‘Zikaron’ [Yishai Fleisher]

holocaust-dag

In maart 1995 werden mijn vrienden en ik opgeroepen voor onze dienstplicht in het Israëlische leger. Na een paar afschuwelijke testen te hebben door staan werden we toegelaten tot de brigade van de parachutisten, de Tzanchanim. Bij ons, net zoals bij vele Israëlische kinderen, staat het beeld van de rode baretten die de Klaagmuur bevrijden in onze psyche gegrift. En meer dan wat dan ook willen ook wij ons land eervol dienen, met inzet van onze beste capaciteiten. Er lagen 6 pijnlijke zware maanden van intensieve basistraining voor ons. In deze periode werden onze geest en lichamen overgeheveld van privé-eigendom naar eigendom van de IDF. We leerden om onze individuele capaciteiten tot het bittere uiterste toe te pushen. En we leerden de grote kracht te ontdekken die heerst binnen een groep die een hechte eenheid vormt. En gedurende al die tijd hielden we onze aandacht gevestigd op ons einddoel. De laatste dag van onze basis training.

Waarop we een 86 kilometer lange voettocht moeten afleggen in totale afzondering en met een volledige infanterie-bepakking. Tot aan de Ammunition Hill in Jeruzalem, waar vele Tzanchanim zijn gesneuveld in 1967. En waar wij ook zelf onze echte eigen rode baret zullen ontvangen en we zullen worden ingelijfd in de rang van de parachutisten.

Maar afijn, op een zekere dag in mei, nog maar net 3 maanden nadat we aan onze basistraining waren begonnen, kwam er een op een pitbull gelijkende sergeant-majoor onze barakken binnen gelopen die een grote doos bij zich had. Wij hadden geen flauw idee wat zich in die doos bevond.

De sergeant-majoor begon de doos open te maken en tot onze stomme verbazing zaten er rode baretten in, genoeg voor ons allemaal. Jullie hebben het nog niet verdiend om parachutist te zijn, zei hij tegen ons. Maar morgen zullen jullie deze basis verlaten als echte Tzanchanim voor één dag. Jullie mogen deze baretten nog niet houden, maar draag ze met trots en respect. De volgende dag was het Yom HaziKaron, oftewel herdenkingsdag. Op die dag zou de hele brigade bestaande uit duizenden manschappen uitgezonden worden om aanwezig te zijn bij een van de vele herdenkingsceremonieën voor de gevallen soldaten, die elk jaar plaatsvinden op alle begraafplaatsen over het hele gebied van deze kleine natie. Een ieder van ons kreeg gedetailleerde uitleg mee aangaande de begraafplaats waar hij naartoe werd gestuurd. En we kregen ook het nummer en de ligging van het graf van de overleden Tzanchan. We kregen orders om naast het graf en naast de familie te gaan staan van de jonge man die eens was net zo als wij, een Tzanchan. En we moesten de rode baret dragen, net zoals hij dat eens deed. Om op die manier hem en zijn ziel te herdenken.

Op die dag had ik geluk met liften, de uitverkoren manier van reizen voor een soldaat in uniform. Liften is nou niet bepaald een exacte wetenschap, en hoewel ik mijn “ik ben een hulpeloze soldaat” act tot in de perfectie had uitgewerkt, waren sommige dagen nu eenmaal toch beter dan andere. Ik bereikte de ingang van de begraafplaats ongeveer een uur te vroeg en het was er stil en sereen. Ik rookte een sigaret voor de ingang en slenterde daarna maar vast naar binnen. Het was muisstil op die grote begraafplaats, het enige wat je kon horen was het tsjilpen van de vogels in de bomen. De natuur had deze rustplaats ingenomen en veel muren waren overwoekerd met klimop. Ik probeerde te luisteren naar wat de graven te zeggen hadden, maar ik hoorde geen uitroepen van pijn, geen laatste woorden en geen angst voor de dood. Het leek er volgens mij op dat de doden vrede hadden gesloten met hun lot en niet langer bitter waren over het feit dat ze zo jong gestorven waren.

Zo alleen staande in het zonnetje tussen als die graven begon ik een beetje te dagdromen. Maar al gauw begonnen er meer mensen te arriveren, dus ging ik rechtop staan en zorgde er voor dat mijn baret goed stond. Ik was een beetje nerveus voor de ontmoeting met de familie die me was toegewezen. Wie zijn het en hoe zullen ze reageren op mijn aanwezigheid? Zullen ze gaan huilen terwijl ik naast ze sta? Zullen ze me vragen wie ik ben? Maar het allermeest vroeg mijn ziel zich af hoe het voor de ouders zou zijn om aan het graf van hun kind te moeten staan. Hoe zouden mijn ouders zich voelen als ik dat kind was? Hoe zou ik me voelen als het mijn kind was? Ik moest denken aan mijn moeder en haar gedachten over mijn dienstplicht.

