Hoe de Dreyfus Affaire het Zionisme triggerde en de heroprichting van de Joodse staat inluidde

Kort voor het einde van de 19de eeuw komt het in Frankrijk tot een grote uitbarsting van antisemitisme: door de strijd om Alfred Dreyfus wordt het land tot aan de: rand van een burgeroorlog gevoerd.

In 1854 was de ‘Essai sur l’inégalité des races humaines‘, de ‘Verhandeling over de ongelijkheid van de menselijke rassen’ van graaf Josef Arthur Gobineau verschenen. Het vertegenwoordigde een racistische theorie die slechts de ‘Ariërs’, met name de Germanen, als cultuur-scheppend beschouwde. De uiteenzettingen van Gobineau, waarvan de wetenschappelijke waarde van nul en gener waarde was, vonden toen reeds op grote schaal weerklank. Drie decennia later won het antisemitisme voor de eerste maal plotseling sterk terrein.

In 1882 was de katholieke bank ‘Union Générale’, waaraan ook vele leden van de aristocratie hun geld hadden toevertrouwd, failliet gegaan. De zondenbok was opnieuw snel gevonden. De antisemitische activiteiten die zich in Berlijn en in Wenen zo sterk aan het uitbreiden waren, hadden juist in die tijd ook in Parijs vaste voet gekregen. De Joden kregen de schuld! Weliswaar kwam in 1883 Emest Renan, de gerespecteerde godsdiensthistoricus en oriëntalist, energiek tegen de antisemitische rassentheorieën op, maar de reactie was sterker.

In 1886 publiceerde de journalist Edouard Drumont zijn ‘La France juive’ (Het joodse Frankrijk), dat weldra tot de meest gelezen boeken zou behoren. Iedere tegenslag die Frankrijk had getroffen, beweerde de schrijver, was terug te voeren tot joodse intriges. Het dagblad ‘Libre Parole’ met diezelfde Drumont als redacteur wordt in 1892 opgericht en begint zijn aanvallen op de Joden. Nu was het terrein geëffend en de tijd rijp om een voorbeeld te stellen. Een intrige waarbij de Franse antisemieten en de klerikaalroyalistische partij betrokken waren, maakte een officier van het joodse geloof tot haar slachtoffer.

In 1894 wordt de kapitein van de artillerie Alfred Dreyfus, die bij de generale staf werkte, gearresteerd onder beschuldiging militaire geheimen aan de Duitse regering te hebben verraden. De overeenkomst van zijn handschrift met dat van een begeleidend schrijven dat uit de Duitse ambassade afkomstig was, is alles waarop de aanklacht steunde. Slechts drie van de vijf schriftkundigen bevestigen de identiteit van het handschrift. Niettemin wordt Dreyfus door de krijgsraad schuldig bevonden, op 5 januari 1895 in Parijs in het openbaar gedegradeerd en tot levenslange verbanning naar het Duivelseiland veroordeeld. Het leek of de opzet was gelukt. De afloop van het proces, waarmee een hevige anti-semitische campagne in de pers, op straat en in het parlement was samengegaan, veroorzaakte in het hele land een golf van vijandschap jegens de Joden.

Maar Dreyfus was onschuldig. Niet hij had landverraad gepleegd, maar een zekere majoor Esterházy. Desondanks werd het proces niet heropend. Geen van de bevoegde instanties dacht eraan terwille van een Jood het leger te compromitteren. Er waren evenwel Fransen die bereid waren de strijd om de rehabilitatie van kapitein Dreyfus aan te pakken. Ëmile Zola schreef zijn beroemd geworden open brief aan de president van de republiek: ‘J’accuse’ (Ik beschuldig). Er begon een strijd die Frankrijk in twee kampen verdeelde: tegenover de Dreyfusards, die voor gerechtigheid en menselijkheid vochten, stonden de reactionaire, antisemitische anti-Dreyfusards.

