Sir Moses Montefiore en een nieuwe beschuldiging van rituele moord in 1840

In 1840 hoorde men uit het Nabije Oosten geruchten over een rituele moord. Opnieuw was de afschuwelijke beschuldiging uitgesproken! In Damascus, de hoofdstad van Syrië, waar vierhonderd joodse families – waaronder vele rijke en geziene sefardim – woonachtig waren, werkte pater Tommaso, een kapucijner, als arts. Op 6 februari was deze monnik, die alle Damascenen zo goed kenden, plotseling verdwenen, samen met zijn dienaar. Bij geruchte zou men hem voor de laatste maal in de jodenwijk hebben gezien. De kapucijners van zijn klooster verspreidden het gerucht dat de verdwenen man door de Joden was vermoord – met het rituele oogmerk zijn bloed te gebruiken voor de bereiding van hun paasbroden!

Op aandringen van de Franse consul Ratti-Menton laat Sjerif Pasja, de gouverneur van Damascus, zich ertoe overhalen een: onderzoek in te stellen in de jodenwijk. In het wilde weg wordt, met verscheidene anderen, een arme barbier gevangen genomen. Onder de pijnen van een scherp verhoor – vijfhonderd stokslagen op de voetzolen – wordt hem een bekentenis afgedwongen. Hij beschuldigt zeven ouderen van de gemeente: David Harari, diens zoon, zijn broeders, Moses Abulafia, Moses Saloniki en Joseph Laniado. Alle zeven worden in hechtenis genomen en gruwelijk gefolterd. Maar zij blijven standvastig en betuigen zelfs onder de martelingen hun onschuld.

Sjerif Pasja neemt zijn toevlucht tot een ander dwangmiddel: drieënzestig joodse kinderen – van drie tot tien jaar oud – worden aan hun ouders ontrukt en in de kerker opgesloten. Men geeft hen niets te eten. Maar zelfs deze wanhopige moeders en vaders zijn niet te bewegen de vuige beschuldiging te erkennen. De folteringen van de zeven ongelukkige mannen gaan onverminderd verder. Laniado bezwijkt aan de pijnen, Abulafia gaat tot de Islam over. Bij de vijf anderen gelukt het de beulen eindelijk de gewenste bekentenis los te krijgen: zij geven een rituele moord toe waar zij part noch deel aan hebben.

Enkele weken later duikt de legende van het bloedige ritueel ook elders op. Op het eiland Rhodos wordt het lijk van een opgehangen jonge Griek gevonden. Ook hier worden de Joden onmiddellijk van deze daad beticht, verscheidene: van hen worden gevangen genomen en door onmenselijke folteringen tot bekentenis gebracht. In veler verwarde hoofden ontstaat een golf van haat: in Smyrna, in Beiroet, in de omgeving van Damascus komt het tot overvallen, synagogen worden ontwijd en Joden mishandeld.

Het bericht over deze gruwelijke gebeurtenissen dringt tot Europa door. Overal schrijft de pers uitvoerig over de beschuldiging van rituele moorden in Damascus. In Rome richten de kapucijners voor de ‘martelaar’ Fra Tommaso in hun kerk een gedenksteen op. Joodse politici protesteren bij hun regeringen: in Frankrijk bereikt de afgevaardigde en advocaat Isaac Adolphe Crémieux geen concrete resultaten, noch bij de minister-president Adolphe Thiers, noch bij koning Louis Philippe.

Engeland reageert geheel anders. In Mansion House in Londen komt het in tègenwoordigheid van de Lord Mayor tot een gemeenschappelijk protest van Christenen én Joden. Robert Peel eist dat het Lagerhuis stelling zal nemen ‘om het bereiken van het verheven doel van rechtvaardigheid en menselijkheid te vergemakkelijken’. De minister van Buitenlandse zaken lord Palmerston verklaart dat de Engelse regering haar consul-generaal in Alexandrië reeds heeft opgedragen een protest in te dienen.

Sir Moses Montefiore
In Oostenrijk onderneemt Metternich een soortgelijke stap. In Philadelphia wordt een meeting belegd die besluit dat ook de Verenigde Staten bezwaar zullen maken tegen de gruwelen in Damascus. Omdat er geen tijd te verliezen valt, verenigen de Franse en Engelse Joden zich tot een gemeenschappelijke actie. Een vergadering in Londen neemt onder voorzitterschap van de filantroop en president van de Board of Deputies, de Britse Jood sir Moses Montefiore, het besluit om afgevaardigden naar het Oosten te zenden, de onschuldige gevangenen in Damascus te bevrijden en de boosaardigheid van de aanklacht wegens rituele moord aan de kaak te stellen.

