Israël was niet de oorzaak van de vlucht van de Arabieren in 1948

abu-mazen-1989Tunis, Tunesië, zomer 1989. Links Abu Ammar (aka Yasser Arafat) en helemaal rechts Abu Mazen (aka Mahmoud Abbas, toen 54 jaar). Van 1982 tot 1 juli 1994 was het HQ van de PLO in Tunis waarna het verhuisde naar Gaza nadat in Oslo de Palestijnse Autoriteit werd gesticht. Eerder, van ca. 1967 tot juli 1971, bevond het HQ van de PLO zich in Jordanië en daarna in Libanon tot in 1982.

Een van de vele Palestijnse Arabische mythes die tot op vandaag wordt gecultiveerd (wat is het geheugen toch weer kort geweest) is dat de Palestijnen door de Israëlische Joden met geweld en terreur uit hun huizen en hun geboorteland werden geranseld en over de grenzen heen naar de Arabische buurlanden werden verjaagd om daar sindsdien decennialang en tot op vandaag te kreperen en kommer en kwel. Hieronder enkele getuigenissen die deze hardnekkige leugen van de Nakba mythe weerleggen, waarvan de eerste door niemand minder dan PA-president Mahmoud Abbas zelves!

Abu Mazen, nom de guerre van PA president Mahmoud Abbas [°1935], schreef 40 jaar geleden in een artikel getiteld “Madha `Alamna wa-Madha Yajib An Na`mal” [‘Wat wij hebben geleerd en wat wij moeten doen’], gepubliceerd op 26 maart 1976 van “Falastineth-Thawra” [Revolutionair Palestina], de officiële uitgave van de Palestijnse Bevrijdingsbeweging [PLO]:

abu-mazenMahmoud Abbas: “De Arabieren trokken Palestina binnen om de Palestijnen te beschermen tegen de Zionistische tirannie echter, in plaats van lieten zij hen in de steek, dwongen hen om te emigreren en hun thuisland te verlaten en gooiden hen in gevangenissen vergelijkbaar met de getto’s waarin de Joden plachten te leven in Oost-Europa alsof ze gedoemd waren om met hen van plaats te verwisselen: zij trokken weg uit de getto’s en bezetten andere gelijkaardige. De Arabische staten slaagden erin om het Palestijnse volk te verspreiden en hun eenheid te vernietigen.”

De Brit Harry Stebbins, een regeringsambtenaar ten tijde van het Britse Mandaat in Palestina en in 1947-1948 officier van de haven van Haïfa, schreef op 10 januari 1969 in de London Evening Standard:

“Lang voor het einde van het Britse mandaat, tussen januari en april 1948, hadden vrijwel al mijn Arabisch Palestijnse stafmedewerkers van zo’n 200 mannen en vrouwen en al de 1.800 arbeidskrachten in Haifa verlaten, in weerwil van alle mogelijke inspanningen om hun veiligheid te verzekeren indien ze bleven.

Zij vertrokken allen om een of meerdere van de volgende redenen:

  1. Het Arabische terrorisme dat werd veroorzaakt door het Verdeelplan van de Verenigde Naties van november 1947 [Resolutie 181] maakte hen doodsbang in hun verbeeldingskracht en zij vreesden Joodse vergelding.
  2. Propagandisten beloofden bloedbaden vanaf het moment dat het Mandaat zou eindigen waarna door al de straten van de steden het bloed zou vloeien.
  3. De beloofde invasie door buitenlandse Arabische legers (die begon op 13 mei 1948 met de massacre door het Arabisch Legioen van zowat 200 Joodse kolonisten in Kfar Etzion) werd voorafgegaan door radiouitzendingen uit Caïro, Damaskus, Amman en Beiroet met als effect dat om het even welke Arabier die zou blijven zou opgehangen worden als collaborateurs met de Joden.

De Palestijnse Arabieren waren toen slachtoffers, per 1967, van hun eigen propaganda en hadden gemiddeld genomen geen sterke maag voor het geweld waarvoor ze vluchten. Ik heb sindsdien vele van mijn Palestijnse Arabische vrienden van toen ontmoet in Beiroet, Damaskus en Amman en in de Perzische Golfstaten, en ze vertelden me graag en zonder uitzondering dat ze wensten dat ze maar naar me hadden geluisterd en gebleven waren, zoals de ca. 200.000 die dat wel deden en daarna de meest economisch welvarende Arabieren werden – en nog steeds zijn – in het Midden-Oosten.

De massacre van Kfar Etzion, de aanslag op een hospitaalkonvooi waarbij 48 Joodse dokters en verpleegsters werden afgeslacht, de voortdurende beschietingen van en aanslagen tegen Joodse nederzettingen over meer dan 20 jaren, heeft geen enkele Israëliër bewogen om te vertrekken. Ze zitten vast en indien nodig in hun schuilplaatsen, terwijl aan de overkant van de rivier waar de schietpartij vandaan komt, de steden en dorpen verlaten zijn, alwaar de oogst van het vorige jaar nog steeds aan de bomen hangt te rotten en de vluchtelingen zich steeds verder verwijderen van om het even welk probleem. Hoe lang zal de Palestijns Arabische mythe dat ze werden buitengeschopt nog standhouden, telkens dat ze wegliepen van de problemen en zich aldus steeds verder in de problemen werkten?”

Tot slot nog één getuigenis (naast de vele anderen) van de Arabier Khaled al-‘Azm, die diende als premier van Syrië in 1948 en 1949 en die in 1973 in Beiroet zijn biografie publiceerde. Op pagina 386-387 schreef de oud-premier dat een van de redenen van het Arabische falen in 1948 was:

“[..] de oproep door de Arabische regeringen aan de inwoners van Palestina om het te evacueren en naar de aangrenzende Arabische landen te gaan, nadat terreur onder hen werd gezaaid… Sinds 1948 hebben we om de terugkeer van de vluchtelingen naar hun huizen gevraagd. Maar wijzelves hebben hen aangemoedigd om te vertrekken… Wij hebben vernietiging gebracht over een miljoen Arabische vluchtelingen door hen op te roepen en te smeken om hun gronden achter te laten, hun huizen, hun werk en hun handelszaken…”

arafat1993Tunis, 4 september 1993. Ondertekening van de Oslo-akkoorden door Abu Ammar, de nom de guerre van wijlen Yasser Arafat: “We recognize the right of Israel to exist in secure and recognized boundaries.” [“Wij erkennen het bestaansrecht van Israël binnen veilige en erkende grenzen”].

Op de foto. Zittend: Abu Ammar (aka Yasser Arafat) en de Noorse toenmalige minister van Defensie Johan Holst. Rechtstaand van links naar rechts: de Noorse diplomate Mona Juul (en echtgenote van Terje Larsen), Abu Bashar (aka Yasser Abbed-Rabbo), de Noorse vredesonderhandelaar Terje Larsen, Abu Mazen (aka Mahmoud Abbas), Abu Ala (aka Ahmed Qurei) en Hassan Asfour.

Advertisements