Rode Leger Joden in de vooroorlogse Sovjet-Unie; Sovjets of Joden?

Joodse Sovjet soldaten

“’Ik was al geruime tijd aan het front en had allerlei gruwelijke dingen gezien, maar niets is te vergelijken met wat ik hier zie. De lijken liggen  drie meter hoog in diepe sloten opgestapeld. Niemand kent het aantal doden – er moeten er zoveel zijn als er mensen in Liady waren. Hier liggen baby’s, kinderen en oude mensen – alle Joden van Liady … “

Aldus schreef Vladimir Pomerantsev, een officier in het Rode Leger en een voormalige correspondent van een Jiddische krant, aan de redacteuren van de Sovjet Jiddische krant Eynikayt (Eenheid). Op 8 oktober 1943 behoorde Pomerantsev tot de groep soldaten van het Rode Leger om de sjtetl van Liady in Wit-Rusland te betreden – een van de eerste locaties in de voormalige Joodse Pale of Settlement (Vestigingsgebied *) die bevrijd moesten worden van de nazi’s op Sovjet-grondgebied. In de sjtetl waren de met afschuw vervulde soldaten getuige van de opening van een graf waar op 2 april 1942 1800 Joden waren vermoord en begraven.

Een etnische Rus genaamd Izvekov schreef over dezelfde gebeurtenis in een brief aan Ilya Ehrenburg. Zowel de Joodse Pomerantsev als de Russische Izvekov merkten op dat mensen over de hele wereld moeten weten van de gruweldaden die door de nazi’s zijn gepleegd. Hoewel Izvekov oprecht sympathiseerde met de Joden die waren vermoord, waren zij voor hem in de eerste plaats Sovjetburgers. In zijn brief waren er geen aanwijzingen dat ze waren gedood omdat ze Joden waren.

Voor Pomerantsev betekende de moord op de Joden in Liady daarentegen het einde van de Joodse geschiedenis, de fysieke vernietiging van de hele Joodse wereld. In zijn tekst ‘Sweet and Fatty Tzimmes‘ – hij kreeg op een gegeven moment het Joodse traditionele gerecht (een gestoofde zoete wortelschotel) voorgeschoteld in de lokale verzamelzaal van de kolchose (collectieve boerderij) voor de oorlog – werd dat gerecht een van de symbolen van het verdwenen Joodse verleden.

Sovjet soldaten staan ​​in 1943 voor een massagraf in Liady, Wit-Rusland [beeldbron: Yad Vashem/J-Post]

Pomerantsev stond niet alleen in zijn perspectief op de massamoord op de Joden. In juni 1941 koos auteur en militaire correspondent Vasily Grossman ervoor om niet naar het door de nazi’s bezette Berdichev te reizen om zijn moeder in Moskou te redden. Haar dood tijdens de Holocaust was een van de belangrijkste trauma’s van zijn leven. Het was daarom niet toevallig dat Grossman’s bekendste roman Leven en Lot een afscheidsbrief ‘Brief van Moeder‘ bevatte aan Shtrom, de Joodse hoofdheld van het boek.

In 1944, zodra de gelegenheid zich opnieuw voordeed, reisde Grossman naar zijn geboorteplaats Berdichev waar hij hoorde van de omstandigheden van de dood van zijn moeder. Als een co-editor met Ilya Ehrenburg van The Complete Black Book of Soviet Jewry, een schokkende bloemlezing uit de eerste hand van de Nazi-massamoord op Sovjet-Joden verzameld door Joodse Russische verslaggevers aan het einde van de oorlog, schreef Grossman natuurlijk de tragisch lot van de Joden van zijn geboorteland Berdichev. Grossman’s verhaal is een van de verhalen die zijn opgenomen in het online project van Yad Vashem: ‘Joden in het Rode Leger: 1941-1945.’

Eerder, aan het eind van 1943, publiceerde Grossman een artikel in Eynikayt, getiteld ‘Oekraïne zonder Joden‘, waarin hij hetzelfde standpunt uitsprak als dat van Pomerantsev over de Joodse wereld die niet langer bestond:

In Oekraïne zijn er geen Joden [meer]. Nergens – niet in Poltava, Kharkov, Kremenchug, Borispol, niet in Lagotin. Je zult de zwarte, met tranen gevulde ogen van een klein meisje niet zien, je zult de bedroefde lijzige stem van een oude vrouw niet horen, je zult geen glimp opvangen van het donkere gezicht van een hongerig kind in een enkele stad of een enkele van honderden van duizenden sjtetls. Stilte. Stilte. Er is een volk vermoord.”