Na een persoonlijke audiëntie bij koningin Victoria begint Montefiore zijn missie. In Frankrijk voegen Crémieux en de oriëntalist Salomon Munk zich bij hem. Op 4 augustus komen zij in Kaïro aan. Spoedig na aankomst verkrijgt de delegatie een audiëntie bij pasja Mehemed Ali, de heerser over Egypte en Syrië, en legt zij hem haar verzoek voor. Er verstrijken verscheidene weken, dan komt het antwoord: een bevel van Mehemed Ali tot vrijlating van alle in Damascus gevangen genomen Joden. Op 6 september moet Sjerif Pasja in Damascus de gevangenen vrijlaten. Zij zien er verschrikkelijk uit, bijna allen zijn door de folteringen verminkt.

Om de Joden in het Turkse rijk tegen soortgelijke vervolgingen te beschermen, begeeft de delegatie zich vervolgens naar Constantinopel. Sultan Abdul Medsjid I, die in de affaire van Rhodos reeds bewezen had gevoel voor rechtvaardigheid te bezitten, toont begrip voor de pleidooien van Montefiore en Crémieux. Het eerste ontwerp voor een besluit van de Porte voorzag evenwel slechts in een amnestie voor de Joden van Damascus. Montefiore wees dit af, terwijl Crémieux, die in tegenstelling tot Montefiore geen enkele steun van zijn regering in Parijs had, bereid scheen er genoegen mee te nemen. Op aandringen van Montefiore wordt het besluit gewijzigd en het bevelschrift dat op 6 november 1840 werd uitgevaardigd, noemde de beschuldiging van rituele moord grove laster. “Om het joodse volk in de toekomst pijn en leed te besparen,” waarborgt de sultan nadrukkelijk alle in het Osmaanse rijk wonende Joden nogmaals vrije uitoefening van hun godsdienst, alsmede bescherming van leven en eigendom.

Het nieuws van de geslaagde onderhandelingen van de delegatie riep een geweldige geestdrift in het leven. De Joden van alle landen zagen hierin na de lange eeuwen van weerloosheid en rechteloosheid tegenover iedere willekeur, een teken van de verandering, het aanbreken van een hoopvolle tijd, ook voor henzelf. Op de terugreis werden de joodse gedeputeerden overal door de gemeenten geestdriftig ontvangen. Nooit tevoren hadden zij een dergelijk groot en vérstrekkend succes kunnen boeken bij hun acties voor geloofsgenoten in benarde situaties.

De zaak Edgar Mortara
Achttien jaar later werd de openbare mening in Europa opnieuw geschokt door een bevreemdende gebeurtenis – de ontvoering van een joods kind in de Kerkelijke Staat.

In Bologna had een katholieke dienstbode het zieke kind van joodse ouders, de kleine Edgar Mortara, in het geheim de nooddoop gegeven. Pas later deelde zij dit aan een geestelijke mee. Wat was het gevolg? Kort daarop, in juni 1858, drongen een monnik en een gendarme plotseling het huis van de Mortara’s binnen, maakten zich meester van de intussen zes jaar geworden Edgar en ontvoerden hem met geweld om hem christelijk te laten opvoeden. De moeder werd zwaarmoedig van verdriet. Alle stappen die de vader ondernam om zijn kind terug te krijgen, bleven vergeefs.

Het nieuws van deze gewelddaad, bedreven in naam van de godsdienst der naastenliefde en binnen het machtsbereik van de paus, bereikte weldra de pers. Onder Christenen zowel als Joden stak een storm van verontwaardiging op. In een tijd waarin de rechten van de mens en de emancipatie reeds gewaarborgd waren, leek dit geval volkomen onbegrijpelijk.

De joodse gemeenten in het vrije Piemont protesteren. Ludwig Philipsson richt in naam van de Duitse rabbijnen een verzoekschrift tot de paus. In Londen komt het tot een protestdemonstratie. Maar zelfs tegenover de verzoeken van de katholieke monarchen Napoleon III en Frans Jozef blijft Pius IX halsstarrig.

Een delegatie van de Romeinse joodse gemeente die in februari 1859 een processie onderneemt, krijgt van de paus het verwijt te horen: ‘Dit is dus het bewijs van jullie trouw als onderdanen, dat jullie het vorige jaar terwille van de Mortara’s heel Europa hebben gealarmeerd! Jullie hebben olie op het vuur gegoten, jullie hebben de redacties opgehitst. Maar de kranten mogen schrijven wat zij willen, ik kan er alleen maar om lachen!’ Ook Moses Montefiore, die naar de Eeuwige Stad reist om de paus door persoonlijke voorspraak te bewegen de kleine gevangenevrij te laten, bereikt niets. ‘Non possumus’ luidt het antwoord van Pius IX en daar bleef het bij.

