Hoe de 19de eeuwse pogroms in Rusland de eerste golf Joden naar Israël dreef – Deel 1

In het westen van Europa was met de emancipatie – ondanks alle reacties, ondanks alle pogingen hen weer aan banden te leggen – voor de Joden een nieuw leven begonnen. Maar de vrijheidsstorm die gedurende de negentiende eeuw in land na land ten westen van de Weichsel de gettopoorten voorgoed had geslecht, was niet tot het oosten doorgedrongen. Onveranderd bleven daar de druk van middeleeuwse toestanden, het juk van harde beperkingen en de hopeloosheid in het gebied waar na de derde deling van Polen in 1795 verreweg het grootste aantal Joden van het Europese vasteland woonde. De berichten die uit het tsarenrijk kwamen, bleven troosteloos en ontmoedigend.

Sedert de dagen van Catharina II had de Russische politiek ernaar gestreefd het binnenland voor de joodse massa gesloten te houden. Strenge bepalingen beperkten hun leefgebieden tot scherp afgebakende regionen in de zuidelijke en westelijke gouvernementen en verhinderden hen door te dringen tot de overige delen van het tsarenrijk. Slechts enkele bevoorrechten mochten ongehinderd reizen. Honderdduizenden en honderdduizenden leidden, in getto’s samengeperst en beroofd van hun bewegingsvrijheid, in onvoorstelbare annoede een bestaan aan de rand van de verpaupering. Zelfs de hun toegewezen districten werden na verloop van tijd steeds nauwer begrensd; nieuwe oekazen van de tsaren verdreven hen zelfs uit de dorpen, om hen steeds meer in steden en marktplaatsen samen te dringen. De alleenheersers aller Russen lieten niets onbeproefd om een ‘verbetering’ en bekering van hun joodse onderdanen te bereiken. Ook zij hadden een volledige assimilatie op het oog.

Onder tsaar Nicolaas I (1825-1855) bereikte de reactionaire politiek ontstellende afmetingen. ‘De behandeling die de Joden nu ondergingen,’ schrijft Cecil Roth, ‘en de speciale wetten die beoogden hun levenskracht te breken, vinden in de geschiedenis hun weerga niet. Ze overtroffen zelfs de wetgeving van de katholieke kers ten tijde der contrarefonnatie. Van de ongeveer twaalfhonderd wettelijke maatregelen die in Rusland tussen 1649 en 1881 met betrekking tot de Joden werden getroffen, vallen niet minder dan de helft in de regeringsperiode van Nicolaas I.

Zelfs voor maatregelen tegen de joodse kinderen deinsde de keizer niet terug. Aan de lijdensgeschiedenis van het zwaarbeproefde volk zou een nieuw, tot dusver onbekend blad worden toegevoegd …

Op 26 augustus 1827 tekende de tsaar de oekaze die de vijfentwintigjarige dienstplicht van de Joden voorschreef. Een bijzondere bepaling voor de ‘dienstplicht van rekruten’ luidde: ‘De door joodse gemeenten te leveren rekruten moeten in de leeftijd van twaalf tot vijfentwintig jaar zijn.’ ‘De minderjarige Joden, d.w.z. in de leeftijd beneden achttien jaar,’ luidde het verder, ‘moeten worden ondergebracht in instellingen waar ze voor de militaire dienst worden opgeleid.’ De opleiding, die zes jaar duurde en al op twaalfjarige leeftijd begon, gold evenwel slechts als voorbereiding. Deze tijd werd niet meegeteld bij de dienstplicht van vijfentwintig jaar die met achttien begon en die trouwens ook voor de overige Russische mannen gold. De Joden moesten bij elkaar dus eenendertig jaar dienstplicht vervullen!

De regering zag er onverbiddelijk op toe dat de onmenselijk harde bepalingen van de oekaze volledig werden uitgevoerd. Zodra een oproep van rekruten op til was, speelden zich overal wanhopige tonelen af. Hele groepen jongens gingen op de vlucht, verscholen zich in de bossen en dwaalden door de velden. Er begon een ware kinderjacht. Ook jongere, in vele gevallen zelfs achtjarige kinderen, die in handen van speurders vielen, werden ingelijfd. Midden in de nacht werden de joodse families opgeschrikt door razzia’s, de jongens werden van hun moeders weggerukt en meegenomen. Alle ‘kantonisten’ zoals men de kinderrekruten noemde, werden gezonden naar garnizoenen die ver verwijderd lagen van de getto’s; veel kinderen zagen hun ouders nooit meet terug.

