Kozakkenleider Bogdan Chmielnicki slacht in 1648/49 tienduizenden Joden af in de Oekraïne

Ruim 370 jaar geleden, tussen 1648 en 1649, werden tienduizenden Joden in de Oekraïne en aangrenzende Russische gebieden vermoord en afgeslacht door de Kozakken. Tot op de dag van vandaag wordt de gruwel van de bloedbaden die werd aangericht onder leiding van de Kozakkenleider Bogdan Chmielnicki (1593-1657) door de Joden als een van de meest traumatische gebeurtenissen in hun geschiedenis ervaren. Dit komt tot uitdrukking in de Hebreeuwse literatuur; veel liturgische gedichten en klaagzangen werden over dit onderwerp gecomponeerd, evenals vele werken van poëzie en proza, waaronder de ballade Bat ha-Rav (‘De dochter van de rabbijn’) van Saul Tchernichovsky. Het heeft ook een belangrijke plaats gekregen in de populaire Joodse folklore.


In 1648, in hetzelfde jaar waarin West-Europa na drie decennia oorlog eindelijk de rust ban de vrede van Münster smaakte, werd de tot dusver vreedzame, reusachtige oase van het Oosteuropese Jodendom, dat honderdduizenden zielen telde, door een catastrofe getroffen. De Poolse gemeenten vielen ten offer aan bloedige vervolgingen en gruwelijke moordpartijen die al het leed van de kruistochten en de pestepidemie nog verre overtroffen.

In de zuidelijke randgebieden van Polen, in de Oekraïne, waren de gemoederen in de loop van de tijden licht ontvlambaar geworden en dit zou tot een verschrikkelijke explosie leiden. Sedert een eeuw hadden de Poolse koningen hun heerschappij uitgebreid over het stroomgebied van de Dnjepr en de Dnjestr met Kiev als centrum, over Wolhynië en Podolië in het westen en Tsjernigof en Poltawa in het oosten. De koning en de hoge adel buitten de vruchtbare landerijen meedogenloos uit. De inheemse bevolking die op de onmetelijk grote landgoederen woonde en werkte was volkomen rechteloos. De mensen werden beschouwd als lijfeigenen, terwijl herendiensten en belastingen bovendien nog een onmdraaglijke last op hun schouders legden. Daar kwam nog een traag gistende godsdienstige haat bij: de vreemde heersers waren Rooms-katholiek, de geknechte inwoners Grieks-orthodox.

Poolse magnaten, de eigenlijke heersers over het land, kreeg het volk nauwelijks te zien. Zij verbleven slechts zelden op hun grondbezit. Horigen of pachters beheerden hun bedrijven, onder wie vele Joden. De adel verpachtte herbergen, molens en melkerijen, het recht tot exploitatie van jeneverstokerijen en tollen en vele Joden hielden zich ook bezig met het innen van belastingen.

De hoge pachtgelden die van henzelf werden geëist, dwongen de Joden zoveel mogelijk winst te maken. Onder druk gezet, werden zij op deze wijze tot onvrijwillige werktuigen van de uitbuiting, waartegen zich de onwil van de inheemse bevolking steeds meer begon te verheffen. “De Oekraiense Kozakkenheld trekt langs de herberg,” luidt het in een volkslied, “maar de Jood pakt hem bij zijn kuif en laat niet los: ‘Kozakje, Kozakje, neem rust, kom binnen, hoe kan ik anders mijn meester, de Pool, de pachtrente betalen.’ Zo komt het blinkende wapentuig van de Kozak in zijn handen.”

Typische klederdracht van Russische Joden in de 17de eeuw

De opstandigheid en de haat tegen de vreemde heersers, de onderdrukkers, de andersdenkenden namen toe – tegen de Polen en nog meer tegen hun handlangers, de Joden. In 1648 kwam het tot een fatale uitbarsting.