Toen kort daarna Bologna aan de Kerkelijke Staat werd ontrukt en onder het gezag van Victor Emanuel II kwam, kregen de ouders nieuwe hoop. Zij wendden zich tot de nieuwe regering. De nasporingen brachten evenwel aan het licht dat de jongen reeds naar Rome was gezonden! Edgar keerde, ook als volwassene, nooit meer terug tot het geloof van zijn vaderen. Hij werd priester en werkte later als missionaris.

De vrijheid voor Joden wenkt
Deze nieuwe cause célèbre leidde in 1860 in Parijs tot de stichting van de ‘Alliance Israélite Universelle’. Crémieux, in het jaar 1870 andermaal tot minister van justitie van Frankrijk gekozen, werd voorzitter van de vereniging. De Alliance stelde zich tot taak hulp te bieden aan geloofsgenoten in verdrukking en door het oprichten van scholen de Europese beschaving in het Oosten te verbreiden. Naar dit voorbeeld ontstonden soortgelijke verenigingen in andere landen – in Engeland in 1871 de ‘Anglo-Jewish Association’, in 1873 in Wenen de ‘Israelitische Allianz’, in 1901 in Duitsland de ‘Hilfsverein der deutschen Juden’.

en Montefiorè hielden niet op zich voor hun geloofsgenoten te beijveren. Toen in 1866 Karl von Hohenzollern-Sigmaringen de troon besteeg van Roemenië, waar de Joden aan strenge beperkingen blootstonden, bracht Crémieux een bezoek aan de vorst en verzocht hem de burgerlijke gelijkstelling te waarborgen. Hij beloofde de staat in dat geval een lening van vijfentwintig miljoen francs.

In Boekarest sprak Crémieux ook voor de Roemeense afgevaardigden: ‘Het decreet over de bevrijding der negers,’ zo begon hij zijn toespraak, ‘is getekend door dezelfde Franse Jood, lid van de provisorische regering van 1848, die nu voor u staat en u verzoekt voor de Joden van Roemenië dat te doen wat hij zelf met zoveel vreugde voor de negers van de Franse koloniën heeft gedaan.’ Helaas, in Roemenië bleef alles bij het oude.

Crémieux zag in het overbrengen van beschaving de enige weg om de toestand van de Joden in de Levant te verbeteren. Reeds in 1840 had hij in Kaîro scholen gesticht. Op zijn advies stichtte de Alliance ook in Turkije de eerste moderne kostscholen, zeer tegen de zin van de streng orthodoxe, alle vernieuwingen vijandig gezinde rabbijnen in dat rijk.

Montefiore stelde zich het welzijn van de Joden in Palestina tot levenstaak. Om de bewoners werkgelegenheid te geven, stichtte hij in Jeruzalem een linnenweverij. Hij richtte een Hebreeuwse drukkerij op, liet armenhuizen bouwen en een meisjesschool openen. Montefiore was tot aan het einde van zijn zeer lange leven druk bezig en tenslotte was hij bij de rechtbanken van Roemenië en van Rusland even bekend als in de jodenwijken van Palestina en Marokko, waar bijna tweehonderdduizend mensen voortdurend onder zware druk leefden. In 1875 trok hij als negentigjarige grijsaard voor de zevende en laatste maal naar het Heilige Land, waar hij de behoeftige gemeenten zoveel weldaden had bewezen.

De bevrijde, geëmancipeerde Joden in het Westen voelden zich verantwoordelijk voor hun onderdrukte, nog steeds in middeleeuwse omstandigheden levende geloofsgenoten in Oost-Europa, evenals voor de onderdrukte broeders in de getto’s van de gebieden rond de Middellandse Zee. Daarom namen zij het patronaat over deze mensen op zich, vol vertrouwen dat de tijd niet ver meer kon zijn, waarop ook in die landen het uur van de bevrijding zou slaan en aan het paria-bestaan een einde zou komen …


Plaatje hierboven: Jeruzalem, mei 1866. Gezicht op gebouw en molen die werden gebouwd door Sir Moses Montefiore. Dit waren de eerste bouwsels die buiten de muren te westen van de Oude Stad werden opgetrokken. Na de verovering van Jeruzalem door het Jordaanse leger in 1948 zal deze westelijk gelegen buitenwijk van Jeruzalem die in handen bleef van de Israëliërs ‘West-Jeruzalem’ gaan heten. Pas in 1967 zullen de Joden Jeruzalem zélf weer heroveren op de Arabieren [beeldbron: A Picture a Day]


Bronnen:

♦ naar een artikel van Werner Keller “Nieuwe beschuldiging van rituele moord” in zijn boek “Und wurden zerstreut unter alle völker” uitgegeven in 1966 door Droemer/Knaur; ISBN-13: 978-3426044766

Advertenties

Een gedachte over “Sir Moses Montefiore en een nieuwe beschuldiging van rituele moord in 1840

Reacties zijn gesloten.