Geen vrede zolang de Palestijnen zich kanten tegen de tweestatenoplossing [Efraim Karsh]

Naarmate de jaren verstrijken hoe groter de sleutels worden. De sleutel staat hier symbool voor de terugkeer van de ‘Palestijnen’ [naar Israël], een eufemisme voor de vernietiging van Israël door middel van demografische subversie. Tegelijk blijft de Mythe van de Nakba nog immer aanzwellen. Er wordt beweerd dat ca. 5 miljoen nazaten van de in 1948 gevluchte Arabieren ‘terug naar huis’ willen. Echter, wanneer de algemene internationale bepalingen van de UNHCR van kracht zouden zijn op de ‘Palestijnse’ vluchtelingen, zouden er vandaag hooguit 20.000 bejaarde authentieke vluchtelingen meer over blijven die eventueel in aanmerking komen voor ‘terugkeer’.

“Twee staten, die naast elkaar leven in vrede en veiligheid.” Dit, in de woorden van president Barack Obama, is de oplossing voor de eeuwenlange strijd tussen Joden en Palestijnse Arabieren in het Midden-Oosten. Washington staat volledig en vastberaden achter deze oplossing. En zo zijn ook de Europeanen dat. De Verenigde Naties en de ‘internationale gemeenschap’ zingen luidkeels mee in het koor. Opeenvolgende regeringen van de staat Israël hebben hun steun geuit voor het idee. Tot dusver is er – net zoals dat overigens altijd al het geval is geweest – maar één dwarsligger.

Het verhaal begint lang geleden. In april 1920, installeerde de pas gevormde Volkenbond Groot-Brittannië als de gemandateerde macht in Palestina. De Britten verbonden zich ertoe, via de Balfour-verklaring, de oprichting van een Joods nationaal tehuis in Palestina te vergemakkelijken. Maar ze werden herhaaldelijk geconfronteerd met een gewelddadige Arabische oppositie, die ze bij herhaling trachtte te kalmeren. Al in maart 1921, trokken zij het uitgestrekte en dunbevolkte gebied ten oosten van de Jordaan (“Trans-Jordanië”) uit het kandidaatgebied voor het Joods nationaal thuis en maakten Abdoellah, de emir van Mekka, als de effectieve heerser van die nieuwe staat. In 1922 en 1930 gaven de Britten twee White Papers uit waarin de Joodse immigratie naar Palestina werd beperkt en strenge beperkingen werden opgelegd op de verkoop van grond aan Joden.

Maar het geweld bleef toenemen en in juli 1937 sleepte het haar grootste beloning binnen toen een Britse onderzoekscommissie onder leiding van Lord Peel, aanbevelingen deed door de voorwaarden van het mandaat in hun geheel te verwerpen. In plaats daarvan steunde de Commissie thans het voorstel voor een twee-staten-oplossing: de opdeling van Palestina in een Arabische staat, verenigd met Trans-Jordanië, die ongeveer 85 procent van het mandaatgebied ten westen van de rivier de Jordaan zou innemen, en een Joodse staat in het resterende deel. “Een half brood is beter dan geen brood,” schreef de Commissie in haar verslag, in de hoop dat “bij nader inzien beide partijen tot het besef zouden komen dat de nadelen van de verdeling niet opwegen tegenover de voordelen.”

Maar de verdeling ging niet door. Terwijl de zionistische leiders het plan halfslachtig ondersteunden, wuifden de Arabische regeringen en de Palestijns-Arabische leiders het voorstel met de losse hand van zich weg, met uitzondering dan van Abdoellah, die de verdeling zag als een opstapje naar het grote Arabische Rijk waarnaar hij streefde in het creëren ervan.

