Duitse-Turkse migrante over de moslims en de Holocaust [Necla Kelek]

erdo2Jeruzalem, zondag 1 mei 2005. De Turkse premier Recip Erdogan en zijn vrouw Amina, elf jaar geleden op bezoek in Yad Vashem in Jeruzalem, Israël’s hernieuwde Historisch Museum omtrent de Holocaust opent de deuren [beeldbron: EPA]

Necla Kelek:

“Zoals u wellicht weet, ben ik in Turkije geboren en in 1967 op 10-jarige leeftijd naar Duitsland gekomen en intussen Duits staatsburger. Ik deel deze biografie met duizenden anderen en moet mezelf afvragen: ben ik voor datgene, dat voor mijn tijd in Duitsland tussen 1933 en 1945 gebeurde, medeverantwoordelijk?

turksGaat mij datgene, dat decennia geleden in Turkije gebeurde en nu gebeurt, nog iets aan? Veel van mijn Turkse landgenoten, vooral de jongeren, leven tegenwoordig in een soort zelfgekozen historische en onverantwoordelijke toestand. De historie en de omstandigheden in Turkije kennen ze niet en ze kunnen ze ook niet beïnvloeden. Ze willen niet dat er slecht wordt gepraat over het verre vaderland, protesteren in een soort collectieve reflex, wanneer men in de duistere gebeurtenissen van de historie licht wil brengen. Met de Duitse geschiedenis hebben ze ook niets te maken.”

De medeplichtigheid van de Grootmoefti van Jeruzalem aan de Holocaust is intussen genoegzaam bekend. Zijn sympathie voor Adolf Hitler en onafgebroken pogingen om de Holocaust ook in Palestina te voltrekken, daaraan worden de tegenstanders van de Joodse staat tot op heden niet graag aan herinnerd. In het volgende artikel op HoeiBoei van Necla Kelek, een Duits-Turkse vrouw, dat me heden werd aangereikt via de weblog van Wouter Brasse en Ratna Pelle, wordt een en ander verder in de context geplaatst, meer bepaald over de situatie van de Joden in Turkije.

Deze tekst van Necla Kelek is in feite de ingekorte versie van een toespraak die zij hield op 9 november 2009 in de Sint Pauluskerk te Frankfurt-am-Main (D) om te herinneren aan de Reichskristallnacht van 9.11.1938, de eerste grootschalige pogrom op de Joden van Duitsland. Het merendeel van de inhoud gaat over de Armeense genocide en dat deel heb ik weggelaten.Wie het volledige artikel (Nederlands of de oorspronkelijke Duitstalige tekst) wil lezen, kan dat door te klikken onderaan bij de bronnen.

Ingang van Auschwitz I, het basiskamp Holocausteducatie: Door Turkse immigranten maar zelden bezocht: Hoofdingang van het basiskamp KZ Auschwitz I

Die Muslime und der Holocaust

door Necla Kelek

Overigens was Hitler over de genocide en het optreden van de Jong-Turken exact geïnformeerd. In zijn proces, waarin hij zich moest verantwoorden voor de putsch van 1923, beriep hij zich op het voorbeeld van de Jong-Turken. En voor de overval op Polen in 1939 veegde de “Führer” alle bezwaren tegen de vernietiging van de Poolse elites met de aanwijzing van tafel: “Wie praat er tegenwoordig nog over de vernietiging van de Armeniërs?” Hitler zocht bovendien de strategische samenwerking met de moslims tegen de Joden. Deze vond hij in de moefti van Jeruzalem, de meest invloedrijke vertegenwoordiger van de moslims in het Midden-Oosten.

Hajj Mohammed Amin al-Husseini, zo heette de moefti, organiseerde sinds 1916 opstanden tegen de joodse bevolking in Palestina, ook de strijd om de Klaagmuur, waarbij in 1929 honderden Joden en Arabieren stierven, komt voor zijn rekening. Met de machtswisseling van de nazi’s in Duitsland openden zich nieuwe perspectieven voor hem. De moslims zochten contact met Berlijn, boden aan om opstanden tegen de Britten op touw te zetten, vroegen om wapens en kregen deze. Al-Husseini was daarbij diegene die aan de politieke, religieuze en militaire touwtjes trok.

