Jodenvervolging tijdens de Kruistochten 1096-1099 – Deel 1: Eerst de Joden dan de moslims

Begin 1096 bereikte de joodse bevolking van het Duitse Rijnland verontrustend nieuws. Brieven en bezoekers brachten de boodschap dat Franse christenen troepen op de been brachten om de moslims uit Jeruzalem en het Heilige Land te verdrijven.

De vrijwilligers waren bevangen door haat, niet alleen jegens moslims maar jegens alle anders gelovigen. De joden in Rouen hadden die haat al ondervonden toen ze door een groep christenen een kerk in gejaagd werden en de keuze kregen: gedoopt of gedood worden. De Duitse joden konden hun borst natmaken, waarschuwden hun Franse geloofsgenoten.

Verschrikt begonnen veel Duitse joden te bidden en te vasten, vertelt de Kroniek van Mainz, rond die tijd in het Hebreeuws geschreven door een anonieme schrijver. Verder konden de Duitse joden alleen maar hopen. ‘We hebben gedaan wat we konden. Moge de Here ons en u redden,’ schreven de Duitse joden hun Franse vrienden terug.

Vervolgingen waren eind 11de eeuw niets nieuws voor Europese joden. Sinds de 7de eeuw werden ze massaal verdreven of onder dwang bekeerd, en elke eeuw daarna kende golven van jodenvervolgingen; soms klein, soms groot. In de stad Metz in het noordoosten van Frankrijk werden de vriendschappelijke betrekkingen tussen joden en christenen in 888 verbroken door een kerkelijke bepaling die de twee groepen verbood met elkaar te eten en te trouwen. In de Duitse stad Trier moesten de joden zich in 1066 van de aartsbisschop vóór pasen bekeerd hebben – een besluit dat echter niet werd uitgevoerd omdat de bisschop voor die tijd vermoord werd.

Eerdere pogroms als deze waren echter altijd beperkt in omvang en duur. Meestal luwde de haat vanzelf weer wat, waarna de christenen en joden de banden weer aanhaalden en vreedzaam verder leefden. Tijdens de kruistochten zouden de jodenvervolgingen echter veel wreder worden. Mannen, vrouwen en kinderen werden onder dwang gekerstend – of onthoofd, gespietst of levend verbrand. Duizenden mensen kwamen om tijdens deze ‘eerste holocaust van de geschiedenis’.

Toen paus Urbanus II in november 1095 opriep tot de kruistocht tegen moslims, gingen de sluizen van de haat open. Veel Europeanen beschouwden de oproep als een vrijbrief om in het geweer te komen tegen de ‘ongelovigen’. In een tijd waarin godsdienst bepaalde welk beeld mensen zichzelf en hun rol in de wereld hadden, maakte de pauselijke oproep om de vijanden van het christendom om het te brengen veel indruk. Niets leek belangrijker dan de juiste christelijke leer verdedigen, met het eeuwige leven als inzet.

Uit de pauselijke preken bleek dat alleen christenen beschouwd konden worden als echte mensen. ‘Een ras vreemd voor God’ en ‘het Kwade Ras’, zo noemde de paus de moslims. De christelijke boodschap van naastenliefde was daarmee tenietgedaan. Doordat een anders gelovige geen ‘naaste’ was, kon de haat de vrije loop krijgen. En als moslims geen mensen waren, dan lag voor de hand dat ook joden in de categorie ‘ongelovigen’ vielen – en uitgemoord mochten worden. Het antisemitisme floreerde al een tijd in Europa, en in de ogen van veel christenen waren de joden minstens zo goddeloos als de moslims. Zij hadden immers Jezus ontkend toen hij leefde, en het was een gangbare opvatting dat de joden de eigenlijke schuldigen waren aan Jezus’ dood aan het kruis.

Voor veel Europeanen sprak het voor zich dat de joden eerst bestreden moesten worden voordat de moslims aan de beurt waren. Aanvankelijk werd die opvatting gesteund door de bovenste gelederen van de kruistochthiërarchie. Godfried van Bouillon zelf, een van de belangrijkste leiders van de kruistocht en later de eerste regent van christelijk Jeruzalem, wilde dat pad pas inslaan “nadat het bloed van de gekruisigde is gewroken met joods bloed en nadat elk spoor van het woord ‘Jood’ is uitgewist”. De invloedrijke benedictijner monnik Sigisbert van Gembloers stemde daarmee in, want “een oorlog voor de Heer” kon pas plaatsvinden als de joden bekeerd waren. Wie weerstand bood, zou alles worden ontnomen en worden “afgeslacht en de stad uit gegooid”, aldus Sigisbert.

Het dreigement om joden hun bezit af te pakken was niet toevallig. Veel kruisridders hadden joods geld geleend. In de vroege middeleeuwen mochten alleen joden rente heffen, iets wat de christenen door de kerk verboden was. Door de joden te belagen sloegen de kruisridders dus twee vliegen in één klap: ze waren van hun schuld af en konden Gods wil een handje helpen door de ongelovigen te doden of bekeren.

De anti-joodse uitspraken van Godfried van Bouillon kwamen ook Kalonymus ben Meshullam, de leider van de joodse bevolking in de Duitse stad Mainz ter ore. Hij bracht de zaak voor keizer Hendrik IV van het machtige Heilige Roomse Rijk, waarna Godfried onmiddellijk terugkrabbelde. Zijn uitspraken moesten niet zo letterlijk worden opgevat, zei de Franse hertog.

De joden in Mainz en Keulen waren echter niet overtuigd, dus toen Godfried en zijn kruisridders eraan kwamen, zamelden de joden geld in en stuurden ze 500 zilverrnarken naar het kruisvaardersleger. Zo ontsprongen ze de dans en bleef een doop hun bespaard. Maar de meeste joden kwamen er minder genadig vanaf, vooral wanneer ze te maken kregen met het godsdienstfanatisme van de leden van de zogeheten Volkskruistocht.


Deel 1: Eerst de Joden dan de moslims

Deel 2: De Volkskruistocht

Deel 3: Bekeren of sterven


Bronnen:

♦ naar een artikelMoord op de Joden” in het magazine Historische Hoogtepunten // Kruistochten; een special van Historia nr. 2/2018; hoofdstuk 6, blz; 54 t/m 61

Advertenties

2 gedachtes over “Jodenvervolging tijdens de Kruistochten 1096-1099 – Deel 1: Eerst de Joden dan de moslims

  1. Dit is op toodlessss herblogden reageerde:
    Frankrijk: al eeuwen in de voorhoede als het op anti_Semitisme aankomt. Accepteer het en realiseer het je dagelijks. Het is me een raadsel waarom zoveel Joden in Frankrijk een homestead hebben gevonden. Waarom juist daar?

    Like

Reacties zijn gesloten.