Efraim Karsh ontkracht de Palmaffia-leugens over de Balfour-Verklaring

Efraim Karsh, Midden-Oosten-kenner en auteur van een paradigmatisch boek over het ontstaan van Israël, “Palestine Betrayed”, heeft ter gelegenheid van de 100ste verjaardag van de Balfour-Verklaring een evenzeer fundamenteel stuk geschreven over dat belangrijke document. (The Middle East Quarterly, Winter 2018) In het onderstaande vat ik de tekst van Karsh interpreterend samen. Het is dus een zelfstandige tekst, dus slechts deels een samenvattend uittreksel.

Waar staan we na 100 jaar Balfour-Verklaring?
De Balfour-Verklaring was een brief van 2 november 1917 van de Engelse minister van buitenlandse zaken Arthur Balfour aan Lord Rothschild, een puissant rijke Engelse Jood die door de oorspronkelijk Wit-Russische Jood Chaim Weizmann werd overgehaald de Zionistische zaak bij het Engelse kabinet te bepleiten

In zijn inleidende alinea’s en in zijn conclusie aan het eind van zijn essay, schetst Karsh waar de wereld staat aan het einde van 100 jaar officieel door de internationale gemeenschap bevorderde Joodse immigratie naar Palestina.

Karsh citeert een relatief “gematigde” versie van het standaard leugenlasterverhaal dat de Palmaffia’s al vele decennia presenteren, namelijk de versie van Mahmoud Abbas voorgedragen in 2016 in de algemene vergadering van de Verenigde Nazi’s:

“Honderd jaar zijn voorbijgegaan sinds de beruchte Balfour-Verklaring, waarmee Groot-Brittannië zonder enig recht, autoriteit of toestemming van wie dan ook, het land van Palestina aan een ander volk gaf. Dit maakte de weg vrij voor de Nakba van het Palestijnse volk en hun onteigening en verdrijving van hun land.”

Dit zijn, aldus Karsh, allemaal leugens en een bewijs van een politiek van 100 jaar van rejectionisme, van intransigentie en van weg-met-de-Joden, uitgevoerd door het verkeerde soort Arabische leiders die in Palestina steeds weer aan de macht zijn gekomen. Abbas staat daarmee in de lijn van Arafat en diens voorganger Amin al-Husseini, de moefti van Jeruzalem. Ook de zogenaamde vredeswil van Arafat in 1993 bij de Oslo-Accorden bleek bedrog.

Ik — niet Karsh! — noem deze rejectionisten, inclusief Hamas natuurlijk, “Palmaffia’s” en deze Palmaffia’s, zo laat Karsh zien, hebben vanaf het begin, vanaf 1917 dus — toen nog onder leiding van de moefti, die zijn mentaliteit en tactiek op deze Palmaffia’s heeft overgedragen — hun eigen bevolking geterroriseerd, gegijzeld en gehersenspoeld.

Engeland consulteerde wel degelijk vooraf zijn bondgenoten in de oorlog, met name Woodrow Wilson en toen de Balfour-Verklaring eenmaal naar buiten was gebracht, werd zij goedgekeurd door de internationale gemeenschap inclusief de leiders van de opkomend pan-Arabische beweging, terwijl het Ottomaanse Rijk een soortgelijke Verklaring uitgaf, naar het model van de Balfour-Verklaring. De “Nakba” werd veroorzaakt door de verwerping van de Balfour-Verklaring door de extremistische moefti van Jeruzalem Amin al-Husseini en de terreur die hij ontketende tegen de goedwillende gematigde Palestijnse Arabieren die inzagen dat de Joden welvaart brachten. De moefti negeerde de wil van de meerderheid van zijn eigen bevolking en die van de international gemeenschap. Had hij dat niet gedaan dan was er géén “Nakba” geweest.

Dat is het dus: de hele wereld was het eens met de Balfour-Verklaring, inclusief de meerderheid van gematigde Arabieren, maar Amin al-Husseini wist via minderheidsterreur de boel te saboteren. En die terreur-lijn, zo voeg ik er nogmaals aan toe, wist de moefti de hele geschiedenis van de vestiging van de Joden in Palestina door te zetten en over te dragen op Arafat en via hem op Abbas en Hamas.

Karsh is een van degenen die blijft hopen, misschien tegen beter weten in, dat de goedwillende Arabieren toch nog een keer de overhand zullen krijgen. Luister maar:

“It is only by shedding their century-long revanchist dreams and opting for peace and reconciliation with their Israeli neighbors that Palestinian leaders can end their people’s suffering. And what can be a better starting point for this sea change than endorsement of the Balfour Declaration rather than its atavistic denigration?”