Verbitterd over de onderdrukking roept de Kozakkenhetman Bogdan Chmielnicki (aka Bohdan Khmelnytsky) de Oekraieners op tot het verzet, tot de ‘heilige oorlog’ voor de vrijheid en het ware geloof – tegen de Panen, de Poolse heersers en de Joden. “Welk een onrecht gij van de Polen en hun pachters en hun zo geliefde tolgaarders, de Joden, verdragen hebt, welke geweld-, gruwel- en misdaden gij geduld hebt, dat weet gij zelf het beste,” luidt het in zijn tot de bevolking gerichte manifest. Tataren uit de Krim snellen de opstandelingen met sterke eenheden te hulp. In de aprildagen valt het verenigde Kozakken- en Tatarenleger de Oekraïne binnen. Poolse troepen die zich te weer stellen, lijden een zware nederlaag. Dat is het teken voor opstand van het hele land.

Overal verzamelen zich benden; deze plunderen boerderijen en steken ze in brand; zij vermoorden de beheerders en de joodse pachters. Van het platteland rolt de golf van terreur naar de steden. Slechts wie het orthodoxe geloof omhelst, blijft gespaard. In de dorpen van Poltawa vallen duizenden Joden hun ten offer. De Kozakken gedragen zich als razenden en begaan onvoorstelbare gruweldaden tegenover de Joden. “De een vilden de Kozakken levend om het vlees voor de honden te werpen,” vertelt de ooggetuige Nathan Hannover, “de ander brachten zij zware verwondingen toe en wierpen hem vervolgens op straat … Weer anderen werden levend begraven. Zij doorstaken zuigelingen in de armen van hun moeders en hakten vele mensen als vissen in mootjes … Bovendien werden hele scharen joodse kinderen in het water geworpen om ondiepe plaatsen te dempen … De Tataren namen de Joden weliswaar gevangen, zij verkrachtten de vrouwen echter voor de, ogen van hun mannen en voerden de mooiste als slavinnen en concubines mee. Op niet minder gruwelijke wijze handelden de Kozakken overal met de Polen, vooral met de priesters.”

Als een hels vuur laait de bloedige opstand door het land en slaat van de Dnjepr over naar het binnenland van de Oekraïne, naar het gebied rondom Kiew. Bijna drieduizend Joden, uit vier gemeenten bij elkaar gevlucht, vallen in handen van de Tataren en komen er levend vanaf. Zij worden als gevangenen naar Istanboel gesleept – voor de slavenmarkt.

Het duurt niet lang of de rondtrekkende benden Kozakken en boeren maken ook het westen van de Oekraïne onveilig; de moorden breiden zich uit over Wolhynië en Podolië. De bedreigde mensen laten huis en hof in de steek en vluchten naar versterkte steden. Maar ook daar ontsnappen zij niet aan hun noodlot, In de stad Nemirow verschansten zich verscheidene duizenden Joden. Chmielnicki zendt Kozakken, die zich met een list toegang verschaffen. Als Polen verkleed naderen zij de stad en men opent hun niets kwaads vermoedend de poort. Ternauwernood ontsnapt één van de overrompelde mannen aan de dood, de vrouwen worden verkracht, de kinderen in de putten verdronken. Ook de Russen die in de stad wonen nemen deel aan die gruweldaden. Slechts enkele Joden die erin toestemmen zich te laten dopen, overleven het. Ook de rabbijn van Nemirow, Jechiël-Michael ben Elieser, valt met zijn hele gemeente en vele vluchtelingen ten offer aan het bloedbad.

Door verraad vallen hele scharen vluchtelingen in de versterkte stad Toelczyn in Podolië in handen van hun achtervolgers. De Kozakken drijven alle Joden – bijna vijftienhonderd – in een plantsoen bijeen, stellen hun oorlogsbanier op en hun woordvoerder verkondigt: “Wie in het doopsel toestemt, moet onder deze banier gaan staan en wij zullen hem het leven laten!” Geen enkele wordt bereid gevonden, allen worden gedood.

De moordpartij in Polonnoje neemt nog veel verschrikkelij«er afmetingen aan. Een reusachtige menigte vluchtelingen, onder wie bijna twaalfduizend Joden, is in de Wolhynische stad samengestroomd: slechts de door de Tataren gevangen genomen mensen blijven in leven; zij worden als slaven verkocht. Alle anderen vinden de dood. De door het volk zeer vereerde kabbalist Simson van Ostropol wordt met vele anderen in de synagoge tijdens het gebed vermoord.