Even later zag ik een familie van 3 personen mijn kant uit komen. Een vader, moeder en hun zoon. En ja, het was de aan mij toegewezen familie. Ze begroetten mij vriendelijk en de vader vroeg wie ik was en van welke legerbasis ik was. De moeder, die dit schijnbaar al eens eerder mee gemaakt had, had wat vruchten en water meegenomen voor de soldaat die voor haar stond. Ze keek me aan, maar ik kon zien dat ze in gedachten ver weg was. En dat ik een pijnlijke herinnering in haar los maakte, namelijk het verlangen om voor haar eigen kind te mogen zorgen.

Toen de sombere ceremonie begon keek ik om me heen en zag al die families bij hun graven staan. En overal tussen hen in zag ik andere rode baretten op duiken. Want alleen de parachutistenbrigade vertegenwoordigt zijn gesneuvelde soldaten op deze manier. Opeens springen de tranen me met geweld in de ogen, want plotseling begreep ik dat dit meer was dan alleen de persoonlijk tragedie van één omgekomen parachutist. Dit is de dag dat geheel Israël alle soldaten herdenkt die hun leven hebben verloren tijdens hun verwoede pogingen om een thuis op te bouwen voor het Joodse volk! De rode baretten die op deze dag overal op de begraafplaats stonden, herinnerden mij aan het enorme succes dat we hebben geboekt bij de heropbouw van een thuis dat we al zo lang geleden hadden verloren. De doden kwamen terug tot leven in de vorm van een nieuwe generatie van jonge soldaten die bij de graven staan, op het land dat GOD ze beloofd heeft! Terwijl de levenden huilen, rusten de doden nu voor eeuwig in de boezem van Eretz Israel, het land van Israël.

Mijn geadopteerde familie voor één dag stonden nu allemaal te huilen, terwijl de sirenes loeiden en over de hele begraafplaats heen galmden om aan te geven dat het moment van stilte en herdenking eindelijk was aangebroken. Hhhhhmmmm! Net als met een primordiale hum of het geluid van de sjofar kan de Joodse ziel de tranen niet meer tegenhouden. Op dat moment voelde ik zo’n diepe dankbaarheid! Ik ben jullie zo dankbaar, mijn gevallen Tzanchanim, gevallen Joden, mijn gevallen broeders. Zonder jullie zouden mijn ouders nooit een plek hebben gehad om naartoe te vluchten, weg uit de wurggreep van de Sovjet-Unie. Zonder jullie zouden de Joden over de hele wereld nooit een schuilplaats hebben gehad. En zonder jullie had ik hier vandaag niet kunnen staan, in dit uniform met de rode baret die nog niet van mij is.

Op dat moment hield de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Shimon Peres, op met zijn toespraak en was de ceremonie afgelopen. De familie bedankte mij voor mijn komst. Ze keken nog even neer op het graf van hun zoon en alleen GOD weet wat of er op dat moment door hun hoofd ging. En toen liepen ze langzaam weg, terwijl de moeder op de arm van haar man steunde. Ze was nu duidelijk zwakker dan toen ze aan kwam. Ik zal ze waarschijnlijk wel nooit meer zien. Shalom, zei ik in me zelf.

Zeven maanden nadat dit verhaal zich af speelde, sneuvelde Tom Kareen, een van de commandanten van deze compagnie tijdens een aanslag door de Hezbollah. Bij dezelfde aanslag verloor Yoav Be’er, een voortreffelijk soldaat uit het 2de bataljon, een oog en een been. Kareen en ik konden niet zo goed met elkaar overweg gedurende het grootste gedeelte van onze diensttijd. Maar enkele dagen voordat hij stierf, zag ik hem op een afstand vanuit de post waar ik de wacht hield met een veldradio op zijn rug een ploeg soldaten aanvoeren. Hij zag mij ook en hij zwaaide breeduit naar mij met een grote glimlach op zijn gezicht. Net alsof hij wilde zeggen: Shalom mijn vriend, er is vrede tussen ons. Zijn groet raakte mij diep, want het was geen karakteristiek legergedrag. Het maakte dat ik me weer een beetje menselijk begon te voelen, al was het ook maar voor heel even.

Nadat hij overleed, kwam de bataljonscommandant met ons praten. Hij deelde ons verdriet, maar hij vertelde ons dat we dat niet mochten laten zien tijdens de begrafenis. Want, zei hij, de vijand mag jullie niet voor de camera zien huilen als kleine baby’s. We zijn een leger en de dood is daar nu eenmaal een onderdeel van. Ik wist dat hij gelijk had. Tom werd begraven in de aarde van zijn geliefde woonplaats, de kibboets Ginosar aan de oevers van het meer van Tiberias, de Kinneret. Het was de allermooiste begraafplaats die ik ooit gezien heb. Het was erg moeilijk om onze tranen tegen te houden, zoals ons bevolen was, vooral toen de verloofde van Tom onder tranen met zo veel liefde en warmte over haar man sprak. Maar vandaag is het de dag dat we herdenken en mogen die tranen eindelijk gaan vloeien.

door Yishai Fleisher

De auteur Yishai Fleisher is de internationale woordvoerder van de Joodse Gemeenschap van Hebron.


In een vertaling uit het Engels door Aukina D. voor E.J. Bron blog van een artikel in The Jeruzalem Post van 10 mei 2016.
bron-logo

Advertenties