Hetzelfde gebeurde in november 1947 toen in het zicht van de naderende einde van het Britse Mandaat, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met een ruime meerderheid haar goedkeuring hechtte aan het verdeelplan van Palestina [VN-resolutie 181]. Door het plan in haar geheel te verwerpen probeerden de Arabische landen Israël al van bij haar ontstaan te vernietigen. Deze keer echter mislukte het Arabische geweld. In de daaropvolgende oorlog heeft Israël niet enkel har soevereine onafhankelijkheid weten te bevestigen en controle te laten prevaleren boven iets grotere gebieden dan die welke haar door de Verenigde Naties waren toegewezen, maar de Palestijnse Arabische gemeenschap was diep door elkaar geschud en ongeveer de helft van haar leden vluchtten naar andere delen van Palestina en naar de Arabische buurlanden.

Maar de resultaten konden de Arabieren nauwelijks overtuigen van de gegrondheid van de twee-staten-oplossing. Integendeel, de Arabische staten bleven de Palestijnse zaak manipuleren voor hun eigen verschillende doeleinden. Noch Egypte of Jordanië wilden Palestijnse zelfbeschikking toestaan in die delen van Palestina die zij hadden bezet tijdens de oorlog van 1948. Jordanië annexeerde de Westelijke Jordaanoever in april 1950, terwijl Egypte de Gazastrook vastklemde onder een repressief militair bewind. Geen nieuw Palestijns leiderschap mocht ontstaan. Pas na de verovering van deze gebieden door Israël tijdens de Zesdaagse Oorlog van juni 1967, en vijf maanden later de passage van Resolutie 242 doorheen de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, zal hun politieke toekomst een kwestie worden van de eerste orde.

Op dat ogenblik had echter niemand de terugkeer voorzien naar de twee-staten-oplossing. Integendeel: de Palestijnse natie werd verworpen door de gehele internationale gemeenschap, met inbegrip door de westerse democratieën, de Sovjet-Unie (destijds de belangrijkste voorstander van het radicale Arabisme) en door de Arabische wereld zèlf (op het einde van 1974 had de Syrische president Hafez al-Assad openlijk verwezen naar Palestina als een “fundamenteel landsdeel van zuidelijk Syrië”). In plaats daarvan, onder de “land voor vrede” voorstellen in Resoluties 242, werd ervan uitgegaan dat alle gebieden die door Israël waren ontruimd zou teruggeven worden aan hun pre-1967 Arabische bezetters: Gaza naar Egypte en de Westelijke Jordaanoever naar Jordanië. In de resolutie werden de Palestijnen niet eens bij naam vernoemd, de noodzaak bevestigend “voor het bereiken van een rechtvaardige oplossing van het vluchtelingenprobleem” – een clausule die niet enkel bedoeld werd voor de Arabieren maar ook aan de honderdduizenden Joden die na de oorlog van 1948 uit de Arabische landen waren verdreven.

Hoe zat het dan met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO), die in 1964 werd opgericht op initiatief van de Egyptische president Gamal Abdel Nasser? Door de aanhoudende terreurcampagne op het einde van de jaren 1960 en begin 1970, in het bijzonder dan inbegrepen de moord op elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen van München september 1972, zal de PLO zich geleidelijk aan vestigen als een belangrijke internationale speler. In oktober 1974 werd de PLO door de Arabische Liga aangewezen als de “enige legitieme vertegenwoordiger” van het Palestijnse volk en in de daaropvolgende maand zal de president van PLO Yasser Arafat de eerste leider zijn zonder staat die ooit de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties mocht toespreken. Kort daarop verleende de Verenigde Naties de status van waarnemer aan de PLO, ondanks dat de organisatie zich openlijk inzet voor de vernietiging van Israël, een VN-lidstaat notabene!; binnen een paar jaar was het de PLO toegestaan om in de meeste West-Europese hoofdsteden kantoren te openen.

