Partijdige Verenigde Naties: Algehele solidariteit met Palestina vs Diepe verachting voor Israël

Palestijnen worden in de Arabische landen door hun broeders als uitschot behandeld en voortdurend gediscrimineerd. Tussen april 2004 en januari 2007 werden in Bagdad (Irak) minstens 186 Palestijnen vermoord…

In 1977 riep de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties 29 november uit als “Internationale Dag van de Solidariteit met het Palestijnse volk” [resolutie 32/40 B]. Het was natuurlijk geen toeval dat de datum voor dit evenement dezelfde datum was waarop de Verenigde Naties het Verdeelplan [VN-resolutie 181] van 1947 goedkeurde dat Palestina verdeelde in twee aparte staten: een Joodse en een Arabische staat.

Maar dit was zonder twijfel een nogal ongelukkige keuze: door het selecteren van deze historische datum, toen de Verenigde Naties haar goedkeuring hechtte aan een besluit dat verworpen werd door de Arabische Liga en de Palestijnse vertegenwoordigers, leek de VN bereid te zijn om met terugwerkende kracht deze afwijzing en de daaropvolgende Arabische agressie goed te keuren.

Het is de moeite waard te herinneren aan de eenvoudige veroordeling van het Arabische gedrag door de eerste Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Trygve Lie:

“De invasie van Palestina door de Arabische staten was de eerste gewapende agressie die de wereld had gezien sinds het einde van de oorlog [sinds de Tweede Wereldoorlog]. De Verenigde Naties kunnen niet toestaan dat deze agressie kan slagen en op hetzelfde moment kan overleven als een invloedrijke macht die een vreedzame regeling, de collectieve veiligheid en het zinvol internationaal recht kan bepalen.”

Nog voordat het Verdeelplan werd goedgekeurd door de VN, dreigden de Arabieren openlijk met oorlog. Tijdens een bijeenkomst in september 1947 met David Horowitz en Abba Eba, vertegenwoordigers van het Joods Agentschap, verklaarde secretaris Azzam Pasha van de Arabische Liga het volgende:

Abdel PazchaAzzam Pasha: ‘een oorlog van uitroeiing en een gedenkwaardig bloedbad’

“De Arabische wereld is niet in een verzoenende stemming. Het is waarschijnlijk, Mr Horowitz, dat uw plan rationeel en logisch is, maar het lot van naties wordt niet besloten door rationele logica. Naties geven nooit toe, ze vechten. U zult nooit iets verkrijgen met vreedzame middelen of door het compromis.

U zal misschien iets krijgen, maar alleen door de kracht van je legers. Wij zullen u proberen te verslaan. Ik weet niet of we zullen slagen, maar we zullen het proberen. We waren in staat om de kruisvaarders uit te drijven, maar aan de andere kant verloren we Spanje en Perzië [Iran]. Het kan zijn dat we Palestina verliezen. Maar het is te laat om te spreken over vreedzame oplossingen.”

Deze paar regels laten zien hoe weinig het huidige politieke discours de historische werkelijkheid weerspiegelt: Azzam Pasha sloot categorisch elke vreedzame oplossing uit, dreigde openlijk met een aanvalsoorlog en – niet geremd door zorgen over ‘politieke correctheid’ – aarzelde niet om het conflict uit te drukken in termen van de eeuwenoude zoektocht naar Arabische overheersing.

De bedreigingen van de secretaris van de Arabische Liga bleken geen loze woorden. Gedurende de week dat de Verenigde Naties het Verdeelplan hadden bekrachtigd, vermoordden de Arabieren meer dan 60 Joden in Palestina, en tegen 15 mei 1948 waren meer dan 1200 Joden gedood, het merendeel burgers. Joden die leefden in de Arabische landen werden ook geviseerd, en een verslag in de New York Times mei 1948 beschreef hun hachelijke situatie. Het artikel merkte ook op dat het Joodse Wereld Congres al in januari 1948 de Verenigde Naties had gewaarschuwd dat “het voortbestaan van de Joodse gemeenschappen in bepaalde Arabische en islamitische landen ernstig in gevaar is, tenzij zonder uitstel preventieve maatregelen worden genomen.”

Maar amper drie jaar nadat Auschwitz was bevrijd, werden deze waarschuwingen door de Verenigde Naties en de internationale gemeenschap genegeerd. De Joden werden aan hun lot overgelaten – tenslotte hadden de Verenigde Naties toch hun recht onderschreven op een eigen staat op een klein stukje grond.

