Tien fundamentele feiten die de pijlers zijn van het vredesproces

Talloze juristen doorheen de jaren zijn telkens na lange en uitgebreide studies tot de conclusie gekomen dat volgens het internationaal recht Israël wel degelijk rechten kan laten gelden op de zogenaamde ‘bezette gebieden’ in [Oost-]Jeruzalem en op de Westelijke Jordaanoever. Tegenstanders van het bestaansrecht van Israël bevinden zich in de eerste plaats onder de naties die in november 1947 tégen de Tweestatenoplossing (beter gekend als het Verdeelplan aka VN-Resolutie 181) hebben gestemd en onder diegenen die na de onafhankelijkheidsverklaring door Israël op 14 mei 1948 de soevereiniteit van de Joodse staat weigerden (en nog steeds weigeren) te erkennen.

In hun zog volgden later (en vooral na 1967) westerse landen die zich langzaamaan de anti-Israëlretoriek eigen maakten. Nochtans hadden die laatsten de juridische geldigheid en rechtmatigheid van Israël eerder vastgelegd en goedgekeurd in verschillende akkoorden en resoluties (bv. het San Remo akkoord van april 1920) maar wensen onder druk van de Arabische wereld op hun stappen terug te keren en de door hun in het verleden ondertekende akkoorden ongedaan te maken dan wel te ontkennen of het bestaan ervan te negeren. Het makkelijkste voor iedereen zou dan ook zijn dat Israël vrijwillig zou afzien van haar juridische aanspraken en zichzelf de facto zou opheffen als staat van het Joodse Volk.

Niét dat er dan vrede zou komen in het Midden-Oosten maar Israël zou tenminste van de kaart zijn geveegd en dat excuus van het bestaan van de Joodse staat, dat aan de basis zou liggen waarom de Arabische landen al decennialang onderling uitputtende religieuze en territoriale oorlogen voeren, zou alvast van de baan zijn. Het lijkt echter weinig waarschijnlijk dat Israël ooit vrijwillig zal verzaken aan het internationaal recht, omdat die de legitimiteit en dus het cement vormt van het feitelijke bestaan van de Joodse Staat. Hieronder somt ambassadeur Alan Baker andermaal tien fundamentele feiten op die aan de basis liggen van het vredesproces.


[1.] Er bestaat niet zoiets als de ‘Palestijnse gebieden.’ Een dergelijke entiteit werd als dusdanig nooit vastgesteld in geen enkel bindend internationaal document, overeenkomst of resolutie. De definitieve status van de Westelijke Jordaanoever is nog steeds een afgesproken te onderhandelen kwestie en er mag niet op vooruitgelopen worden door om het even welke politieke verklaring of een uitspraak.

[2.] De gebieden worden ‘betwist’, niet ‘bezet.’ Het internationaal recht heeft betrekking op de bezetting van buitenlands grondgebied van een vroegere wettige soeverein. Het gebied van de Westelijke Jordaanoever (Judea en Samaria) is niet buitenlands en heeft sinds onheuglijke tijden, sinds minstens 1500 v. Chr., deel uitgemaakt van de inheemse Joodse aanwezigheid in het gebied, die internationaal historisch is geaccepteerd en erkend in internationale documenten .

[3.] Elke christen gelovige kan het feit niet ontkennen dat Jezus een Jood was die in het gebied leefde, als onderdeel van de historische Joodse aanwezigheid, een aanwezigheid die wordt bevestigd door historische en archeologische bewijzen.

[4.] Israël en het Joodse Volk hebben zeer goed gefundeerde en langdurige onvervreemdbare, inheemse, historische, juridische en internationale rechten in het gebied met inbegrip van de de Westelijke Jordaanoever. Deze rechten worden ontzegd en over het hoofd gezien door de internationale gemeenschap. Israël heeft ingestemd om te onderhandelen over de definitieve status van dit gebied. Op het resultaat van deze onderhandelingen mag niet worden vooruitgelopen.

[5.] Aanspraken van Palestijnse woordvoerders op een inheemse of historische status of aanwezigheid zijn duidelijk vals en misleidend. De Arabische aanwezigheid in het geografische Palestina begon in 630 na Chr. en omvatten bedoeïenen stammen en families die gegenereerd waren vanuit de Arabische Peninsula naar het gebied van het geografische Palestina op zoek naar werk en economisch voordeel.

[6.] De bewering dat de Israëlische nederzettingen ‘onwettig’ zijn is een onjuiste lezing van het internationale recht en loopt op zichzelf vooruit op een afgesproken te onderhandelen kwestie. Het verbod op gedwongen overdracht van de bevolking naar ‘bezet gebied’ werd opgesteld in het Vierde Verdrag van Genève van 1949 om een herhaling van de massale, gedwongen verplaatsing van bevolkingen van de nazi’s te voorkomen. Het was niet de bedoeling en kan ook zo niet worden uitgelegd, van toepassing zijn op de gemeenschappen van Israël op de Westelijke Jordaanoever.

[7.] In overeenstemming met internationale normen met betrekking tot beheer van grondgebied, wordt het bouwen van en binnen deze Israëlische gemeenschappen strict beperkt tot grond die geen particulier eigendom is en valt onder de wettelijke supervisie van het Israëlische Hooggerechtshof.

[8.] Vertrouwen op de term ‘grenzen van 1967’ of ‘lijnen’ heeft geen wettelijke basis of is geen feit en kan en mag geen referentiepunt vormen in de onderhandelingen. De Wapenstilstand demarcatielijn van 1949 werd duidelijk bepaald niet een grens te vormen. De term ‘grenzen van 1967’ of ‘lijnen’ worden niet genoemd in de Oslo-akkoorden. Alle partijen hebben de oproep van de VN-Veiligheidsraad met Resolutie 242 (1967) aanvaard tot ‘veilige en erkende grenzen.’ Deze resolutie maakt geen verwijzing naar ‘1967 lijnen.’

[9.] De voortdurende Palestijnse ophitsing tot haat tegen Israël, sponsoring en ondersteuning van de campagne om Israël te boycotten, desinvesteren en sancties, bedreigingen om Israëlische leiders te vervolgen in internationale tribunalen en bedreigingen om de Verebigde Naties en internationale instanties aan te spreken, zijn allemaal volstrekt onverenigbaar met elk bonafide onderhandelingen voor vrede in het gebied. Deze verschijnselen zijn een schending van de Palestijnse verplichtingen. Duidelijke en definitieve maatregelen moeten worden genomen door de Palestijnse leiders om aan deze verschijnselen onmiddellijk een einde te maken.

[10.] Elke poging om de aanwezigheid te verbieden of te ontkennen van Joden in om het even welk gebied is een gruwel voor alle geaccepteerde beschaafde en humanitaire normen en moet totaal en volkomen worden afgewezen.

door Alan Baker


Amb. Alan Baker, directeur van het Jerusalem Centrum voor Publieke Aangelegenheden (JCPA), nam niet enkel deel aan de onderhandelingen en het opstellen van de Oslo-akkoorden met de Palestijnen, maar ook aan de overeenkomsten en vredesverdragen met Egypte, Jordanië en Libanon. Hij trad op als juridisch adviseur en plaatsvervangend directeur-generaal van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken en als de Israëlische ambassadeur aan Canada.


Bronnen:

♦ naar een artikel van ambassadeur Alan Baker “Ten Fundamental Facts Underlying the Peace Process” gepubliceerd 2 maart 2014 op de site van het Jerusalem Center for Public Affairs; eerder op deze blog verschenen op 4 maart 2014

Advertenties