De Palestijns Arabische aspiraties van 1948 zijn niet veranderd [Eli E. Hertz]

haganahHaïfa, 13 april 1947. Het schip  de ‘Theodor Herzl’, zo genoemd naar de ‘Vader van het Zionisme’, dat op 2 april 1947 was vertrokken vanuit de Franse haven Sète met aan boord 2.641 overlevenden van de Holocaust, legt aan in de haven van Haifa nadat het schip op volle zee werd geënterd door mariniers van het Britse bezettingsleger. De Joden werden na hevig verzet, waarbij drie Joden werden gedood en 27 anderen gewond, gearresteerd en opgesloten. De gewonden en de zieken werden opgesloten in het Atlit detentiekamp nabij Haifa en alle anderen gedeporteerd naar het eiland Cyprus en opgesloten in Britse kampen. Het spandoek leest: “De Duitsers hebben onze families en huizen verwoest. Verwoesten jullie niet onze hoop!” [beeldbron: Palyam & Aliya Bet website]

Im Tirtzu: “Wanneer jullie willen is het geen sprookje.
Maar als jullie niet willen, zo is en zal het een sprookje blijven.”

[Orig. Duits: “Wenn Ihr wollt, ist es kein Märchen. Wenn Ihr aber nicht wollt, so ist es und bleibt es ein Märchen” of kort gezegd: ‘Waar een wil is, is een weg.’
Theodor Herzl in zijn novelle ‘Altneuland‘ uit, 1902]

Het is een goed idee om ons geheugen op te frissen – of onszelf te informeren – aan wat werkelijk is gebeurd in 1948, in een tijd dat de wereld tracht de geschiedenis te herschrijven.

Nakba: Slachtoffers van hun eigen gedrag

Toen de Britten een aanvang maakten om hun Mandaat [Het Britse Mandaat] te ontmantelen en westelijk Palestina te verlaten, begon Israël’s Onafhankelijkheidsoorlog (30 november 1947 – 14 mei 1948). Tijdens de oorlog, waarin Palestijnse Arabieren gewapend deelnamen aan het conflict en tegen het einde, eerder dan een Joodse staat te aanvaarden na vijfeneenhalve maand verwoede gevechten, riepen de Palestijnse Arabieren hun broeders van zeven omringende landen op om de kersverse Joodse staat binnen te vallen en te verpletteren. Zesduizend Joden – 1 procent van de toenmalige Joodse bevolking van Israël – verloren het leven tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog.

war-1948aHet besluit van 10 april 1948 van de Arabische Liga om Israël binnen te vallen en “Palestina redden”, markeerde een keerpunt, toen de regels van het conflict veranderden. Dienovereenkomstig, draagt Israël geen morele verantwoordelijkheid voor het met opzet verbannen van Palestijnse Arabieren om “verdedigingsarrangementen te consolideren” in strategische gebieden.

Met de op til staande invasie, volgend op Israël’s verklaring van onafhankelijkheid, is het niet overdreven om te stellen dat het feitelijke voortbestaan van de nieuwe Joodse staat op het spel stond.

De nieuwe Joodse staat vond het noodzakelijk om alle potentiële haarden van Arabisch verzet in de belangrijkste gebieden te elimineren indien het wilde overleven. Loskomen van alle Arabische inwoners in kwetsbare gebieden in de nabijheid van Joodse nederzettingen, territoriale continuïteit oprichten tussen de blokken die onder Joodse controle stonden en de controle te bewaren over de belangrijkste transport slagaders voor de aanvoer van militair materiaal. Terwijl 14 mei naderde, kon Israël zich het risico niet veroorloven om een Vijfde Colonne te dulden in haar achterhoede, toe te voegen aan alle andere aspecten van haar militair inferieure situatie.

De prijs van een nederlaag werd erin gehamerd door een stroom aan bijzonder sinistere waarschuwingen uit Arabische hoofdsteden, met voor Israël wellicht de meest huiveringwekkende die kwam van Jamal Al-Husseini als vice-voorzitter van het Arabisch Hogere Comité [AHC], die openlijk verklaarde:

“De Arabieren hebben in hun eigen handen genomen, de Eindoplossing van het Joodse probleem. Het probleem zal enkel opgelost worden in bloed en vuur. De Joden zullen uitgedreven worden.”

Drie jaren nadat het wereld Jodendom een derde van haar volk had verloren in de Holocaust, waren de Israëliërs niet van plan om uit te testen of de woorden van Jamal al-Husseini eerder rethorisch waren bedoeld dan werkelijk een bedreiging vormden,  en aldus bereidden zij zich voor op het ergste. De prijs die Israël moest betalen om de Arabische aanval te stoppen en de overhand te krijgen was verschrikkelijk. Tijdens de eerste vier weken die volgden na de Arabische invasie, werden 1.600 Israëliërs gedood, een kwart van al de oorlogssclachtoffers.

Objectief genomen wordt de bewering dat de Palestijnse Arabieren enkel toeschouwers waren door de feiten tegengesproken. De in het conflict betrokken deelnemers waren geen twee rivaliserende rijken, buitenstaanders of rivaliserende kaliefen. Het was een conflict tussen twee nationale of etnische groepen. Palestijnse Arabieren vertegenwoordigden één zijde in het conflict, de zijde die verantwoordelijk was voor het beginnen van de oorlog.

Door hun eigen gedrag, namen de Palestijnen de rol van de strijdende partij aan in het conflict, die elke aanspraak op ongelukkige slachtoffers te zijn ongeldig maakt. Zoals de geleerde Benny Morris zegt:

“Eén van de karakteristieken van de Palestijnse nationale beweging is geweest dat de Palestijnen zichzelf beschouwen als eeuwige slachtoffers van anderen: Ottomaanse Turken, Britse ambtenaren, Zionisten en Amerikanen.”

Palestijnse Arabieren slagen er niet in om te erkennen dat ze de slachtoffers zijn van hun eigen gedrag.

door Eli E. Herz


Jamal al-HusseiniOp 23 april 1948 zal Jamal al-Husseini in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over de vlucht vooruit van de Arabieren uit ‘Palestina’ (aka de Nakba) verklaren:

“De Arabieren hadden geen zin om te buigen voor een wapenbestand… Zij verkozen om hun huizen, eigendommen en alles wat ze in de wereld bezaten, achter zich te laten en de stad te verlaten. En dat is wat ze in feite deden.”

[orig: “The Arabs did not want to submit to a truce… They preferred to abandon their homes, belongings and everything they possessed in the world and leave the town. And this they in fact did.“]

fawziAan de Onafhankelijksheidsoorlog van Israël (1947-1949) nam ook het Arabische Bevrijdingsleger (Jaysh al-Inqadh al-Arabi/ALA) deel. Die strijdmacht van het ALA stond onder het bevel van de Iraakse Fawzi al-Qawuqji (hierboven met stok).

Het ALA was samengesteld uit vrijwilligers afkomstig uit een rist Arabische landen. Amper 800 van de 5000 vrijwilligers waren ‘Palestijnen’ (= Arabieren afkomstig uit het Brits Mandaat voor Palestina) en de meesten van hen hadden het ALA weer verlaten vooraleer zij hun opleiding hadden voltooid of vertrokken onmiddellijk daarna. Het oordeel van Fawzi Qawuqji over die Palestijnse vrijwilligers klonk dan ook vernietigend:

“De Palestijnen zijn onbetrouwbaar, prikkelbaar, moeilijk te controleren en in georganiseerde oorlogsvoering vrijwel oninzetbaar.”

Advertenties