In het jaar 1900 kreeg Dreyfus amnestie. Maar er verstreken nog zes jaar voor hij in 1906 eindelijk werd gerehabiliteerd en tot ridder van het Legioen van Eer werd bevorderd. Maar het gedurende zo lange tijd verbitterd uitgevochten geschil had een zuiverende en verhelderende uitwerking gehad: ‘Frankrijk had,’ volgens de woorden van Ernst von Schenk, ‘het antisemitisme als politiek verleidingsmiddel overwonnen en jegens het Jodendom een houding gevonden die er op een doorslaggevende wijze toe had bijgedragen te verhinderen dat de Europese beschaving in de barbaarsheid van het racisme zou wegzakken.’

De in Boedapest geboren Theodor Herzl was toegetreden tot de staf van de ‘Neue Freie Presse’ die in die tijd niet slechts onbetwist over Wenen heerste, maar tot ver buiten de grenzen van Oostenrijk een machtige invloed bezat. Herzl werd Parijs’ correspondent van het blad. Dat was toentertijd een zeer begeerde positie, het burgerlijke Wenen lonkte steeds naar Parijs. Daar werd Herzl door het lot achterhaald: hij was ooggetuige van de degradatie van de als verrader gedoodverfde Dreyfus, aan wiens schuld toen niemand twijfelde, ook HerzI natuurlijk niet. Hij werd slechts door de gruwelijkheid getroffen waarmee het vonnis werd voltrokken … hoe eerst een officier de sabel van de verrader door midden brak en vervolgens beurtelings een sergeant, een korporaal en tenslotte een soldaat stuk voor stuk de distinctieven van zijn uniform rukten en voor zijn voeten wierpen.

Herzl, die daarin de verdiende straf van de verrader zag, verbaasde zich in stilte wél over het duidelijke plezier waarmee de straf werd voltrokken, bijna alsof het een volksfeest was … Toen het schouwspel achter de rug was en Herzl zich met zijn collega’s van de pers verwijderde, vroeg hij aan een van hen: “Waarom verheugen de mensen zich eigenlijk allemaal zo? De verrader heeft zijn lot natuurlijk verdiend; hij heeft ontvangen wat hem toekwam, maar hoe kan men zich verheugen wanneer een mens lijdt, ook wanneer dat leed volkomen op zijn plaats is? Hij is een verrader, maar ook een verrader blijft uiteindelijk toch een mens!”

Een collega uit Wenen zei: ‘Neen, dat is hij nu juist voor het gevoel van de Fransen niet; die zien in hem geen mens, maar een Jood! En waar een Jood in het geding is, houdt het christelijke medelijden op. Dat is onrechtvaardig, maar wij zullen er niets aan veranderen, zo is het altijd geweest en zo zal het altijd blijven.”

Op dat ogenblik werd het Zionisme geboren.

Herzl onderging een grote schok door deze gebeurtenis. Hij schrijft aan zijn vriend Arthur Schnitzler dat er een ‘berg van bazalt’ in hem omhoog was gestuwd. In zijn dagboek schrijft hij omstreeks pinksteren 1895:

“Ik ben sinds enige tijd bezig met een werk van oneindige grootte. Ik weet nu niet of ik het wel ooit zal kunnen uitvoeren. Het ziet eruit als een machtige droom, maar sinds dagen en weken vervult het mij, zelfs als ik slaap. Het vergezelt mij overal, zweeft boven mijn alledaagse gesprekken en kijkt over mijn schouder bij het grappige, onbelangrijke journalistieke werk. Het stoort mij en bedwelmt mij. Wat eruit zal voortkomen, is nu nog niet te zeggen. Maar mijn ervaring zegt mij dat het, alleen als droom al, merkwaardig is en dat ik het moet opschrijven – zo niet als een document voor de mensen, dan toch voor mijn eigen toekomstig denken. En misschien tussen deze beide mogelijkheden in: voor de literatuur. Als uit de roman geen daad voortkomt, dan kan uit de daad nog een roman ontstaan. Titel: Het beloofde land!’ En op 16 juni 1895 luidt het: ‘Ik ben deze dagen meermalen bang geweest krankzinnig te zullen worden. Zo angstaanjagend joegen de gedachten door mijn ziel. Een heel leven zal niet toereikend zijn om alles uit te voeren. Maar dan laat ik een geestelijk erfdeel na. Aan wie? Aan alle mensen. Ik geloof dat het leven voor mij heeft opgehouden en de wereldgeschiedenis begonnen is.”

