De geschiedenis van de Joden: op de vlucht – Antwerpen

Vandaag verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact het langverwachte tweede deel van Simon Schama’s grote werk De geschiedenis van de Joden, getiteld Erbij horen. Het is de opvolger van Schama’s bestseller De geschiedenis van de Joden, deel 1: De woorden vinden. Van Mozes tot psychoanalyse, van de Bijbel tot de Westelijke Jordaanoever, van de cultuur tot en met de wetenschap: op al deze terreinen zijn Joden van een beslissende invloed geweest op de ontwikkeling van de wereld. In dit tweede deel vertelt de Britse historicus over de periode 1492-1900. Op Historiek een fragment uit het tweede hoofdstuk, over Joden die begin zestiende eeuw Spanje en Portugal proberen te ontvluchten.

Plaatje hierboven: De Zwarte Dood in 1349 in Keulen. Een hevige pestepidemie woedt in Europa. Joden werden in heel Europa levend verbrand omdat ze aanzien werden als de veroorzakers van de pestepidemie door de waterbronnen te hebben vergiftigd.


Een fragment: Onderweg
CAMINHO DIFICIL

Waar konden ze naartoe vluchten, nu de koning van Portugal de weg had afgesloten door emigratie illegaal te maken voor de christenen die hij nog steeds Joden noemde? Ze waren wanhopig, maar stonden niet alleen. In Lissabon en Antwerpen had een consortium van peper- en specerijhandelaren, de rijkste Portugese nieuwe christenen, bijgedragen aan een spaarfonds om hen op weg en door de moeilijkste tijden heen te helpen. De solidariteit van Joden – rijk met arm, zij die veilig waren met hen die dat niet waren – is tegenwoordig een gemeenplaats in hun geschiedenis; maar dit was de eerste keer dat zoiets systematisch georganiseerd werd door mensen die zichzelf helemaal niet openlijk Joods konden noemen, die naar de kerk gingen en kruisen sloegen, die neerknielden om het lichaam en het bloed van Christus te ontvangen.

Er werd gezegd dat de reddingskist zo vol zat dat keizer Karel hem maar wat graag in handen zou krijgen, als het hem zou lukken het bestaan ervan te bewijzen. Als hij erin zou slagen om die falsos cristianos, zoals hij ze noemde, te ontmaskeren, lag het geld binnen handbereik. Maar klinkende munt was maar een klein deel ervan. De prinsen van de peperhandel die het reddingscomité vormden hadden hun handelskennis omgezet in een transcontinentale vluchtroute: een netwerk van schepen, veerponten, logeeradressen, wagens, menners en ruiters dat zich uitstrekte vanaf de Atlantische kust van Portugal naar de havens in Engeland, vervolgens over het Kanaal naar Vlaanderen, daarvandaan door Frankrijk en het Rijnland, over de passen in de Alpen tot op de Povlakte.

Als ze de wachters wisten te ontwijken die in Lombardije waren gestationeerd, specifiek om vluchtelingen op te sporen, te arresteren en hardhandig aan te pakken, zouden ze wellicht het veilige Ferrara kunnen bereiken. Sommigen zouden daar blijven; anderen zouden via de Apennijnen verdergaan naar Pesaro en Ancona en vervolgens de Adriatische Zee oversteken naar Ragusa (het huidige Dubrovnik) om ten slotte het rijk van Suleiman de Grote te bereiken, waar ze eindelijk de vrijheid zouden hebben om al die dingen te doen die ze zichzelf in Portugal moesten ontzeggen.