Ik denk, anders dan Karsh, niet dat die “sea change” mogelijk is en wel vanwege de islam, een totalitaire ideologie die al 1400 jaar bewijst onhervormbaar te zijn. In tijden van krisis zijn het altijd opnieuw de “fundamentalisten” die erop wijzen wat Koran en Soenna écht leren. Moslims kunnen in gunstige tijden en op gunstige plaatsen “gematigd” zijn, maar dat zijn ze ondanks en in weerwil van de islam. In de beslissende periodes van de Joodse immigratie naar Palestina wist de moefti dan ook met Koran en Soenna in de hand de terreur op de eigen bevolking los te laten via een minderheid en de geschiedenis naar zijn hand te zetten. De moderne Palmaffiosi, Abbas en Hamas, hebben nu hun bevolkingen dermate gemarineerd in Jodenhaat dat de eerste de beste leider die een werkelijk compromis met Israël zou willen sluiten binnen de kortste keren vermoord zou zijn. De Palmaffiosi berijden een tijger die ze zelf dagelijk voeden en waar ze nooit vanaf kunnen stappen.

De internationale context van de Balfour-Verklaring
Karsh gaat er vervolgens toe over, nadat hij de essenties meteen aan het begin van zijn essay heeft neergezet, de ruimere internationale historische context te schetsen van de periode vlak na WOI.

Westerse onderwijs- en media-consumenten krijgen altijd alleen maar de zelfbeschuldigingsversie opgedist van die context, namelijk dat het Westen op een nare kolonialistische manier het Midden-Oosten opgedeeld heeft onder de grootmachten door een lineaal op de kaart te zetten en genadeloos en stupide, zonder met plaatselijke omstandigheden rekening te houden het Midden-Osten op te delen. (Hier een voorbeeld uit 2014.)

Dan wordt steevast het Engels-Frans-Russische Verdrag van mei 1916 genoemd dat ging over de verdeling van het Ottomaanse Rijk en dat onder de naam Sykes-Picot-verdrag bekend is. Maar in feite ademde dit verdrag juist een anti-kolonialistische geest van opvoeding tot zelfbeschikking. Het Sykes-Picot-verdrag stipuleerde namelijk dat er “een onafhankelijke Arabische Staat of een Confederatie van Staten ( . . .) onder de soevereiniteit van een Arabische chef” moest komen. Het Sykes-Picot-verdrag ademde dus in mei 1916 al de geest van Woodrow Wilsons “Veertien Punten” van januari 1918, waarbij opvoeding tot nationale zelfbeschikking het leidende principe werd verklaard van het internationale systeem. Die opvoeding moest in het Midden-Oosten plaats vinden door een mandaat-systeem uit te voeren door Frankrijk en Engeland onder de supervisie van de Volkenbond.

In dat nieuwe kader van zelfbeschikking probeerde de Balfour-Verklaring in het Sykes-Picot-Verdrag ruimte te scheppen voor óók een thuisland voor de Joden in het Palestina waar Joden al millennia woonde.

Karsh gaat uitgebreid in op het feit dat er ook bij de Ottomaanse heersers en bij Arabische leiders die zich probeerden los te maken van de Ottomaanse overheersing sympathie was voor de Balfour-Verklaring, zij het puur opportunistische sympathie.

Zo gaf in Augustus 1918 de leider van het Tukse triumviraat, Talaat Pasha, een communiqué uit waarin uitdrukking werd gegeven aan sympathie voor een Joods tehuis in Palestina in bewoordingen ongeveer gelijk aan die van de Balfour-Verklaring. Karsh noemt het niet, maar dat was meer ingegeven door het verlangen Amerika en Engeland gunstig te stemmen dan door sympathie voor de Joden. Want een jaar eerder had het triumviraat nog overwogen een genocide aan te richten onder de Joden in Palestina op een schaal vergelijkbaar met die waarop de Ottomanen de Armeniërs hadden vermoord. Ze waren gestopt door hun bondgenoot in WO I, Duitsland.

Bij de Arabieren ging het om de gebroeders Faisal en Abdullah die samen met hun vader, Hussein ibn Ali — de Sharif van Mekka — de leiders van de Arabische opstand tegen de Ottomanen waren. Die opstand paste natuurlijk uitstekend in de oorlogsinspanning van de Engelsen in WO I tegen de Turks-Duitse alliantie. De drie werden beloond met gebieden in Irak, Jordanië en Saoedi-Arabië die zo groot waren dat Engeland er een paar keer in zou passen. Maar ze wensten het allemaal nog een maatje groter, zodat het ook Syrië met Palestina zou moeten omvatten.

Karsh beschrijft in detail de onderlinge machtsstrijd tussen met name de broers Faisal en Abdullah tijdens de onderhandelingsperiode 1918-1922. Die onderhandelingen zouden tenslotte leiden tot de verdragen van San Remo en tot het mandaatstelsel. Uit het verslag van Karsh blijkt dat de steun voor de Balfour-Verklaring van de elkaar bestrijdende broers uit puur opportunisme voortkwam. Ze wilden zowel Engeland, de Urheber van de Balfour-Verklaring, alsook de Amerikaanse Joden en de Volkenbond gunstig stemmen teneinde zo veel mogelijk macht en gebied te verwerven.

Maar het belangrijkste is dat uit uitingen van de broers Faisal en Abdullah blijkt dat ze wel degelijk zagen dat de Joden in Palestina een ongekende welvaart en dynamiek brachten en dat ze die voor hun eigen belang wilden aanwenden.