Alexander Herzen, de Russische revolutionair en schrijver, zag in 1835 op weg naar de Oeral het transport van een groep joodse kantonisten. ‘Ziet u,’ vertelde hem de begeleidende officier, ‘men heeft een hele troep van die vervloekte jodenrakkers, jongens van acht tot tien jaar en ouder opgepakt. Het bevel luidde eerst ze naar Perm over te brengen, maar daarna volgde een nieuwe opdracht en nu brengen we ze naar Kazan … De officier die hen aan mij overdroeg, zei dat hij een hoop last met hen had; het derde deel was onderweg blijven steken. Ternauwernood de helft zal de plaats van bestemming bereiken.’ …

‘Weldra werden de kinderen gehaald,’ zo schildert Herzen de voor hem onvergetelijke, aangrijpende gebeurtenis, ‘en ze werden in gelederen geordend. Het was een van de vreselijkste taferelen die ik ooit heb aanschouwd. Arme, arme kinderen! De twaalf- en dertienjarige knapen zagen nog kans op de been te blijven, maar de kleinen van acht tot tien jaar … bleek, uitgemergeld, bang, stonden daar in hun zware, slechtzittende uniformen met de hoge kraag en keken met hulpeloze, om genade smekende blikken op naar de soldaten die hen met ruwe hand opstelden; hun bleke lippen en de blauwe kringen onder hun ogen spraken van koorts en koude rillingen. Zo liepen deze arme, van alle liefde en zorg beroofde … kinderen naar hun graf. Ik pakte de officier bij de hand en zei tegen hem: “Heb medelijden met ze!” en ik sprong in mijn rijtuig; nog een ogenblik en ik zou mijn tranen niet langer hebben kunnen bedwingen.”

Pas met de troonsbestijging van Alexander II (1855-1881) leek ook voor de Joden een nieuwe tijd aan te breken. De jeugdige tsaar, die door Disraeli eens ‘de goedmoedigste vorst die ooit in Rusland heeft geregeerd’ werd genoemd, maakte een begin met een consequente hervormingspolitiek. Hij maakte een einde aan de lijfeigenschap en deed een eerste poging het land te industrialiseren naar het voorbeeld van de westelijke landen. Veertig miljoen slaven werden bevrijd. Met de afschaffing van de bijzondere wetten voor de militaire dienst kwam ook een einde aan het treurige lot van de ‘kantonisten’. De diensttijd werd tot vijf jaar verminderd.

De deuren van de hogere onderwijsinstellingen, de hogescholen en universiteiten gingen voor de Joden open; zij mochten studeren, werden toegelaten tot juridische beroepen en konden zelfs het ambt van rechter bekleden. Voor handarbeiders en succesvolle kooplieden stond heel Rusland open. Hun betrekkingen met de banken in West-Europa brachten de tsaar ertoe invloedrijke Joden voor de economische opbouw van zijn rijk aan te trekken. ‘Het waren Joden,’ schrijft Max A. Dimont, ~ ‘aan wie hij de opbouw van het bankwezen toevertrouwde. Samuel Poljakow, bekend als de Russische ‘spoorwegkoning’ , verbond het oosten en het westen van Rusland met spoorlijnen, een prestatie waarvoor hij in de adelstand werd verheven. Het bankwezen, de jurisprudentie, de architectuur, de geneeskunde en de industrie werden evenzovele arbeidsterreinen van de Russische Joden.’

Voor de eerste maal werden hun ook in Rusland nieuwe kansen geboden. Weliswaar bleef het aantal van hen die er gebruik van konden maken, gering; het bedroeg ternauwernood meer dan vijf procent van de joodse bevolking. Nog steeds woonde de overgrote meerderheid, een massa van drie miljoen zielen, in de aangewezen vestigingsgebieden. De hoop dat ook voor hen binnen afzienbare tijd een ander leven zou beginnen, zou maar al te snel weer verloren gaan. Er volgde een terugslag – erger dan ooit, een tijd van de zwaarste vervolgingen en beproevingen.

Op 13 maart 1881 werd de tsaar-‘bevrijder’ door een bom in stukken gescheurd, een aanslag maakte een plotseling einde aan het leven van Alexander II. Onder zijn opvolger, Alexander III, keerde het getij en kreeg de reactie wederom de overhand.

Het Vestigingsgebied 1791-1917

Het Vestigingsgebied (in het Russisch chertá osédlosti) werd in 1791 opgericht door Tsarina Catharina II, aka Catharina de Grote, na verschillende mislukte pogingen van haar voorgangers, met name Tsarina Elizabeth Petrovna, om de Joden helemaal uit Rusland te verwijderen, tenzij ze zich bekeerden tot de Russische christen orthodoxie, de staatsgodsdienst. Het gebied lag ten westen van het Russische Rijk met verschillende grenzen dat bestond van 1791 tot 1917 (kaartje hierboven: geel ingekleurd), waarin de Joden verplicht moesten wonen. Daarbuiten was het wonen van Joden – permanent of tijdelijk – verboden of straffe des doodsOp zijn hoogtepunt telde het Vestigingsgebied, met inbegrip van de nieuwe Poolse en Litouwse gebieden, een Joodse bevolking van meer dan vijf miljoen inwoners en vertegenwoordigde op dat moment het grootste deel (40 procent) van de Joodse bevolking ter wereld. Na de Oktober Revolutie van 1917 werd het Vestigingsgebied opgeheven.


Bronnen:

♦ naar een artikel van Werner Keller “De pogroms in Rusland” in zijn boek “Und wurden zerstreut unter alle völker” uitgegeven in 1966 door Droemer/Knaur; ISBN-13: 978-3426044766

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.