70 jaar geleden: Clandestien met de Exodus naar het Beloofde Land

Video: Op 11 juli 1947 begon het schip de SS President Warfield met 4515 passagiers onder operatieleider Yossi Harel van de Hagana en kapitein Ike Aronowicz van de Palmach (een gewapende vleugel van de Hagana) aan de overtocht vanuit de Franse Middellandse Zeehaven Sète. De tocht werd georganiseerd door Noah Klieger. De bemanning van het schip bestond voornamelijk uit jonge Amerikaanse Joden die zich hiervoor vrijwillig hadden opgegeven. Op 17 juli 1947 werd het schip door de passagiers voorzien van de naam Exodus 1947, naar analogie van het Bijbelboek Exodus. Het schip werd vanaf het begin gevolgd door de Britse geheime dienst en twee oorlogsschepen.

Zomer 1947: de geallieerden hebben de nazi’s definitief verslagen. Duitsland wordt bestuurd door de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie, die elk in de eigen zone het gezag uitoefenen. Na de dolle vreugde van de overwinning volgt een enorme kater. Er is een grote vluchtelingencrisis, waarbij miljoenen ontheemden door het Europese continent trekken. Minstens twaalf miljoen etnische Duitsers worden uit de landen van Oost- en Centraal Europa verdreven. Men wil op die manier homogene staten creëren. Dat dit niet strookt met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die door de UNO in 1948 wordt uitgevaardigd, legt men naast zich neer. In de bevrijde landen is de tol van de overwinning zwaar, de economieën zitten aan de grond.

Ook op politiek vlak lijkt de toekomst van Europa alles behalve rooskleurig. De Sovjets hebben Oost-Europa bevrijd ten koste van zo’n 25 miljoen doden in eigen land (militairen en burgerslachtoffers) en Stalin wenst zijn pas verworven invloed in Oost-Europa te bestendigen. Daarmee komt hij lijnrecht tegenover zijn geallieerde bondgenoten te staan. Al in 1946 ziet Churchill een ‘ijzeren gordijn’ dat Europa verdeelt. In Europa heerst een sfeer van angst, de ‘Koude Oorlog’ is gestart. Zal Europa echt wel vrede kennen of komt er een nieuw conflict?

Voor de Europese Joden die de Shoah overleefd hebben, zijn de problemen nog veel groter. Hun vroegere leven is definitief voorbij. Velen hebben hun geliefden, ouders / kinderen / familie verloren zonder echt afscheid van hen te kunnen nemen. Waar moeten ze naartoe als overlevende uit de vernietigingscentra en de concentratiekampen, als onderduiker, als vluchteling? Hun huizen en bedrijven zijn leeggehaald, hun bezittingen gestolen. Willen ze nog wel in die landen wonen die weigerden een helpende hand te reiken toen ze door de nazi’s vervolgd, verjaagd en tenslotte uitgemoord werden? Veel Joden zwerven in Duitsland rond, op zoek naar een thuis, velen verblijven er nog steeds in de kampen voor Displaced Persons.

Het besef groeit bij steeds meer Joodse overlevenden dat alleen een eigen Joodse staat een veilige toekomst kan bieden. De zionistische droom krijgt de wind in de zeilen. De realisatie ervan is evenwel niet evident. Groot-Brittannië heeft Palestina in handen en heeft onder Arabische druk een immigratiestop afgekondigd.

Brits Mandaat Palestina
In 1922, in de nasleep van de eerste wereldoorlog, verkrijgt GrootBrittannië van de Volkenbond met het verdrag van San Remo het bestuur over het mandaatgebied Palestina. Volgens de voorwaarden van dit internationaal verdrag moet het er de ‘condities scheppen voor de ontwikkeling van een Joods nationaal tehuis’. In 1939 zwicht Groot-Brittannië voor de Arabische druk. Om de Britse oliebelangen te vrijwaren, wordt de Joodse immigratie naar Palestina aan banden gelegd (Witboek, 1939). Op het moment dat de nood voor de Joden in Europa het hoogst is, gaan de deuren in wat het Joods nationaal tehuis moet worden, dicht.

Met de Exodus naar het Beloofde Land
Omdat de Joden niet meer in Palestina binnen mogen, organiseren zionistische activisten van de Haganah (de voorloper van het huidige Israëlische leger) een clandestiene Joodse immigratie vanuit Europa naar Palestina, meestal over zee. Dagelijks vaart er wel ergens op de Middellandse Zee een boot met een paar honderd Joodse passagiers aan boord die de Britse blokkade probeert te omzeilen. Meestal worden deze boten door de Britse marine onderschept en worden de passagiers overgebracht naar kampen op Cyprus (toen ook onder Brits gezag).

