Waar UNESCO haar inspiratie haalt om Jeruzalem te willen islamiseren; 85 jaar terug in de tijd …

islamicDe Pan-Islamitische Conferentie in Jeruzalem, december 1931 [beeldbron]

Wat zich de voorbije weken heeft afgespeeld in de UNESCO (de ontkenning van Joodse historische banden met Jeruzalem), is helemaal niets nieuws. Het is al eerder gebeurd: 1929-1931. Interessant is de christen betrokkenheid in deze, in het bijzonder dan de bedenkelijke rol die de Arabische christenen speelden ten tijde van het toenmalige Brits Mandaat over Palestina  [1922-1948].

In Artikel 4 van de mandaattekst uit 1922 hadden de Britten aangegeven dat een Joods Agentschap (Jewish Agency) zou worden erkend als vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap in het Mandaat. Op 11 augustus 1929 werd tijdens het 16de Zionistische Congres besloten tot de oprichting van het Jewish Agency for Palestine.

congresjHet Joodse Agentschap zal voortaan optreden als de vertegenwoordiger van de Joden in het Mandaat voor Palestina. Voornaamste doelstellingen waren: de immigratie bevorderen van Joden naar Palestina; het bouwen van Joodse nederzettingen; de economische ontwikkeling van het land; alsook Joods onderwijs, cultuur en de gezondheidszorg promoten.

De oprichting van het Joodse Agentschap voor Palestina was enkele dagen later de directe aanleiding tot hevige onlusten in Jeruzalem. Tijdens de zogeheten ‘Buraq Opstand‘ (Buraq Wall = Arabische naam voor de Kotel of Klaagmuur) kostte tussen 23 en 29 augustus 1929 aan 133 Joden het leven en 339 andere Joden werden gewond.

Haj Amin al-Husseini [1895-1974], de Groot-Moefti van Jeruzalem en het brein achter de Buraq Opstand, zag de oprichting van het Joodse Agentschap en de uitbreiding ervan naar Palestina als een directe bedreiging voor de islamitische heilige plaatsen in Jeruzalem, in het bijzonder in de Oude Stad. Volgens hem was het Joodse Agentschap van plan om de Tempelberg te Judaïseren (dwz: ver-Joodsen) en waren de Buraq Wall (de Klaagmuur/Kotel), de Haram Al-Sharif (de Tempelberg), de Al Aqsa Moskee en de Masjid Qubbat As-Sakhrah (de Rotskoepel op het plateau) in onmiddellijk gevaar.

Aangemoedigd door hun overwinning tijdens de Buraq Opstand van augustus 1929, hoewel hierbij tevens een groot aantal Palestina Arabieren was omgekomen (het merendeel gedood door het Britse leger hoewel de schuld hiervoor bij de Joden werden gelegd), eisten de Arabieren een totale ban op Joodse immigratie naar Palestina. Groot-Moefti Haj Amin al-Husseini besloot prompt om een Pan-Islamitische Conferentie te beleggen waaraan zoveel mogelijk moslimlanden moesten aan deelnemen.

Haj Amin al-HusseiniOp uitnodiging van Groot-Moefti Haj Amin al-Husseini, daagden op 6 december 1931 242 afgevaardigden op afkomstig uit 22 moslimlanden of uit landen met een belangrijkse moslimgemeenschap: Algerije, de Kaukasus, Ceylon, China, Egypte, Hidjaz (West-Saoedi-Arabië), Indië, Irak, Indonesië, Libanon, Marokko, Nigeria, Palestina, Iran, Rusland, Syrië, Tunesië, Turkije, Transjordanië (Jordanië), Libië, Jemen en Joegoslavië.

Zoals kon worden verwacht draaide de Conferentie uit op een ‘one-man show’ van Groot-Moefti Haj Amin al-Husseini. Hoewel hij had aangekondigd dat de de Conferentie enkel om een religieuze zaken zou gaan, gaf hij een lange openingstoespraak, en sprak over dat ene thema dat al de deelnemers aan de Conferentie had samengebracht: het gevaar waarmee Palestina wordt geconfronteerd door de ‘creatie van een Zionistisch thuisland op heilige Arabische bodem’. De Conferentie werd een schep anti-Joods platform dat de annulatie eiste van de Balfour Verklaring van 1917 en een totaal verbod op Joodse immigratie naar Palestina.

De Uitvoerende Raad van het Joodse Agentschap overhandigde aan de Palestijnse Regering een scherp protestnota af omtrent de agressieve aanvallen van de Groot-Moefti, zijn provocaties en virulente anti-Joodse campagne, en benadrukte het gevaar waarin de Joden verkeren dat uitgaat van de door de Groot-Moefti misleidde massa’s, niet enkel in Palestina maar in al de Arabische landen.

erik

Dat brengt ons terug tot de bedenkelijke houding van de christenen in die periode in het bijzonder de Arabische christenen in het Brits Mandaat.

Palestina. Professor Erik Frease publiceerde in 2006 zijn doctoraatsthesis omtrent de bewuste Moslim Conferentie die plaatsvond van 6 tot 17  december 1931 in Jeruzalem.

De hele thesis is zeker de moeite waard om te lezen, maar ik licht er enkel deze korte passage uit (blz.235):

“Christelijke steun, behoudens de rellen (van augustus 1929), was eveneens vanzelfsprekend in christen getuigenissen die het islamitisch eigendomsrecht bevestigen van de Klaagmuur (aka Kotel) als zijnde een integraal deel van de al-Aqsa Moskee.

De Opperste Islamitische Raad trachtte later zoveel mogelijk munt te slaan uit deze zogenaamde onbevooroordeelde getuigenissen, erover klagend in een correspondentie die volgde op de bevindingen van de Commissie dat “de islamitische zijde had onbevooroordeelde getuigenissen verkregen van Palestijnse christenen evenals van buitenlanders, met inbegrip van priesters, monniken en gidsen die bewezen dat [Joodse opeisingen van de Klaagmuur nergens op gebaseerd zijn]… maar de Commissie had geen notie genomen van dergelijk bewijs hoewel de meerderheid van deze getuigenissen onpartijdig waren jegens niet-moslims, Palestijnen evenals ten aanzien van buitenlanders.”

Geen twijfel dat dergelijke spontane bekentenissen, toch minstens voor een deel, oprecht waren. Van de andere kant werden dergelijke getuigenissen in het algemeen uitgelokt en men kan zich moeilijk voorstellen dat, de omstandigheden in aanmerking genomen,  hoe een christen Arabier een uitnodiging kan afwijzen ongeacht enige persoonlijke mening hij mag hebben over het tegendeel; inderdaad, de Commissie bleef enigszins sceptisch tegenover christen steun.”

christ

door Brabosh.com

met dank aan Yisrael Medad voor zijn hint

Advertisements