Karsh wil aantonen dat er in het Midden-Oosten in de periode vlak na WO I en eigenlijk tot aan 1947 veel meer welwillendheid was ten aanzien van het Zionistische project dan nu nog algemeen wordt aangenomen. Daarin past ook zijn schets van de mentaliteit in Egypte in een periode die, naar Karsh meent, wel tot midden jaren 1930 stand hield, toen koning Faroek (1937 – 1952) pan-Arabische ambities kreeg. Vóór die tijd, aldus Karsh, keken Egyptenaren nogal neer op Arabieren en zagen de Arabieren de Egyptenaren inderdaad niet eens als Arabieren. Karsh geeft anecdotisch bewijs dat er in de jaren 1920 in Egypte geen enkele kennis van of sympathie voor het Palestijns-Arabische extremisme was zoals dat vertegenwoordigd werd door moefti Amin al-Husseini, maar dat er wél sympathie en respect bestond voor het Zionisme.

Het besluit van het liedje was in elk geval dat in juli 1922 door de Volkenbond Engeland werd aangewezen als mandataris voor Palestina en de opdracht keeg om “in het land zodanige administratieve en economische voorwaarden te scheppen dat die de vestiging verzekeren van een Joods nationaal tehuis”. De Volkenbond erkende ook “de historische connectie van het Joods volk met Palestina”. Alles werd dus geregeld zoals in de Balfour-Verklaring was aangegeven. Een week later in datzelfde jaar 1922 bevestigde het Amerikaanse Congress de Balfour-Verklaring. (Gedurende WO II, zou het Congres daarna nog verscheidene keren resoluties aannemen die onbeperkte Joodse immigratie en het scheppen van een Joodse Staat in Palestina ondersteunden.)

Arabisch-Joods samenleven in Palestina tot 1948
Aan het begin van deze paragraaf legt Karsh voor wie het nóg niet weet, nog maar eens uit dat er in Palestina geen enkele vorm van nationaal besef was. Er was alleen geografische besef: Noord-Palestina met Beiroet en Zuid-Palestina met Jeruzalem als centrum. Palestina zelf werd ervaren als een deel van Syrië en Syrië als een deel van het Ottomaanse rijk.

Arabieren ontleenden hun identiteit verder aan stam, clan, dorp of islamitische secte. De hogere klassen, de “Effendi-klasse”, was óf pro-Brits óf pro-Turks, maar was verder zonder politieke samenhang. Voor de pan-Arabische beweging was geen belangstelling. Dat bleef zo toen de islamistisch-Arabistische Jodenhaat-agitatie van Amin al-Husseini in de jaren 1920 en 1930 enig succes kreeg. Zijn “Hoger Arabisch Comité” vroeg tot in 1947 (!) om incorporatie van Palestina in Syrië.

Het samenleven tussen Arabieren en Joden, zo meent Karsh, ging eigenlijk in de periode tot 1948 heel goed. Karsh geeft vele en veelsoortig voorbeelden van vruchtbare samenwerking op allerlei praktische gebieden, tot aan de gezamenlijke verdediging tegen Arabische terroristen aan toe.

“As a result of this state of affairs, throughout the mandate era (1920-48), the periods of peaceful coexistence were far longer than those of violent eruption, and the latter were the work of a small fraction of Palestinian Arabs.”

Vanwaar die relatieve vrede? Karsh wijst erop dat de wandaden van de Joden die door de moefti cum suis waren voorspeld, in de praktijk niet plaatsvonden. Niemand werd zijn land afgenomen en er stormden geen hordes wilde Joden het land binnen. Integendeel: de Joden brachten vitalisering, welvaart en welzijn en betaalden goed geld voor het land. De naam “Balfour” werd door de Effendi-klasse vooral in verband gebracht met gelegenheid tot winst maken op landverkoop. Aan de voorwaarde voor Joodse migratie naar Palestina” namelijk dat “nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine”, werd dus méér dan voldaan.

Ook in meest gewelddadig periode, namelijk die van de “Arabische Opstand” van 1936 tot 1939 was het geweld dat werd geïnstigeerd vanuit het “Hoger Arabisch Comité” vooral gericht tegen de meerderheid van de eigen Arabische bevolking die in de ogen van het Comité “collaboreerde”. (Dat is dus tot op de dag van vandaag niet veranderd: wie werklijk vrede wil met Israël, leeft niet lang meer.) Vele Arabieren ontvluchtten toen het land, maar er waren er ook die zich verzetten, bijvoorbeeld zij-aan-zij met de Hagana, de grootste Joodse contra-terreur-organisatie. Anderen zochten bescherming in Joodse buurten.

De samenwerking tussen Joden en Arabieren hield stand tot in de jaren van WO II, toen Amin al-Husseini, die in 1937 Palestina was ontvlucht, bezig was samen te werken met Hitler en over het hele Midden-Oosten nazi-propaganda en Jodenhaat verspreidde middels de in Berlijn gevestigde zender “Radio Zeesen”. En dat deed-ie dus op grond van die ene ondeelbare, onhervormbare islam.

door Martien Pennings


Bron: een artikel van Martien Pennings van 13 november 2017

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s