De opkomst van de PLO in combinatie met het Jordanië dat haar aanspraken op de Westelijke Jordaanoever liet vallen [ten gunste van de PLO], heeft geleid tot een herinterpretatie van resolutie 242 naar wat in feite een twee-staten-oplossing voorstond, met name Israël en een Palestijnse staat die door de PLO werd bestuurd op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. Genoegzaam genegeerd was één opvallend feit: de PLO verwierp een dergelijke oplossing. In juni 1974 legde de organisatie haar “gefaseerde strategie” op tafel, die bepaalde dat onder gelijk wiens voorwaarden en ongeacht hoeveel grondgebied Israël bereid was of gedwongen werd af te staan, te gebruiken als een springplank voor verdere territoriale winsten tot – in haar letterlijke bewoordingen – de “volledige bevrijding van Palestina” zal verwezenlijkt zijn.

Het is waar dat in november 1988, meer dan twee decennia na de passage van Resolutie 242, het leek alsof de PLO bereid was om de resolutie te aanvaarden, maar dit was weinig meer dan een truuk om het gesprek met Washington te heropenen. Kort na die geste, verklaarde Salah Khalaf, de tweede in commando na Arafat (beter bekend onder zijn nom de guerre als Abu Iyad) dat: “De oprichting van een Palestijnse staat in een deel van Palestina is slechts een tussenstap in de richting naar heel Palestina.” Twee jaar later, na de Iraakse bezetting van Koeweit (die de PLO ondersteunde), herhaalde hij dat standpunt op een openbare bijeenkomst in Amman, zeggende “Palestina te zullen bevrijden – centimeter na centimeter – vanaf de [Middellandse] zee tot aan de [Jordaan] rivier.”

Ondanks dit alles besliste de Israëlische Labour-regering, die de “land voor vrede” formule had gesteund in de onmiddellijke nasleep van de oorlog van 1967, om in haar eigen vredesonderhandelingen te stappen met de PLO. In 1993 ondertekende Israël de “Oslo-akkoorden” waarin Palestijns zelfbestuur op de gehele Westoever en de Gazastrook werd toegestaan voor een overgangsperiode van niet langer dan vijf jaar, gedurende welke tijd Israël en de Palestijnen beloofden een permanente regeling te onderhandelen. Hoewel de Oslo-akkoorden niet expliciet gebaseerd waren op een twee-staten-oplossing, betekenden zij het startsein van een impliciete Israëlische bereidheid om te berusten in de oprichting van een Palestijnse staat.

Maar opnieuw had de PLO andere plannen. Naar het oordeel van het Oslo ‘vredesproces’ werd niet de weg naar een twee-statenoplossing gewezen maar naar een één-staatoplossing. Arafat gaf vijf dagen voor de ondertekening van de akkoorden in Washington toe dat, toen hij aan een Israëlische journalist had gezegd dat “In de toekomst, Israël en Palestina één verenigde staat zullen worden waarin Israëli’s en Palestijnen samen leven”, wat inhield dat Israël zou ophouden met te bestaan. En zelfs toen hij de hand schudde van premier Yitzhak Rabin op het gazon voor het Witte Huis, garandeerde Arafat de Palestijnen in een vooraf opgenomen boodschap in het Arabisch dat de overeenkomst in feite slechts deel was van de “gefaseerde uitvoering van de strategie van de PLO”.

De volgende tien jaren zal herhaaldelijk – over en weer – een samenvatting van hetzelfde verhaal worden aangeboden. Bij de aanpak van het Israëlische of westerse publiek, zou Arafat voortdurend de “vrede” loven die hij had ondertekend met “mijn partner Yitzhak Rabin”. Tegenover zijn Palestijnse kiezers, stelde hij de akkoorden voor als overeenkomsten van voorbijgaande aard die de behoeften van het ogenblik moesten dienen, maakte hij voortdurend toespelingen op de “gefaseerde strategie” en drong hij herhaaldelijk aan op het “recht op terugkeer”, een eufemisme voor de vernietiging van Israël door middel van demografische subversie.