In de huidige politieke debatten over het Israëlisch-Palestijnse conflict zijn nog nauwelijks sporen van deze evenementen terug te vinden. Meer dan 6.000 Joden werden door Arabieren gedood in het geweld dat ontketende in de nasleep van de resolutie van het Verdeelplan en de daaropvolgende oorlog met zo’n 15.000 gewonden, meer dan 800.000 Joodse vluchtelingen uit het Midden Oosten landen werden simpelweg genegeerd in een politiek klimaat dat degenen die onvermoeibaar streven om Israël te demoniseren als de kwaadaardige agressor, terwijl de Palestijnen in de rol van de ongelukkige slachtoffers werden gegoten.

Er worden eindeloze discussies gevoerd over wat het betekent om ‘pro-Israël’ te zijn, en vaak genoeg wordt tijdens dergelijke debatten onderzocht hoe de vijandigheid ten opzichte van reguliere Israëlische standpunten het best kan worden gepresenteerd als ‘legitieme kritiek’ of een ‘lastige liefde’. Maar er zijn maar zelden debatten over wat het betekent om ‘pro-Palestijns’ te zijn. Wanneer sommige van de voorbije acties van de Verenigde Naties gewijd zijn aan het demonstreren door deze organisatie van solidariteit met de Palestijnen of iets dat er mee te maken heeft, wordt Israël telkens opnieuw belasterd en de legitimiteit van de Joodse staat ontkent en maken aldus integraal deel uit van een ‘pro-Palestijnse’ houding.

De alomtegenwoordige hypocrisie komt ook tot uiting in een politiek debat dat angstvallig het aanpakken van enkele van de grootste problemen vermijdt die aanzienlijk hebben bijgedragen tot het voorkomen van vrede in het Midden-Oosten. Bepaalde onderwerpen zijn vrijwel taboe, en noch de politici, noch de media durven of het kan ze niks schelen, om ze aan te pakken. Een zeldzame uitzondering was een recent rapport in de Londense krant The Independent dat de klemtoon legde op “een cynische, maar doorheen de tijd -gehonoreerde praktijk in de Midden-Oosten politiek: de staatslieden die de politieke en humanitaire crisis van de ongeveer 3,9 miljoen Palestijnen in de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever en in Gaza afkeuren en tegelijkertijd voorbijgaan aan de benarde situatie van de naar schatting 4,6 miljoen Palestijnen die wonen in de Arabische landen.”

De discriminatie van de Palestijnen in de Arabische landen werd omschreven als vergelijkbaar met de behandeling van de Joden in het middeleeuwse Europa, en het verslag merkt op dat deze betreurenswaardige situatie uiteindelijk bijdraagt aan een alarmerende radicalisering dat de islamisten en zelfs al–Qaeda bevoordeelt.

Een ander onderwerp dat maar zelden in de aandacht komt, wordt besproken in een recent artikel van Michael Freund, die de bijdragen aan de UNRWA onderzocht, het agentschap dat werd opgericht om zich te bekommeren om het lot van de Palestijnse vluchtelingen. De UNRWA maakt zich klaar om haar 60ste verjaardag te vieren, maar het bureau heeft al vele jaren de grootste moeite om genoeg geld in te zamelen om haar missie te vervullen.

Freund wijst op het dramatische contrast tussen de stijgende winsten die de afgelopen jaren door de olierijke Arabische landen werden gegenereerd en anderzijds hun schamele bijdragen aan de UNRWA en wijst op

“het gestaag dalend percentage van hun financiering aan de UNRWA gedurende de afgelopen twee decennia door de Arabische regimes. In de jaren 1980 bedroegen hun gezamenlijke bijdrage 8% van de jaarlijkse begroting, terwijl ze nu nog amper 3% bedraagt. Als gevolg daarvan zijn het de westerse landen die momenteel meer dan 95% van de middelen van de lopende programma’s van de UNRWA financieren.”

Met andere woorden, een vluchtelingenprobleem dat zes decennia geleden werd gecreëerd door de Arabische agressie, heeft de toestemming gekregen om verder te rotten, waarbij de westerse wereld opdraait voor het grootste deel van de rekening en Israël met alle schuld beladen. Tezelfdertijd worden de Joden die in hetzelfde conflict vluchtelingen werden, nooit genoemd – het zou gewoon niet politiek correct zou zijn om dat wel te doen: dat is de reden waarom iemand die spreekt voor Israël, verdacht wordt van lidmaatschap van een enigszins sinistere ‘lobby’, terwijl iedereen die solidariteit betoont met de Palestijnen, beschouwd wordt als een nobele verdediger van de mensenrechten.

petra_marquardt_bigman_140x140door Petra Marquardt-Bigman


Bron: vrij vertaald door Brabosh.com naar een artikel van 1 december 2009 op de blog van Middle East and Terrorism

Advertenties