Theodor Herzl werkt als in een koortstoestand. Een half jaar later heeft zijn plan concrete vormen aangenomen. Hij legt het voor aan de invloedrijke baron Moritz Hirsch – zonder de gewenste reactie. In februari 1896 verschijnt de brochure ‘Der Judenstaat, Versuch einer modernen Lösung der Judenfrage’ (De joodse stàat, poging tot een moderne oplossing van het jodenvraagstuk ).

Het denkbeeld van Herzl maakt op velen van zijn geloofsgenoten de indruk van een ongehoorde uitdaging. Men lacht hem uit, men houdt hem voor een utopist. Het dagelijks bestuur van de vereniging van rabbijnen in Duitsland distantieert zich officieel van hem: ‘Zowel de godsdienst als de vaderlandsliefde leggen ons de plicht op om allen die het welzijn van het Jodendom aan het hart gaat, te verzoeken … zich afzijdig te houden van zionistische doelstellingen en zeer in het bijzonder van het voorgestelde congres.’ Het congres, dat voor de zomer van 1897 in München was gepland, mislukt dan ook door het protest van de Israëlitische godsdienstige gemeente aldaar.

Op 29 augustus komt in Basel het zionistencongres evenwel toch bijeen. Tweehonderd gedelegeerden en driehonderd gasten en correspondenten wonen het congres bij. In zijn openingsrede maakt Herzl de hoofdlijnen van zijn politiek programma bekend en hij noemt het zionisme de ‘thuiskomst van Jodendom’ in plaats van de ‘terugkeer naar het jodenland’.

Herzl wordt tot voorzitter van het uitvoerend comité benoemd. Hij bleef tot zijn dood in 1904 ijveren voor de verwezenlijking van het grote plan, waarvan hij de onvermoeibare propagandist werd. Tweemaal – in Constantinopel en in Jeruzalem – had hij in 1898 een ontmoeting met keizer Wilhelm II en hij verzocht hem om voorspraak voor zijn plannen bij de sultan van Turkije.

De keizer toonde zich zelfs enthousiast: Joden op Turks grondgebied die Duitsland goedgezind waren, konden hem alleen maar van nut zijn. Ook zag hij er een mogelijkheid in, schreef de rijkskanselier von Bülow later, ‘om zijn land te bevrijden van vele elementen die hem niet erg sympathiek waren’. Von Bülow, die protesten van Engeland en Frankrijk vreesde, wist Wilhelm echter te bepraten en het bleef bij een nietszeggend, officieel communiqué. In 1901 verkreeg Herzl een audiëntie bij sultan Abdul Hamid II zelf. Inmiddels was men al begonnen in Palestina land te kopen. Joodse immigranten, vooral uit Rusland, begonnen onder onvoorstelbare moeilijkheden het pionierswerk dat nodig was om de verwaarloosde bodem weer vruchtbaar te maken.

In 1903 vertoefde Herzl in St. Petersburg, waar hij met de minister van binnenlandse zaken Wjatsjeslaw von Plehwe onderhandelde. In hetzelfde jaar deed de Engelse minister van koloniën Joseph Chamberlain Herzl zeer concrete voorstellen, waaronder dat van een nederzetting in Brits Oost-Afrika, in Oeganda. Dit Oeganda-project stuitte evenwel op sterk verzet binnen de beweging en werd afgewezen. De meerderheid van de zionisten sprak zich uit voor Palestina als enig doel. Toen Herzl in 1904, pas vierenveertig jaar oud, stierf, was uit een utopie een grote beweging gegroeid, die binnen enkele jaren tijds uit het met was voortgekomen. Het doel dat Herzl zijn geloofsgenoten had voorgehouden, zou, zij het langs omwegen, tot de staat Israël leiden …


Bronnen:

♦ naar een artikel van Werner Keller “De Zaak Dreyfuss” en “Theodor Herzl en het zionistencongres in Basel” in zijn boek “Und wurden zerstreut unter alle völker” uitgegeven in 1966 door Droemer/Knaur; ISBN-13: 978-3426044766

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.