ontploffing van minstens twee granaten;
  • interviews met de overlevenden en een ballistisch IDF-rapport wezen op de aanwezigheid van een tweede schutter;
  • overlevenden meldden dat ze bij het ontsnappen van het graf werden beschoten vanaf een nabijgelegen uitkijkpost.

De Shamgar Commissie van Onderzoek, benoemd door de Israëlische regering in de nasleep van het bloedbad en geleid door de voorzitter van het Hooggerechtshof, concludeerde dat Goldstein alleen handelde bij het plannen van het bloedbad en niemand van zijn plan vertelde. De soldaten die het Graf van de Patriarchen bewaakten, kenden Goldstein; wijzend op zijn militaire uniform en in de veronderstelling dat hij in reserve was, lieten ze hem toe het moslimgebed te betreden, ook al was hij bewapend.

De commissie verklaarde dat de Israëlische veiligheidsdiensten het bloedbad niet konden voorkomen als gevolg van slechte coördinatie tussen de IDF, de politie en het burgerlijk bestuur van Hebron, onderbezetting op de locatie en defecte beveiligingsapparatuur (metaaldetectoren en gesloten tv-circuit), en niet het resultaat waren van een vermeende samenzwering.

Bovendien waren er geen waarschuwingen voor een aanval op moslims ontvangen door de Israëlische inlichtingendienst; in feite waren de veiligheidsdiensten zeer alert na waarschuwingen voor een geplande aanval door Hamas op de Joden van Hebron. De Commissie heeft geen bewijs gevonden van een tweede schutter, granaatgebruik of samenwerking door IDF-soldaten en heeft rapporten met dit doel als onbetrouwbaar afgewezen.

Nasleep
In de nasleep van het bloedbad veroordeelden de Israëlische regering en de Opperrabbijnen Goldstein’s acties onvoorwaardelijk. Toenmalig premier van Israël Yitzhak Rabin zei er in de Knesset dit over: “We zeggen tegen deze vreselijke man en degenen die zijn zoals hij: u bent een schande voor het Zionisme en een schande voor het Jodendom.”

Yitzhak Rabin zal het daaropvolgende jaar, op 4 november 1995, worden doodgeschoten door een andere Joodse extremist Yigal Amir, omwille van het aandeel van Rabin in het ondertekenen van de Oslo Akkoorden van 1993, waarin de PLO werd erkend als de wettige vertegenwoordiger van de Palestijnen en de Palestijnen daarenboven beperkte autonomie verkregen in Gaza en in Judea & Samaria, aka de Wild West Bank.

Het kabinet besloot destijds om de slachtoffers van Goldstein schadeloos te stellen en een reeks maatregelen uit te voeren om extremistische elementen onder de Joodse bevolking van de Westelijke Jordaanoever te neutraliseren: administratieve hechtenis tegen personen die geacht worden een bedreiging te vormen voor de openbare veiligheid, ontwapening van personen die verdacht worden van het gebruik hun wapens voor andere doeleinden dan zelfverdediging, en het verbieden van de twee extremistische organisaties, Kach en Kahane Chai.

In Hebron zelf heeft de regering een beleid aangenomen van juridische en geografische scheiding tussen de 450 mensen van de locale Joodse gemeenschap enerzijds en de 120.000 Palestijnse inwoners van de stad anderzijds. Dit beleid omvatte de oprichting van controleposten in de stad (een situatie die verschilt van die van een andere stad op de Westelijke Jordaanoever) en uitgaansverboden gericht op de Palestijnse bevolking.

De begrafenis van Baruch Goldstein in Jeruzalem, daarentegen, werd bijgewoond door meer dan 1000 mensen. Goldstein werd verheerlijkt door bekende leiders van rabbijnen en kolonisten. Nadat zijn kist – onder strenge beveiliging – naar Kiryat Arba was gebracht, werd een tweede reeks loftuitingen geleverd, onder andere door rabbijn Dov Lior, een fel omstreden extremist die er nogal wat wereldvreemde ideeën op nahield.

Rabbijn Dov Lior zei over Goldstein: “[Hij] was vol liefde voor zijn medemensen. Hij wijdde zich aan het helpen van anderen.” Het Israëlische dagblad Yediot Aharonot berichtte dat mensen in de menigte tijdens het wachten op de aankomst van de kist zeiden: “Wat een held!” en “Een rechtvaardig persoon!” en ook “Hij deed het namens ons allemaal.”

Plaatje hierboven: Graf van IDF-majoor Baruch Goldstein in het Meir Kahane Park in Kiryat Arba, nabij Hebron op 3 september 2018 [beeldbron: Twitter]


Bronnen:

♦ naar een artikel van Matt Plen “Israel history: Baruch Goldstein – The perpetrator of the Hebron massacre is both vilified and celebrated” op de site van My Jewish Learning