Onderweg naar dit Turkse einddoel lag hun lot in de handen van de ‘geleiders’ die door de Antwerpse redders in dienst waren genomen. Ze vertrouwden die mannen hun beurs, hun kromgetrokken grootouders en hun zuigelingen toe. Wat konden ze anders? Maar nooit was hun veiligheid gegarandeerd. Zelfs aan de oever van de Taag werden sommigen verraden en afgevoerd. Om de politie op de stadskade te ontlopen, gingen veel vluchtelingen stroomopwaarts aan boord van kleine bootjes en werden dan zo geruisloos mogelijk naar de schepen met bestemming Vlaanderen geroeid, die in de monding van de rivier afgemeerd lagen. Als de scheepsmeester weinig scrupules had, kon hij ze afzetten en een hogere prijs laten betalen dan overeengekomen, en hen beroven van de parels die ze hadden meegenomen om ze in Londen of Antwerpen te kunnen wisselen voor geld. Binnenscheepse piraterij bloeide in de jaren 1530-1540.

Samuel Usque zag hoe ze in Antwerpen van boord gingen, grauw van zeeziekte en angst, veelal ontdaan van al hun geld. De redders zorgden dan voor onderdak en een lening om te overleven, en zetten alle bezittingen die de plundering aan boord hadden overleefd – een verborgen halsketting, een zilveren amulet – om in wissels die in Ferrara of Venetië konden worden verzilverd. De reizigers kregen te horen waar ze geheime synagogen konden vinden, met de waarschuwing om vooral geen aandacht op zich te vestigen, vooral niet door luidruchtigheid of discussies. Joden, al dan niet gedoopt, waren zelden de rustigste types ter wereld.

Hun tijdelijke voogden in Vlaanderen instrueerden hen om vooral niet opzichtig te zijn: geen oorbellen, fijne kant of brokaat uit de kist halen voor de sabbat. Voorál niet voor de sabbat. Dat zou dieven aantrekken, en dieven zouden met de politie praten. Ze kenden hun wetsdienaren. Er was geen inquisitie in Vlaanderen, en de mannen van de plaatselijke markgraaf en burgemeester knepen een oogje dicht als het ging om de zaken van de ‘Portugezen’, aangezien Antwerpen zonder hen slechts zomaar een Vlaamse haven zou zijn. Maar de regentes, de zus van Karel v, was erop gebrand om ketterij op te sporen en de Joden af te persen. Wat broer en zus aanging was dat wat de nieuwe christenen waren: eens Joden, altijd Joden – Joden totdat ze verbrand waren en de as van hun botten door de wind verspreid was.

Als de migranten eenmaal zover waren dat ze verder konden, werden ze in groepjes van ongeveer twintig personen in wagens met dekzeil of eenvoudige koetsen geladen, die vooraf door de redders waren betaald. Ze kregen instructies mee over de route, waar ze contactpersonen konden vinden voor de opeenvolgende etappes van de reis en waar ze veilig konden overnachten. Eén exemplaar van zulke instructies is bewaard gebleven (dankzij de inquisitie, die hier bovenop sprong en – ongetwijfeld na het netwerk opgerold te hebben – het bewijs in haar archieven opborg). Daardoor weten we dat de reizigers van Antwerpen naar het zuiden gingen, naar Keulen, waar ze op zoek moesten naar de ‘Herberg van de Vier Escara’. Daar moesten ze contact leggen met de geleider, Pero Tonnellero. Zijn taak omvatte de reis over de Rijn stroomopwaarts naar Mainz (Bazel werd ook veel gebruikt als overstappunt) in gehuurde boten. Ze zouden aan boord slapen, om geld te besparen en de kans op ontdekking en arrestatie te verminderen. Opnieuw werd de instructie gegeven om vooral hun stemmen niet te verheffen (wat erop wijst dat dit vaak werd vergeten), maar het was lastig om uitbarstingen te voorkomen als men al zo lang en over zulke lange afstanden op elkaars lip zat.


Bronnen:

Historiek: De geschiedenis van de Joden – Deel 2 (1492-1900) – Simon Schama €49.99 [bron]

Advertenties

2 gedachtes over “De geschiedenis van de Joden: op de vlucht – Antwerpen

  1. De buitenwacht blijft het volk van Israel joden noemen, alhoewel de joden er maar 1 van de 12 stammen zijn, zie Oude Testament. Hier ligt een taak voor de redactie van deze site om dit recht te zetten….shalom en doe je best redactie

    Like

Reacties zijn gesloten.