Israel als een Joodse Staat en de Wet op de Terugkeer [Lawrence J. Epstein]

Tussen 15 mei 1948 en 31 december 1951 bereikten 686.739 Joodse immigranten de kersverse staat Israël. Op 5 juli 1950 stemde de Knesset, het Israëlische parlement, de Wet op de Terugkeer goed (Wet 5710-1950). Deze wet over de immigratiekwestie werd enkele jaren later opgevolgd door de Nationaliteitswet van 1952 (Wet nr. 5712-1952). Deze twee wetten combineren religie, geschiedenis, nationalisme en democratie op zo’n wijze, dat die op het eerste gezicht vrij uniek lijkt voor Israël. Echter, dat is zeer zeker niet het geval, zoals uit de bijgevoegde tekst van Lawrence J. Epstein zal blijken.

De Wet op de Terugkeer, een van de belangrijkste basisprincipes van  het Zionisme, verklaart dat Israël niet enkel het nationaal huis is voor de inwoners van de staat maar tevens ook het tehuis is voor alle leden van het Joodse volk waar ook ter wereld, en waar ze in armoede leven en angst voor vervolging of hun welvaart en veiligheid worden bedreigd. De wet geeft het recht van terugkeer naar Israël van als Jood geborene (met een Joodse moeder of grootmoeder van moeders), die van Joodse afkomst is (met een Joodse vader of opa), of zich bekeert heeft tot het Jodendom (orthodoxe, Hervormingsgezinde of conservatieve geloofsbekeringen moeten plaatsvinden buiten de staat, die het best vergelijkbaar zijn met bijvoorbeeld de burgerlijke huwelijken).

De Wet op de Terugkeer ligt al van bij haar goedkeuring bij tegenstanders van de Joodse staat onder vuur. Het hoe en het waarom van het vasthouden aan die fel gecontesteerde wet, wordt hieronder in dit opinieartikel van de hand van Lawrence J. Epstein perfect uitgelegd.


Israël als een Joodse staat

Lawrence J. Epstein

In 1896 publiceerde Theodor Herzl ‘Der Judenstaat’ [De Jodenstaat], zijn nationaal plan van een thuisland voor het Joodse volk. Het pamflet werd dikwijls verkeerd vertaald als ‘De Joodse staat’ Het woord ‘Juden’ werd gebruikt door hen die de Joden haatten en vervolgden. Herzl’s boodschap om zijn pamflet De Jodenstaat te heten was het epiteton te herroepen door op te werpen dat echte Joden trots en bekwaam genoeg waren om hun eigen natie te stichten. Toen de visie van Herzl van een veilige haven, ver weg van de moordende handen van de vijanden van de Joden, en die gedompeld was in de Joodse voorvaderlijke banden met het land van Israël, werd het hedendaagse politieke Zionisme een potentiële historische macht.

Israël, zoveel is zeker, werd niet opgezet als een Joodse staat in een religieuze betekenis. Het blijft een democratie en geen theocratie. Het Judaïsme (cfr. Jodendom) is niet de staatsgodsdienst van Israël. Dit in tegenstelling tot vele andere landen die wel staatsreligies hebben zoals Denemarken (Lutheranisme), Griekenland (de Grieks-Orthodoxe Kerk van Griekenland) en Thailand (boeddhisme), en zeker niet te vergeten verscheidene naties die zich tot een islamitische staat hebben verklaard, zoals Afghanistan, Iran, Pakistan, Saudi-Arabië en Jemen. Het klopt dat Joodse feestdagen ook nationale feestdagen zijn, maar dat is nauwelijks uniek in de wereld. Weinig niet-Christelijke burgers in de Verenigde Staten [en de rest van Europa inbegrepen België en Nederland, nvda] bijvoorbeeld, ijveren voor het recht om te mogen werken op Kerstmis.

Echter, het feit dat het Arabisch een officiële taal is in Israël, of dat de Arabieren kunnen stemmen en dat ook doen en in de Knesset zetelen, of het feit dat zij juridische gelijkheid genieten in de staat, wist niet de inherente spanningen uit in het land tussen enerzijds Joden die leven in een staat van de Joden en anderzijds die heidenen die eveneens leven in een staat van de Joden. Het is niet zo dat Joden zichzelf beschouwen als superieur, maar dat ze zichzelf beschouwen als noodzakelijk om de politieke controle te behouden [over de staat Israël]. Tegelijkertijd heeft de Israëlische Joodse bevolking niet de wens zichzelf als speciaal of uitzonderlijk te zien. Als dat wel het geval zou zijn, zou het nooit niet-Joodse burgers of ingezetenen toelaten [op haar grondgebied], of op zijn minst beletten dat niet-Joden stemrecht zouden hebben.

Maar als Israël een democratie wil zijn, kan het dan nog haar identiteit als Joodse natie bewaren? De morele last die weegt op Israël met deze vraag is te bepalen of de voortzetting van de status als een toevluchtsoord voor Joden gerechtvaardigd is en om na te denken of dat het uit de pas loopt met het karakter van de tegenwoordige multi-culturele tijden. Sinds tijdens de vorige eeuw al ruimschoots bewezen is dat Joden zonder land het slachtoffer worden aan barbarisme zonder voorgaande, omdat haat tegen Joden en rechtstreekse aanvallen blijven voortduren, en omdat een Iraanse president uitgelaten stelt dat wat hij wil de ‘eerste’ Holocaust zal zijn, is het moeilijk om te betogen dat een toevluchtsoord voor Joden niet langer meer nodig is.