Bij het bericht van deze gruwelijke wandaden begon een massale vlucht. Door waanzinnige angst voortgedreven, haastten de Joden zich voort, overal waar het naderen van horden Kozakken werd gemeld. Zij trokken in onafzienbare scharen van stad naar stad.

Terwijl de Oekraieners en de Tataren onder Chmielnicki in grote scharen en alles verwoestend door Wolhynië en Podolië naar Galicië oprukken, vallen horden Kozakken en opstandige boeren, ‘Haidamaken’ geheten, ook Litouwen en Wit-Rusland binnen. De joodse huizen in Pinsk en Brest gaan in vlammen op, de gemeenten van Tsjernigof en Starodoeb worden vernietigd. Van het bloedbad dat in de Witrussische stad Gomel wordt aangericht, bericht een ooggetuige: “De oproerlingen kochten de garnizoenscommandant om, die hun vervolgens de Joden met heel hun hebben en houden uitleverde. De Russen omsingelden hen met gevelde zwaarden, dolken en lansen en spraken als volgt: “Waarom houden jullie je nog altijd aan je God? .. Zweer jullie God af en jullie zullen als heren worden geacht. Wanneer jullie evenwel bij het geloof van je vaderen blijft, zullen jullie door onze hand vallen, evenals zovelen van jullie broeders in de Oekraïne en in Litouwen.” Toen weerklonk de stem van rabbi Elieser: “Gedenkt broeders, de dood van onze geloofsgenoten die zich ter wille van de heiligheid van de Naam hebben opgeofferd!” Toen de booswichten dit vernamen, werden zij tot razernij opgezweept en sloegen met knuppels op de ongelukkigen los om hen een smartelijke dood te laten sterven. Mannen, vrouwen en kinderen kwamen in massa’s om en hun onbegraven lijken werden een prooi voor honden en zwijnen.” Officiële berichten die uit Mogilev en Smolensk in Moskou binnenkomen, bevestigen dat in Gomel “van de Joden, vrouwen en kinderen meegeteld, meer dan tweeduizend, van de Polen evenwel slechts circa zeshonderd man werden vermoord, terwijl van de Witrussen niemand aan lijf of goed schade leed.”

Ook de in 1648 tot koning van Polen gekozen Johannes Casimir slaagde er niet in een einde te maken aan deze verschrikkingen. Pas nadat het Poolse leger in oktober 1651 de Kozakken bij Berestetsjko een beslissende nederlaag had toegebracht, kwam het tot een vredesverdrag. Het recht van de vervolgden op vestiging in de kozakkengebieden werd opnieuw van kracht: ‘Evenals de Joden vroeger op de kroon- en sjlachta-domeinen woonden en land mochten pachten, zal dit hun ook verder zijn toegestaan.’

De rust zou slechts van korte duur zijn. Verder leed treft de Joden. De weinige overgebleven gemeenten zijn nog maar pas met moeite weer enigszins op gang gekomen, wanneer de oorlogswoede opnieuw over het land raast. Chmielnicki heeft nu met de Russen een bondgenootschap gesloten! En tsaar Alexej Michalovitsj laat plotseling aanspraken op Pools grondgebied gelden. In de zomer van 1654 dringen Moskovitische troepen en Kozakken Wit-Rusland en Litouwen binnen. ‘Voor Rusland en voor het ware geloof!’ luidt hun strijdkreet.

De Russische bevelhebbers jagen de Joden overal voor zich uit. In het Witrussische Mogilew wordt hun in 1655 op grond van de tsaristische oekase ‘het verblijf en oponthoud voor altijd verboden’. Uit Witebsk, dat pas na een hardnekkige verdediging door Joden en Polen valt, slepen de Russen de in gevangenschap geraakte joodse bevolking naar Novgorod en Kazan. Wannee( in augustus 1655 Wilna, de hoofdstad van Litouwen, wordt veroverd, zijn de meesten reeds gevlucht.

