Jodenvervolging tijdens de Kruistochten 1096-1099 Deel 3: Bekeren of sterven

Na de slachting in Worms van 20 mei 1096 ging de Duitse graaf Emich von Leiningen onverdroten verder met zijn dodenmars. Na vijf dagen bereikte zijn leger Mainz. Ook hier benaderden de joden de plaatselijke aartsbisschop, die zich volgens de kroniekschrijver Albert van Aken voor “een ongelofelijke hoeveelheid geld” liet overhalen. Maar ondanks de betaling deed de bisschop niet veel voor de joden toen Emich voor de deur stond.

“Ze braken deuren en sloten open en doodden de circa 700 verzamelde joden, die zich vergeefs tegen de aanval van het duizendkoppige leger verzetten. Ook vrouwen doodden ze, en met hun zwaard doorboorden ze kinderen van beiderlei kunne en van alle leeftijden ( … ) Het is verschrikkelijk om te vertellen, maar de moeders sneden hun zuigelingen de keel door en staken andere neer, want ze doodden hen liever zelf,” schreef een duidelijk geschokte Albert van Aken.

Onder de joden in Mainz die zich van het leven beroofden was de leider van de gemeenschap, Kalonymus ben Meshullam.

Verschillende handelaren in Mainz probeerden tijdens de slachtpartij de joden te helpen, met wie ze tot kort daarvoor dagelijks samenwerkten, maar even zovelen stonden aan de kant van de kruisridders. Net als in andere steden waar joden werden aangevallen grepen burgers van Mainz die vredig zij aan zij met hun joodse buren hadden geleefd de kans aan om aan de gruwelen deel te nemen, uit wraak of uit jaloezie – of opgezweept door de alomtegenwoordige bloeddorstigheid.

Geestelijken en vorsten klaagden over de kruistocht, maar hun protesten richtten niets uit. Niemand wilde het opnemen tegen een duizendkoppig, goed gewapend en strijdlustig leger; en mocht het al gebeuren, dan zou de troep met de noorderzon zijn vertrokken voordat er een proces op gang gekomen zou zijn. Zelfs dreigementen om ze uit de kerk te zetten hadden geen invloed op de kruisridders, en werden dan ook niet uitgevoerd.

Paus Urbanus II (1035-1099), die protesten van plaatselijke geestelijken kracht had kunnen bijzetten, deed alsof zijn neus bloedde. Ook al had het kruisvaardersleger honderden en misschien wel duizenden joodse levens op zijn geweten, de paus hield de ridders de hand boven het hoofd.

De route van de kruisridders ging door Zuid-Duitsland en langs de rivier de Donau naar het pas gekerstende Hongarije. In de Beierse stad Regensburg werden alle joden de rivier in gejaagd en onder dwang gedoopt. Hoe naar en vernederend die gebeurtenis ook was, ze betekende niet veel voor de joodse samenleving. Zodra de kruisridders uit het zicht waren, pakten de joden hun oude geloof en rituelen weer op.

In juni 1096 bereikten de eerste groepen kruisridders Hongarije, waar ze welkom werden geheten door koning Koloman (1070-1116). Het beloofde rustig door het land te trekken en te betalen voor kost, inwoning en voorraden, maar dat bleek een loze belofte. Na enkele dagen vervielen de ridders tot dronkenschap en struinden ze de omgeving af op wijn en graan.

Al gauw vernielden ze akkers en doodden ze koeien en schapen. Wie de christelijke krijgers tot de orde waagde te roepen, was er geweest. Maar toen ze een jonge Hongaar gevangennamen, een paal door zijn lijf staken en hem te kijk zetten op de markt van Wieselburg in het huidige Oostenrijk, was de maat vol. De koning riep zijn onderdanen op tot verzet, waarna alle kruisridders in de stad werden verdreven of gedood en de vlakten ébezaaid waren met lijken van de doden en gedrenkt in hun bloed”, aldus Albert van Aken.

Toen Emich met zijn gevolg in Hongarije aankwam, mocht hij er niet in. Sommige ridders sloten zich later aan bij de officiële kruistocht, die de zegen van de paus had, andere – onder wie Emich – dropen stilletjes af.

Ondertussen rukte de rest van de Volkskruistocht op naar Constantinopel en verder door Anatolië, waar de wreedheden doorgingen. Half oktober kwam er echter een abrupt einde aan het avontuur toen de kruisridder werden omsingeld door een moslimleger, dat ze insloot in het fort waar ze zojuist aan het plunderen waren geslagen. Hier brachten de kruisridders acht dagen zonder eten en drinken door, waarna ze werden gedood of gevangengenomen.

Met het einde van de Volkskruistocht was de jodenvervolging echter nog niet voorbij. Toen het kruisleger in juli 1099 Jeruzalem veroverde, vluchtten de joden de synagoge in, maar de ridders kenden geen genade jegens de joden of hun heiligdommen.

“De joden hadden zich verzameld in de synagoge, en de Franken (aka de kruisridders) verbrandden ze levend. Ze vernielden ook (…) Abrahams graf,” vertelt de geschiedkundige Ibn Al-Qalanisi. De Joden die ze niet het land uit kregen mits betaling van een som gelds, werden gedoopt of gedood.

Ook in Europa waren joden hun leven niet zeker. Gedurende de hele middeleeuwen werden ze van huis en haard verdreven, op de brandstapel gezet of gedwongen hoeden en bellen te dragen ter onderscheid van anderen. Tot in onze tijd borrelde het antisemitisme onder de bevolking, met de uitroeiing van de joden door de nazi’s als een macaber hoogtepunt.

De Kruisvaarders van de 1ste Kruistocht bereikten in 1099 Jeruzalem


Deel 1: Eerst de Joden dan de moslims

Deel 2: De Volkskruistocht

Deel 3: Bekeren of sterven


Bronnen:

♦ naar een artikelMoord op de Joden” in het magazine Historische Hoogtepunten // Kruistochten; een special van Historia nr. 2/2018; hoofdstuk 6, blz; 54 t/m 61

Advertenties

2 gedachtes over “Jodenvervolging tijdens de Kruistochten 1096-1099 Deel 3: Bekeren of sterven

  1. zeker geen plezante tijd , men wist niet meer dat jezus een jood was en is, zo had de kerk Jezus vergriekst dat hij een vreemde was voor de Joden!!

    Like

Reacties zijn gesloten.