Maar past een ‘Joodse staat’ dan nog wel tussen de hedendaagse natiestaten door zich te richten op een specifiek deel van de bevolking? Deze vraag wordt vaak gezien in het licht van het immigratiebeleid van Israël. Immers, de Wet op de Terugkeer geeft alle Joden en hun echtgenoten automatisch het recht zich te vestigen in het land en staatsburgers van Israël te worden. “Als Israël een democratie is”, vragen sommigen zich af, “waarom zou dan dat recht slechts van toepassing [mogen] zijn op de Joden?”

Een deel van de reden is natuurlijk dat de ware bestaansreden voor Israël is te zorgen voor dat land wat in de ganse wereld het enige nationale thuis is voor de Joden. En toch, moest Israël het enige land zijn met een dergelijke bestaande wet, zou haar morele gezag hierdoor aanzienlijk worden verminderd. Dat is echter niet het geval. Alle landen, het ene wat strikter dan het andere, controleert iedereen die het land wil binnenkomen, hoe lang ze willen blijven en of die in aanmerking komt voor het staatsburgerschap. In Bulgarije wordt het staatsburgerschap toegekend gelijk wie die afstamt van een Bulgaarse burger zoals werd vastgelegd door een rechterlijke uitspraak. Mensen die niet geboren zijn in Ierland, maar die een Ierse oma of opa heeft, mag zijn/haar aanspraken laten gelden op het Ierse staatsburgerschap. Enzovoort. Israël is beslist geen uniek geval, zoveel is wel zeker.

De Wet op de Terugkeer moet gezien worden in de context van de bevolkingspolitiek. Demografie is het lot in elke democratie. Als Israël nog altijd een veilige haven nodig heeft voor de Joden, dan moet het een democratische meerderheid handhaven die de wettelijke bescherming van die haven kan bewaren. Dat betekent niet automatisch een meerderheid van Joden, maar het is overduidelijk dat wanneer de Israëlische Arabieren een democratische meerderheid zouden verwerven, zij de wet op terugkeer van de Joden zou afschaffen en op andere manieren Israël als land zouden elimineren dat aanvaardt dat elke Jood die nood heeft aan Israël of er naar toe wil [vluchten].

Israëls bezwaren tegen de massale terugkeer van de Palestijnse Arabieren, gaat precies over deze demografische kwestie en geniet vrijwel universele Israëlische Joodse steun in het land. Bovendien wordt de moraal achter de Palestijnse aanspraken op een ‘recht op terugkeer’ ondermijnd door hun vastberadenheid de Joodse gemeenschappen te verwijderen van de Westelijke Jordaanoever in afwachting van een toekomstige Palestijnse Arabische staat aldaar. Als de Palestijnen automatisch staatsburgers willen worden in een Joodse staat, moeten zij bereid zijn om alle Joden, die momenteel leven op de Westelijke Jordaanoever, automatisch het recht op staatsburgerschap verlenen in een toekomstige Palestijnse staat, met behoud van hun eigendomsrechten op hun huidige huisvesting en stemrechten. Bovendien moeten zij onbeperkt Joodse immigratie en demografische groei toelaten met de mogelijkheid dat Joodse kandidaten ooit op een democratische wijze de controle over een [Palestijnse] regering zouden nemen. Dat zal niet gebeuren, niet omdat de Palestijnen racistisch zijn, maar omdat de Palestijnen weten dat een Palestijnse staat een primaire verplichting heeft tot bescherming van de Palestijnse Arabieren. Als de Palestijnen nu al bezwaren maken tegen Israël als een Joodse staat, rechtvaardigen zij anderzijds de morele bezwaren die Israël opwerpt tegen een natie die enkel zou voorbehouden zijn aan Palestijnse Arabieren.

Dat probleem leidt tot sommige utopische visies van een bi-nationale staat. Maar een dergelijke staat is onpraktisch omdat beide volkeren enkel willen en op zoek zijn naar een haven voor hun eigen bevolking en zou een bi-nationale staat aldus onvermijdelijk leiden tot eeuwigdurende conflicten en concurrentie. Gezien dit alles, is het duidelijk dat Israël het recht heeft te bestaan als een Joodse staat. Het heeft een historische plicht om dit te doen voor het Joodse volk. Ver gaan als een Joodse staat gaat logisch samen met de morele tradities en het hedendaagse internationale recht. Haar burgers beschikken over de wil en de weg naar een blijvende en levendige toekomst als een Joodse natie.

door Lawrence J. Epstein


Bronnen:

♦ in een vertaling door Brabosh van een artikel “Opinion: Israel as a Jewish State” van Lawrence J. Epstein van 6 juli 2009 gepubliceerd op de website van Jewish Telegraphic Agency (JTA)

♦ dit artikel verscheen reeds eerder op deze blog met name op zondag 26 juli 2009

Advertenties