Op 11 juli 1947 verlaat de President Warfield, een Amerikaanse pakketboot, onder Hondurese vlag de Zuid-Franse haven van Sète, met 4.500 Joodse overlevenden van de Shoah aan boord. De bemanning bestaat uit jonge Amerikaanse Joodse vrijwilligers. De boot is door de Haganah gekocht en zeewaardig gemaakt. Het schip is namelijk ten zeerste geschikt voor illegale immigratie, want het kan dankzij zijn geringe diepgang gewoon op een strand landen. Eenmaal op zee krijgt de boot een andere naam, Exodus 1947, een verwijzing naar de Bijbelse uittocht uit Egypte. AI van bij de afvaart is het schip in het vizier van de Britse marine. Op 17 juli wordt het schip voor de kust van Haifa geënterd. In een vier uur durend gevecht met de Britse mariniers komen daarbij drie Joodse bemanningsleden om het leven en raken velen gewond.

Deze strijd wordt via de boord radio naar een radiostation in Palestina doorgestuurd en komt zo live in de ether. De volgende dag wordt het schip de zwaar bewaakte haven van Haifa binnengeloodst, waar het opgewacht wordt door duizenden sympathisanten. De Britten willen echter met de Exodus een voorbeeld stellen om de illegale immigratie definitief een halt toe te roepen. Drie Britse gevangenisschepen (Ocean Vigour, Runnymede Park en Empire Riva/) sturen de passagiers terug naar Frankrijk, waar ze op 29 juli aankomen. Slechts enkele tientallen totaal uitgeputte Joden gaan in op het asielaanbod van de Franse regering, de anderen blijven aan boord. Op 22 augustus vertrekken de schepen naar Gibraltar, waar ze vijf dagen aangemeerd blijven.

Op 30 augustus gaat de reis verder naar Hamburg, in de Britse bezettingszone in Duitsland. Daar worden de inzittenden in het oog van de wereldpers met geweld van boord gehaald en geïnterneerd in twee kampen, bij Lübeck, in Pöppendorf en Am Stau. In de winter worden ze overgebracht naar andere kampen, in Emden en in Sengwarden. Het feit dat de Joden opnieuw in Duitse kampen terechtkomen, roept wereldwijd grote verontwaardiging op. Toch weigeren de Britten om toe te geven. Op dat ogenblik woedt in Palestina een burgeroorlog en voeren Arabische en Joodse milities aanslagen uit op Britse doelwitten. In oktober 1947 worden de Joodse gevangenen vrijgelaten, na zware Amerikaanse druk. De meesten proberen opnieuw naar Palestina te gaan, wat voor velen ook lukt. Anderen vertrekken pas wanneer de staat Israël opgericht is (mei 1948). In 1958 schrijft de Amerikaanse auteur Leon Uris een succesroman over deze gebeurtenissen. Twee jaar ater wordt Uris’ Exodus verfilmd door Otto Preminger. De film, met Paul Newman in de hoofdrol, wordt een internationaal kassucces.

Benjamin Gantman getuigt
Benjamin Gantman, oom van de Antwerpse advocaat, politicus en auteur André Gantman, is één van de 4.500 Joden aan boord van de Exodus. Na de oorlog engageert hij zich in de organisatie van de Alyah bet, de illegale immigratie. Op 1 juni vertrekt hij vanuit Antwerpen naar Brussel en dan via Lille naar Parijs, waar hij zijn 24ste verjaardag viert. Verder reist hij, samen met zijn vriend Isi Offen, door naar Trets en Provence, naar het kasteel van Grand Boise, het verzamelpunt voor zijn groep.

In zijn verslag van de gebeurtenissen schrijft hij: “Op 30 juni 1947 arriveren de gasten: het zijn leden van een zionistische pioniersbeweging (Hallutzim) uit Polen en twee kindergroepen. De kinderen krijgen onderdak in het kasteel, de pioniers kamperen op veldbedden. Niemand klaagt. Plots zien we hoe de kinderen spontaan met een groep Franse kinderen uit de streek gaan samenspelen, al verstaan ze elkaar totaal niet. Maar ze spelen samen. Ze vinden een manier om zich aan elkaar verstaanbaar te maken. Elke dag opnieuw treffen de kinderen elkaar. Wij volwassenen kijken er met grote ogen vol verwondering naar. Op 8 juli is het dan zo ver. Het voedsel wordt onder onze medereizigers verdeeld want we gaan naar de haven, naar de boot die ons naar Israël moet brengen. Na meer dan 200 km rijden, komen we aan in Sète. We kunnen eindelijk aan boord gaan.”