En dat was nog maar het minste van al. Terwijl hij verder het idee discrediteerde van “twee staten die naast elkaar leven in vrede en veiligheid”, lanceerde de Palestijnse Autoriteit (PA) van Arafat een langlopende campagne van rassenhaat en politieke ophitsing. Israëli’s en Joden meer in het algemeen, werden afgeschilderd als bron van alle kwaad en verantwoordelijk gesteld voor elk probleem, echt of ingebeeld, op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza. Palestijnen werden geïndoctrineerd in de onwettigheid van de staat Israël en het ontbreken van een Joodse band met het land, aangevuld met verhalen van de Israëlische complotten bedoeld om hen te beschadigen en te te ruïneren.

Noch zal het daar bij ophouden. Het omarmen van het geweld als het bepalende kenmerk van zijn bewind, heeft Arafat in de gebieden een uitgebreide terroristische infrastructuur uitgebouwd – een flagrante schending van de akkoorden en in totale tegenspraak met de officieel opgegeven voor zijn aanwezigheid aldaar: met name om de basis te leggen voor Palestijnse onafhankelijkheid. Israëlische concessies hebben geen effect gehad, integendeel. In 1997 gaf Jeruzalem aan de PA de volledige controle over vrijwel de gehele Arabische bevolking op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook, evenals ongeveer 40 procent van het land, bij wijze van inleiding tot de uiteindelijke onderhandelingen van een definitieve status [van de Palestijnse gebieden]. Maar het aantal burgerslachtoffers in Israël bleef intussen toenemen. Op de door de Amerikanen samengeroepen vredesonderhandelingen in Camp David (juli 2000), deed Ehud Barak Arafat een voorstel om een compleet einde te maken aan de Israëlische aanwezigheid door vrijwel het gehele grondgebied op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook over te laten aan de ontluikende Palestijnse staat en maakte adembenemende concessies behoudens de status van Jeruzalem. Arafat antwoordde met oorlog, maar op een dergelijk nooit gezien niveau van lokaal geweld dat tot dan ongeëvenaard was in omvang en intensiteit sinds de pogingen om met geweld de geboorte van de Joodse staat in 1948 te verhinderen.

Hoewel het overduidelijk was geworden dat, toen de PLO geen enkel belang meer toonde in een soevereine staat Palestina, reageerde de internationale gemeenschap met een veroordeling van de defensieve maatregelen die Israël nam tegen de Palestijnse intifada en drong aan om het “vredesproces” te versnellen. Het hield ook de massieve instroom van internationale hulp in stand aan de Palestijnse Autoriteit, waardoor de Palestijnen de grootste ontvangers werden van buitenlandse hulp per hoofd van de bevolking in de wereld – hoewel het merendeel van de fondsen onmiddellijk werd overgeboekt naar de persoonlijke bankrekeningen van Arafat en zijn trawanten en / of doorgesluisd naar zijn terroristische activiteiten. Zelfs na de dood van Arafat eind 2004 en de verpletterende overwinning van de militante islamitische groep Hamas tijdens de Palestijnse parlementsverkiezingen twaalf maanden later, houden de Westerse regeringen nadrukkelijk de façade van een “vredesproces” overeind’, thans Mahmoed Abbas en zijn verslagen al-Fatahpartij omarmend als de belichaming van de zogenaamde ‘gematigdheid’.

Maar is er in feite wel een fundamenteel onderscheid tussen Hamas en Fatah wanneer het gaat om een twee-staten-oplossing? Geen van beide fracties accepteert formeel het recht van Israël om te bestaan; beide hebben zich er formeel toe verbonden tot de uiteindelijke vernietiging [van Israël]. Bovendien, en niettegenstaande alle weliswaar grote verschillen tussen Arafat en zijn opvolger Abbas zowel in persoonlijkheid als in politieke stijl, zijn de twee gespeend en gespekt in hetzelfde weefsel van de dogmatische PLO.

