Wie zijn de ‘B’alestijnen? Het fantasmatische verhaal van een uitgevonden volk

Het Palestijnse verhaal in het Heilig Land steunt zich op hun waarneembare positie als een inheems volk dat al duizenden jaren in het land woonde, lang vooraleer de eerste Jood op het toneel zal verschijnen. Voor ongeïnformeerde waarnemers is Palestina de authentieke naam van dat gebied.

Plaatje hierboven: Marokkaanse Bedoeïenen doorkruisen op hun kamelen de woestijngebieden van Noord-Afrika tot in het Midden-Oosten, anno 1920. Honderden van hen zullen zich – na de komst van Joodse immigranten in de 2de helft van de 19de eeuw – vestigen in het Heilig Land en zich vanaf 1964 ‘Palestijnen’ gaan noemen [beeldbron: Flickr]

Overigens is de ‘B’ van Balestijnen in de titel van dit artikel geen foutieve spelling. Anat Berko van Likoed zei hierover het volgende: “Zoals we hebben opgemerkt, bestaat de letter ‘P’ niet eens in het Arabisch, dus de geleende term (Palestina) is het waard om naar te kijken. De kaarten bevestigen tenslotte dit ‘feit’.” Toen Berko hierop werd aangesproken door linkse parlementsleden, vervolgde hij: “Dat zijn de feiten, ik zal ze u toesturen. Het is goed.”

Dit zijn feiten. Het is waar, ze nemen niets weg van het Palestijnse verhaal, dat veel gaten vertoont zoals het wordt gepresenteerd. Het idee dat de Palestijnen zelf hun naam als ‘Balestijnen’ uitspreken, is voor niemand een kwestie van maken of breken. Als hun ‘nationale’ verhaal solide was, dan kan men aannemen dat de ‘P’ een buitenlandse introductie was. Ze beweren immers dat de Joden buitenlandse introducties waren van het Land van Israël.

Hoewel, feit is dat de meeste mensen tot voor kort het Land van Israël of’ ‘Palestina’ beschouwden als behorend tot het Joodse volk. Moslimbronnen benadrukken dat het Heilig Land behoort aan de Kinderen van Israël. Volgens de christelijke gedachte staat het buiten kijf dat het Heilig Land in feite historisch Joods is.

Natuurlijk beschouwde elke groep onze tweeduizend jaar oude ballingschap als een soort van straf voor het niet volgen van hun respectievelijke leider, maar het punt van voorouderlijk eigendom wordt volledig bevestigd in ieders theologische visie.

In februari 2014 publiceerde Israel HaYom een artikel “The fabricated Palestinian history” van Nadav Shragai van 7 februari 2014, omtrent het Palestijnse fantasmatische verhaal. In dat artikel wordt o.m. het volgende gesteld:

“Op 31 januari in München verklaarde Saeb Erekat, de hoofdonderhandelaar van de Palestijnse Autoriteit in de door de VS-bemiddelde Israëlisch-Palestijnse gesprekken, dat Palestijnse Arabieren “Israël niet als de Joodse staat kunnen accepteren omdat ze in de regio leefden lang voor de Joden. In het kader van het huidige debat over de Jordaanvallei [en Israëls aandringen op het behoud van zijn eigen troepen in het gebied als onderdeel van een overeenkomst met de Palestijnse Autoriteit], beweerde Erekat dat zijn voorouders de echte afstammelingen van de Kanaänieten waren en in het gebied leefden, 5.500 jaar vóór Joshua bin-Nun [volgens de Torah, de opvolger van Mozes die de Israëlieten naar het Beloofde Land leidde]”

Het is niet mijn bedoeling om tijd te spenderen aan het gebrek aan historische steun voor zo’n absurde bewering, maar om dit eerder in verband te brengen met de explosie van gisteren in de Knesset over de werkelijke waarachtigheid van de Palestijnse claim om inheems te zijn.

Misschien heeft Auni Bey Abdul-Hadi, de leider van de Palestijnse Arabieren in 1937, de waarheid al begrepen. Hij zei: “Er is geen dergelijk land [als Palestina]! ‘Palestina’ is een term die de Zionisten hebben uitgevonden! Er is geen Palestina in de Bijbel. Ons land was eeuwenlang een deel van Syrië.” Dat laatste ging alvast de goede kant uit.

Dit alles mag niet verkeerd worden geïnterpreteerd om mensen van hun individuele vrijheden hier in ons land de rechten te ontzeggen. Ieder van ons zou moeten leren om de individuele rechten te respecteren, ongeacht of het individu een verhaal heeft dat compleet verzonnen is of dat om de paar jaar verandert om aan de politieke behoeften te voldoen. Wat echter wel belangrijk is, is dat het onze behoefte aan ondersteuning van dergelijke gezichtspunten in twijfel trekt bij het bespreken van de toekomst van ons voorouderlijk thuisland.