Joden in de Oekraïne in 1915 poseren met hun Thora-rollen [beeldbron: Encyclopedia of Ukraine]

Mordechai Altshuler, emeritus hoogleraar van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem en een van de leidende onderzoekers in de studie van Sovjet-Joden, wees erop dat de Holocaust een verbindende factor werd voor brede segmenten van de Sovjet-Joodse bevolking. Dit gold zeker voor Joodse soldaten. In hun wens om zich aan te passen aan de hedendaagse Sovjet-gedragswijzen, toonde vóór de oorlog een aanzienlijk aantal jonge Joden in de Sovjet-Unie weinig belangstelling voor hun etnische identiteit.

“Nationaliteit”, of etnische afkomst, was formeel aangegeven in Sovjet-identiteitspapieren, maar het had geen beperkingen op iemands opleiding of carrière. Zo’n onverschillige houding ten opzichte van hun etnische afkomst was niet alleen kenmerkend voor Joden die in de belangrijkste steden Moskou of Leningrad waren geboren, maar ook voor Joden die veel meer bekend waren met de geschiedenis van hun families of die waren opgegroeid in een traditionele Joodse omgeving.

Een voorbeeld van de laatste was Benjamin Galiuz, die vóór de oorlog in de provincie Vinnitsa in Oekraïne had gewoond. Galiuz diende vanaf het allereerste begin van de oorlog in het Rode Leger. Na de bevrijding van Oekraïne in 1944 ontdekte Galiuz dat zijn ouders tot de 44 leden van zijn familie behoorden die door de nazi’s waren vermoord. Galiuzs kijk op de gebeurtenissen van de Holocaust was vergelijkbaar met die van Pomerantsev en Grossman.

In een brief die hij in 1945 aan Ehrenburg schreef, zei Galiuz: “Ik ben door bijna heel Estland, Litouwen en Polen gereisd, maar nergens heb ik een enkele Jood ontmoet, alleen [verlaten] kleine huizen in steden en dorpen alsof ze weenden om hun [voormalige] inwoners.” De nostalgie van deze soldaat naar het Joodse verleden werd nog krachtiger uitgedrukt toen hij tijdens militaire operaties in Polen op de zolder was van een huis waar de Joden ooit hadden gewoond. “Ik vond veel Joodse boeken die ook schenen te huilen om hun eigenaars”, schreef hij. “Ik ben niet religieus, maar toen ik een Pascha Haggadah nam en begon te lezen, begonnen de tranen als rivieren uit mijn ogen te stromen …”

door Dr. Arkadi Zeltser

[*]Het Vestigingsgebied (in het Russisch chertá osédlosti) werd in 1791 opgericht door Tsarina Catharina II aka de Grote, na verschillende mislukte pogingen van haar voorgangers, met name Tsarina Elizabeth Petrovna, om de Joden helemaal uit Rusland te verwijderen, tenzij ze zich bekeerden tot de Russische orthodoxie, de staatsgodsdienst. Het gebied lag ten westen van het Russische Rijk met verschillende grenzen dat bestond van 1791 tot 1917, waarin de Joden verplicht moesten wonen. Daarbuiten was het wonen van Joden – permanent of tijdelijk – verboden of straffe des doods. Op zijn hoogtepunt telde het Vestigingsgebied, met inbegrip van de nieuwe Poolse en Litouwse gebieden, een Joodse bevolking van meer dan vijf miljoen inwoners en vertegenwoordigde op dat moment het grootste deel (40 procent) van de Joodse bevolking ter wereld. Na de Oktober Revolutie van 1917 werd het Vestigingsgebied opgeheven.


Bronnen:

♦ naar een artikel van Dr. Arkadi Zeltser “Jews or Soviets? – Identity Challenges Faced by Jewish Soldiers in the Red Army when they Encountered the Holocaust” van 8 mei 2018 op de site van The Times of Israël

♦ naar een artikel van Marion Fishel “Red Army Jews in pre-war Soviet Union” van 8 mei 2018 op de site van The Jerusalem Post

Advertenties