Toen in het begin van de oorlog in 1939 de situatie ook in Jeruzalem onveilig werd, vluchtte de moefti naar Beiroet en deed in zijn eigenschap als leider van de Arabische wereld de Duitse “Führer” Adolf Hitler een aanbod tot samenwerking toekomen. Het kwam tot een pact van de duivel tussen de halve maan en het hakenkruis. Het lukte de moefti om in 1941 via Istanboel en Rome in Berlijn te komen. Hier werd hij ontvangen door Hitler. Hij drong er bij hem op aan om de Arabieren officieel te steunen in hun “strijd om een Arabische natie”. Hitler gaf opdracht om al-Husseini op de loonlijst van de nazi’s te zetten. De moefti werd niet moe om de strijd tegen de Joden in Arabië te organiseren.

Toen de moefti in 1942 hoorde, dat de Duitse kant onderhandelde over de uitwisseling van 5000 joodse kinderen uit Slowakije, Polen en Hongarije tegen Britse krijgsgevangenen, intervenieerde hij bij zijn vriend Heinrich Himmler – want als deze kinderen over enkele jaren volwassen zouden zijn, zouden zij het “joodse element” in Palestina versterken. Himmler verbood daarop de uitwisseling. Iets dergelijks herhaalde zich, toen de regering in Boekarest bijna 80.000 Joden uit Roemenië naar Palestina wilde laten uitreizen. Net zoals bij de onderhandelingen over 5000 Bulgaarse kinderen in februari 1943, werden ze in plaats van naar Palestina naar de vernietigingskampen getransporteerd. Het religieuze hoofd van de Palestijnse moslims bleek een waakzame handlanger van de Holocaust te zijn.

Terug naar de Turken en hun relatie tot de Joden in hun land. De minister van integratie van de deelstaat Nordrhein-Westfalen is er in zijn boek “Die Aufsteigerrepublik” voorstander van om de jonge, van oorsprong uit Turkije afkomstige, jongeren de empathie met de slachtoffers van de Holocaust mogelijk te maken door hen ermee in aanraking te brengen “dat het juist de jonge Turkse republiek onder Atatürk was, die aan duizenden vervolgden in de nazitijd asiel gaven”. Helaas moet men vaststellen, dat ook ministers in dit land vaak over dingen spreken waarover ze zich slecht hebben geïnformeerd.

In 1933 nodigde de Turkse regering dertig, later 200 Duitse wetenschappers uit om in Turkije een nieuwe universitaire opleiding op te richten. Het waren meest racistisch vervolgden van de “Noodgemeenschap van Duitse wetenschappers in het buitenland”, o.a. de architect Bruno Taut, de uitvindster van de inbouwkeuken Margarete Schütte-Lihotzky, de componist Paul Hindemith, Ernst Reuter enz. met hun gezinnen; in totaal 1000 personen. Toen Atatürk in 1938 overleed, werden de meeste contracten niet verlengd en veel van de emigranten werden in 1944 ondergebracht in interneringskampen. Het “neutrale” Turkije verlangde op druk van de Duitse regering vanaf 1938 een “bewijs van Ariërschap” van vluchtelingen en probeerde de vluchtroute van joden via Turkije af te sluiten. Met de eigen Joden ging men niet beter om.

Volgens informatie van joodse organisaties hadden zich vanaf het begin van de oorlog bijna 20.000 Turkse Joden in Europa gevestigd – een enorm aantal, gezien de 82.000 Turkse Joden die in Turkije zelf (1927) stonden geregistreerd. In Berlijn hadden ze zelfs een eigen synagoge. Na de besluiten van de Wannsee-conferentie over de “Endlösung” van de joodse kwestie werden de regeringen van tien Europese landen, ook die van Turkije, er door de Duitse minister van buitenlandse zaken in juli 1943 geïnformeerd over de mogelijkheid om “Joden met het staatsburgerschap van het betreffende land uit het Duitse machtsgebied naar huis terug te halen”.

De Turkse regering maakte hier geen haast mee. Ze verzocht de Duitse ambassade herhaaldelijk om een verlenging van de termijn. De ambassade op haar beurt maande Turkije meerdere malen aan om toch eindelijk te reageren. Toen Turkije desondanks niets ondernam om zijn mensen terug te halen, nam de veiligheidspolitie in Brussel de regie over. Op 13 januari 1944 deelde deze aan het ministerie van buitenlandse zaken mee: “Inmiddels is een serie Turkse joden overgedragen aan een concentratiekamp. De sleutels van de woningen van deze Turkse Joden zijn via de ambassade in Parijs overhandigd aan het voor België verantwoordelijke Turkse generaalconsulaat.”

Advertenties