Om het ongeluk te voltooien is in de herfst van het jaar 1655 nog een derde vijand het land binnengedrongen – koning Karel Gustaaf van Zweden. Zijn troepen rukken op tot in het hart van het Poolse rijk en bezetten voor de lente van 1656 geheel Groot- en Klein-Polen. Zij laten de joodse gemeenten met rust. Maar ook hun inval roept nieuwe rampen op. Wanneer de Poolse generaal Stephan Czarniecki met zijn vrijkorpsen de Zweedse troepen terugwerpt, pakken zijn horden ook de Joden aan. Men beschuldigt hen ervan gemene zaak met de Zweden te hebben gemaakt. In Gnesen, Lissa, Plotsk en vele andere steden wordt de joodse bevolking onder afschuwelijke martelingen om het leven gebracht. Na de bestorming van Lenczycakomen bijna driehonderd families om het leven en in Kalisch zeshonderd.

Onmetelijk is de gruwelijke oogst die de dood heeft binnengehaald, verschrikkelijk de leemte die acht jaren van terreur – van 1648 tot 1656 – in de gelederen van het Poolse Jodendom hebben achtergelaten. Het aantal vermoorde Joden wordt geschat op driehonderd-, zo niet vijfhonderdduizend. Bijna zevenhonderd gemeenten zijn volkomen van de aardbodem verdwenen of bestaan nog slechts uit enkele overlevenden. Negentig procent van de joodse bevolking in Wolhynië en Podolië bestaat niet meer, is vermoord, weggesleept, gevlucht; hun woonplaatsen zijn verwoest en verbrand. Het lijden gedurende de kruistochten werd erdoor in de schaduw gesteld, de tijden van de ‘zwarte dood’, de rampen in Spanje werden er verre door overtroffen. Het bloeiende joodse centrum in Polen was vernietigd. ‘Door een dergelijke ramp,’ schreef een tijdgenoot, ‘is Israël sinds de ondergang van zijn rijk nog nooit getroffen.’

West-Europa was getuige van de gevolgen, zag de opgejaagde mensen die aan deze hel hadden kunnen ontsnappen. Plotseling doken overal hele scharen vluchtelingen op, in Hongarije, in Moravië en in Bohemen, in de straten van Frankfort, Hamburg, Amsterdam, Venetië. Overal namen de joodse gemeenten hen op. Ook werden allen vrijgekocht die door de Tataren naar Turkije waren weggesleept. Uit geheel West-Europa kwamen geldschenkingen om hen los te kopen.

Het keerpunt in de geschi~denis van het Poolse Jodendom was aangebroken. Na deze catastrofe begon in het Oosten de ondergang van de grootste diasporagemeente die ooit ter wereld had bestaan. Polen, eens gedurende lange tijd het toevluchtsoord van de uit Midden-Europa verdreven Joden, werd nu een land van emigratie. Sedert 1648 begon de stroom van joodse uitgewekenen terug te vloeien … naar het Westen.

Monument van Bogdan Chmielnicki opgericht in 1888 in Kiev, de hoofdstad van Oekraïne. Tot op vandaag wordt de Kozakkenleider uit de 17de eeuw in Oekraïne als een nationale held vereerd die, en ik citeer: “de bevrijdingsoorlogen leidde van het Oekraïense volk  tegen de Turken, de Krim Tataren en de Poolse adel. Hij smeedde een militaire alliantie tegen Polen en ondertekende een akkoord met Muscovy in 1654 gekend als het Pereiasliv Akkoord.” Over de massacres op de Joden in de 17de eeuw spreekt in de Oekraïne dan allang niemand meer over … [beeldbron:  Ukraina Tour]


Bronnen:

♦ naar een artikelBogdan Chmielnicki (1595 – 1657)” op de site van The Jewish Virtual Library (JVL)

♦ naar een artikelBohdan Khmelnytsky” op de site From Wikipedia, the free encyclopedia

♦ naar een artikel van Werner Keller “De moordpartijen in Polen” in zijn boek “Und wurden zerstreut unter alle völker” uitgegeven in 1966 door Droemer/Knaur; ISBN-13: 978-3426044766

Advertenties

2 gedachtes over “Kozakkenleider Bogdan Chmielnicki slacht in 1648/49 tienduizenden Joden af in de Oekraïne

Reacties zijn gesloten.