Dus ja, wat met de Palestijnen? De fantasieën over Kanaänieten en Filistijnen zijn precies dat, met die volkeren die eeuwen voor het begin van de jaartelling zijn verdwenen. Vóór het midden van de jaren zestig identificeerden de Arabieren van Palestina zich niet eens als een afzonderlijk volk, omdat ze zichzelf beschouwden als deel van de grotere Arabische natie.

Na het uiteenvallen van het Ottomaanse rijk voerde het Palestijnse Arabische leiderschap aan dat de delen van het rijk die het Palestijnse mandaat zouden worden, feitelijk ‘Zuid-Syrië’ waren, zonder enige unieke politieke identiteit. De Palestijnse Arabieren zelf hadden geen unieke taal of religie en hun oorsprong was meervoudig. Hoewel sommigen waarschijnlijk afstamden van inheemse Joden of van de oorspronkelijke Arabische veroveraars van Palestina uit de 7de eeuw, kwamen veel Arabische clans pas veel later toe.

Allen Hertz merkt op dat ziekte, oorlog en hongersnoden de bevolking in Palestina sterk hadden verminderd tegen het begin van de 19de eeuw, maar …

“… van tijd tot tijd zijn er ook herhaalde golven van nieuwe migranten afkomstig uit verschillende ethnoreligieuze groepen, zowel uit aangrenzende regio’s als daarbuiten …

Aan het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw nodigden regionale heersers zoals Zahir al-Umar (Bedoeïenen), Ahmet al-Jazzar (Bosnisch) en Mehmet Ali (Albanees) boeren en andere moslimmigranten uit Egypte, de Balkan en elders uit om te helpen het land te bevolken. Bovendien waren er altijd nieuwkomers die zonder toestemming aankwamen. Bijvoorbeeld, van de zestiende tot de achttiende eeuw, migreerden Bedoeïenen uit naburige regio’s significant naar het Heilige Land, waar sommigen sedentair werden, zoals aangemoedigd door de Ottomanen.

In de tweede helft van de 19de eeuw sponsorde de Ottomaanse regering af en toe gesponsorde nederzettingen in het Heilige Land door islamitische vluchtelingen – zoals Tataren, Circassians en Tsjetsjenen die hun thuisland moesten ontvluchten vanwege de wijdverspreide Russische vervolging. We kunnen dus gemakkelijk begrijpen waarom het gedetailleerde artikel over het grotere ‘Palestina’ in de Encyclopedia Britannica uit 1911 (hoewel we de druze op grove wijze weglaten) verwijst naar niet minder dan twintig etnische groepen. Namelijk, onder de lokale bevolking zijn Arabieren, Bedoeïenen, Joden, Perzen, Afghanen, Nawar, Turken, Turkomans, Armeniërs, Duitsers, Grieken, Italianen, Bosniërs, Motawila, Koerden, Circassians, Egyptenaren, Soedanezen, Algerijnen en Samaritanen. …

Het Hope Simpson Report van oktober 1930, de Peel Commission van juli 1937 en de Palestijnse Enquête uit 1946 van de lokale regering waren het er allemaal over eens dat er niet veel effectieve controle was over landgrenzen die tijdens het interbellum vooral open bleven voor Arabische migranten zonder papieren die op zoek waren naar kansen in West Palestina. De aantrekkingskracht daar was de door de Joden gedreven lokale economie, die fameus sneller groeide dan in de Arabische buurlanden. …”

Het is waarschijnlijk waar dat op een paar uitzonderingen na, de meeste van de huidige Palestijnse Arabieren afstammen van mensen die niet eerder dan 1830 naar de regio zijn gemigreerd. Wat uiteindelijk de ongelijksoortige verzameling ‘Palestijnen’ in een Palestijnse natie bracht, was het verzet tegen de Joodse staat.

Maar zelfs na 1948 zagen de Palestijnse Arabieren zichzelf nog steeds als onderdeel van een grotere pan-Arabische natie, en pas na 1967 – onder de voogdij van de KGB (de Russische geheime dienst), die de public relationswaarde van het worden van een beweging van nationale bevrijding verklaarden – begonnen ze naar zichzelf verwijzen als een natie. Een mythe was geboren.

Plaatje uit 1859 van biddende Joden aan de Klaagmuur, dat algemeen aanzien wordt als één van de oudste bestaande foto’s van de Klaagmuur die getrokken zijn in de prille jaren van de fotografie [beeldbron: Special Collections, Fine Arts Library, Harvard University. 1859]


Bronnen:

♦ naar een artikel van David Mark “Who are the Balestinians?” van 28 februari 2018 en een artikel van Vic Rosenthal “The Narrative” van 27 maart 2018 op de site van Israel Rising

Advertenties