In een televisietoespraak van 15 mei 2005, beschreef Abbas de oprichting van Israël als een historisch onrecht zonder voorgaande en zwoer vastberaden en onwankelbaar nooit dergelijke oplossing te zullen accepteren. Twee-en-een half jaar later, op een door de VS gesponsorde vredesconferentie in Annapolis, verwierp hij het voorstel van premier Ehud Olmert van een Palestijns-Arabische staat die 97 procent van de Westelijke Jordaanoever zou beslaan alsook de hele Gazastrook en wees categorisch het verzoek om Israël te erkennen als Joodse staat naast een toekomstige Palestijnse staat, en drong in plaats van aan op de volledige uitvoering van het “recht op terugkeer.”

In juni 2009 verbrak premier Benjamin Netanjahoe een langdurig basisregel met Likoed door publiekelijk een twee-staten-oplossing te aanvaarden en in te stemmen met de oprichting van een Palestijns-Arabische staat, op voorwaarde dat de Palestijnse leiders in natura zouden reageren door het Joodse karakter van de staat Israël te erkennen. De Arabische wereld ontplofte van woede. De Egyptische president Hoesni Moebarak, waarvan het land in 1979 met Israël een vredesverdrag heeft ondertekend, betreurde de verklaring van Netanjahoe “die de mogelijkheden op vrede doorkruisten.” De Palestijnse hoofdonderhandelaar Saeb Erekat waarschuwde dat Netanjahoe “nog 1000 jaar zal moeten wachten vooraleer hij nog eens een Palestijn zal vinden die met hem wil samengaan.”

Op het zesde algemeen partijcongres van al-Fatah, dat bijeen kwam in Bethlehem in augustus vorig jaar (2009), bevestigden de afgevaardigden hun jarenlange inzet voor “de gewapende strijd” als “een strategie, geen tactiek. . . . Deze strijd zal niet stoppen totdat de zionistische entiteit is geëlimineerd en Palestina is bevrijd.” Meer recent, zelfs wanneer Abbas publiekelijk de mond van Obama heeft nagepraat voor de formule van “twee staten die naast elkaar leven in vrede en veiligheid,” legde hij er de nadruk op dat het onmogelijk was op de voorafgaande voorwaarden in te gaan om de staat Israël te accepteren.

De Peel Commissie had het principiële recht in handen. Terwijl een twee-staten-oplossing “geen van beide partijen alles geeft wat ze willen, biedt het aan elk van hen wat ze het hardste willen, namelijk vrijheid en veiligheid.” Het is een grote historische ironie dat dit “een half brood” -oplossing moet zijn die bij herhaling als antwoord door anderen naar voren wordt geschoven – Europeanen, Amerikanen, Israëli’s – tot aan de daden van haar meest onverzoenlijke tegenstanders, die dan vervolgens herhaaldelijk overgingen tot het ontbinden [van die oplossing] in woord en daad. Aan de Palestijnse kant, heeft geen enkele leider ooit blijk gegeven van echte sympathie voor het idee of gehandeld heeft op een wijze die een goedkeurende omhelzing van het idee inhield. Hetzelfde geldt, met gedeeltelijke uitzondering van Egypte en Jordanië, voor de grotere Arabische wereld.

Bijna twee decennia later en duizenden doden verder na de lancering van het ‘vredesproces’, zou men kunnen hopen dat de westerse beleidsmakers eindelijk zouden beginnen met te luisteren naar wat de Palestijnse leiders vertellen aan hun eigen volk en tegenover het bredere Arabische publiek. Wat blijft voor de les geschiedenis is: zolang bepaalde zaken aan de Arabische kant worden toegestaan, of aangemoedigd te blijven zoals ze zijn, zal er geen twee-staten-oplossing komen en dus ook helemaal geen oplossing.

door Efraim Karsh


Bron: in een vertaling van Brabosh.com naar een artikel van Efraim Karsh van 20 juli 2010 op de website van het Middle East Forum.

Advertenties