De Navy volgt de Exodus 1947 op de voet en vanaf Malta nog uitdrukkelijker. Dag en nacht worden de opvarenden door luidsprekers gewaarschuwd dat de Britten aan boord zouden komen. Er wordt ook vriendelijk verzocht om geen weerstand te bieden. De kinderen worden apart ondergebracht op dek A. Ze zingen Joodse liederen, terwijl twee vlaggen van Israël worden gehesen. Op 17 juli is het zover. Enorme schijnwerpers verblinden de bemanning en Britse commando’s bestormen het schip. Hier en daar worden rake klappen uitgedeeld en mensen van de trappen gegooid. Het is een ongelijke strijd: berooide vluchtelingen tegenover getrainde mariniers.

De terugkeer naar Frankrijk doen Bennie Gantman en zijn vriend Isi op de Ocean Vigour. De tocht verloopt zonder incidenten. Daarover schrijft Gantman: “Elke dag opnieuw water en beschuit. Het is alsof we in een gevangenis zitten maar we voelen ons zeer vrij. Aan boord zijn we vrij.”

Applaus
Eind juni meert het schip aan in Port-de-Bouc. AI bij de aankomst zien ze kleine bootjes met leden van de Haganah. Ze brengen voedsel en drank aan boord, en ze geven de passagiers richtlijnen over wat ze moeten doen wanneer de Britten het schip zouden ontruimen. Bennie krijgt van kolonel Gregson een briefje in het Engels toegestopt dat hij moet vertalen. “Wanneer ik de mededeling van de Britten in het Frans vertaal, is er geen reactie. Maar wanneer ik hetzelfde in het Jiddisch zeg, volgt een eindeloos applaus.” In de brief staat dat de vluchtelingen in Frankrijk gastvrij zullen worden ontvangen op voorwaarde dat ze vrijwillig het schip verlaten.

Er wordt ook elke dag een krant gedropt, La Marseillaise, met daarin de allerlaatste nieuwtjes. Daardoor vernemen we dat de Exodus wereldnieuws is. Op 31 juli komt een Franse delegatie aan boord, samen met een vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap in Parijs. Bennie Gantman moet opnieuw vertalen. Na de toespraak van de delegatieleider wordt om een antwoord van de passagiers gevraagd. Dat is kort en bondig. De vluchtelingen danken de Fransen voor hun strijd tegen het nazisme maar geven aan dat ze maar op één plek hun verder leven kunnen uitbouwen en dat is in Israël. De volgende dag staat ook dit antwoord in La Marseillaise.

Enkele dagen later krijgt Bennie het bezoek van kolonel Gregson en de Franse prefect van het departement Bouches-du-Rhóne. Ze delen mee dat de passagiers die het schip niet verlaten, zullen worden overgebracht naar Hamburg in Duitsland. Enkele zieken en een paar families gaan daarop aan land.

Gibraltar
In Gibraltar komt een ambtenaar aan boord om een pasgeboren baby te registreren. Het kind krijgt, zoals het hoort, de Britse nationaliteit. De ambtenaar stelt ook voor om in Gibraltar van boord te gaan, maar niemand gaat daarop in. Daarop varen ze richting Noordzee. Op 8 september leggen de schepen aan in de haven van Hamburg. Met knuppels en het nodige geschreeuw worden de opvarenden uit de boot gedreven. Gantman schrijft hierover: “Het was geen veldslag, eerder een schermutseling, een grote schermutseling. Bij het verlaten van het schip maakten onze jongens wat ‘oefeningen’ met de Britten. Dat was nodig omdat er reporters op de kaai stonden. Natuurlijk werd alles gefotografeerd, dat was de bedoeling van de “oefening”.

Bennie was in Emden toen de UNO voor de oprichting van de staat Israël koos. Bij het ontwaken ziet hij overal Israëlische vlaggen, het is 29 november 1947. Eind januari 1948 keert hij met Isi terug naar Antwerpen. Op 14 mei 1948 wordt Eretz Israel uitgeroepen.

In oktober komt Bennie met een groep van Hashomer Hatsaïr (een socialistische zionistische jeugdbeweging) in Haifa aan. Hij strijdt er in de Onafhankelijkheidsoorlog.

door Lieve Schacht


Bron: een artikel van Lieve Schacht in het septembernummer 119 van 2017 van Joods Actueel magazine (bijzondere uitgave naar aanleiding van Joods Nieuwjaar 5778 ), blz. 134-136.

Advertenties