UNESCO gebruikt moreel relativisme tegen Israël [Manfred Gerstenfeld]

unescovote2
Parijs, 31 oktober 2011 – Directeur-generaal van UNESCO Irina Bokova tegen de locale afgevaardigde van de Palestijnse Autoriteit: “UNESCO is fier op het erkennen van de Palestijnse staat.” De vertegenwoordiger voor Palestina: “Durf me nog één keer aan te raken en de Jood krijgt er van langs!”

Argumentaties, die “moreel relativisme” of de immorele bewering gebruiken dat “de waarheid of rechtvaardiging van morele beoordelingen niet absoluut is, maar relatief in verhouding tot de morele standaards van een persoon of groep”, worden vaak op duperende wijze ingezet tegen Israël. De Verenigde Naties zijn daarbij een belangrijke schuldige en dit middel wordt regelmatig onder haar auspiciën benut.

In een eerder artikel hebben we het regelmatige gebruik van moreel relativisme door de VN-mensenrechtenraad (UNHRC) aangetoond. Dit op “verschillende waardecriteria voor verschillende volkeren” gebaseerde misbruikinstrument wordt ook door andere VN-organisaties regelmatig tegen Israël ingezet. Een daarvan is de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO).

UNESCO werd in 1945 opgericht met het doel “op het vaste, door twee wereldoorlogen binnen minder dan een generatie gevormde geloof van de naties te antwoorden dat politieke en economische verdragen niet volstaan om een duurzame vrede op te bouwen. Vrede moet op basis van de morele en intellectuele solidariteit van de mensheid worden opgebouwd.”

Israël is sinds 1999 een actief en bereidwillig lid van UNESCO. Het heeft nu negen wereldculturele erfgoederen en achttien voorlopige die wachten op erkenning. Desondanks valt de UNESCO Israël continu aan. De beschuldigingen van de organisatie behelzen niet alleen datgene dat zij ten onrechte Israëlische bedreigingen van culturele symbolen noemt, maar ook dat zij vraagtekens opwerpt bij joodse aanspraken op erfgoed in Israël.

In 2012 wijdde de UNESCO een door haar opgerichte leerstoel voor astronomie, astrofysica en ruimtewetenschappen aan de Islamitische Universiteit van Gaza in. De instelling biedt werk aan vele Hamas-ingenieurs, die erom bekend staan springstof en bommen te bouwen die ingezet worden tegen Israëlische burgers. Volgens een vooraanstaande vertegenwoordiger van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken werd deze oprichting van academische activiteiten binnen een terroristisch milieu verkondigd zonder dat vooraf het doen en laten van deze universiteit werd onderzocht. Voor de opening van de door de UNESCO opgerichte gelijksoortige leerstoelen aan het Technion in Haifa en het Interdisciplinary Center Herzliyah (IDC) werden deze echter “met een loep onderzocht”.

Een veelgebruikte toepassing van moreel relativisme door de UNESCO is haar harde oordeel over het beheer van Israël van heilige plaatsen. De organisatie heeft bovendien de legitimiteit van joodse aanspraken op deze plaatsen betwist. Op de Arabische wereld werden door de UNESCO nog niet eens hierbij in de buurt komende maatstaven toegepast.

In 2014 waren de UNESCO en het Simon Wiesenthal Center partners bij de presentatie van een tentoonstelling in het hoofdkantoor van UNESCO in Parijs; ze droeg de naam “Volk, Boek, Land – de 3.500 jaar lange relatie van het joodse volk tot het Heilige Land”. Haar tekst werd door de onlangs gestorven Robert Wistrich geschreven, een toonaangevende wetenschapper op het gebied van antisemitisme.

De voor januari 2014 geplande opening van de tentoonstelling werd door de UNESCO op grond van de uitgeoefende druk door de 22 VN-lidstaten die het Arabische blok vormen, verschoven. Ze bedachten een absurd en belachelijk argument – ze verklaarden “bezorgd te zijn dat de geplande tentoonstelling een negatief effect zou kunnen hebben op het vredesproces en de actuele onderhandelingen in het Midden-Oosten.” Wellicht om een rechtstreekse confrontatie met haar anti-Israëlisme te vermijden, vermeldde de officiële aankondiging van UNESCO om de tentoonstelling op te schorten haar verschillende activiteiten betreffende Holocaust-onderwijs en het behoud van het Jiddisch. Ze noemde geen enkele activiteit uit het verleden, het heden of de toekomst met Israëlische deelname. De tentoonstelling werd uiteindelijk in juni 2014 geopend, deels vanwege de protesten van de regeringen van de VS, Israël, Frankrijk en Canada. In mei 2015 bleven de vooruitzichten op vrede kennelijk onbeschadigd, toen de Palestijnse tak van UNESCO gastheer van een workshop over het ontwerp van de “Palestijnse wet ter beveiliging van het immateriële culturele erfgoed” was.

De UNESCO paste bovendien bij haar in juli 2015 gepubliceerde veroordeling van Israël scherpe maatstaven toe. Ze beweerde dat Israël de Tempelberg zou beschadigen door “illegale opgravingen”. Ze noemde het plein voor de Klaagmuur bovendien het “Buraq-plein”. De waarheid is, dat de voor het beheer van de Tempelberg verantwoordelijke islamitische autoriteit Waqf de plek al tientallen jaren lang beschadigt door slecht gepland archeologisch onderzoek en pogingen om ieder bewijs van joods erfgoed te verwijderen. Van de kant van UNESCO heeft geen enkele veroordeling van deze voortdurende vernietiging van oudheden plaatsgevonden.

Dezelfde uitlating van de UNESCO beweerde dat de aanleg van de trambanen in Jeruzalem de “visuele integriteit van de Oude Stad” zou vernietigen. Dat was onzin, omdat de tram helemaal niet door de Oude Stad rijdt.

De verwoesting van de antieke stad Nimrod in maart 2015 door de beweging “Islamitische Staat” was een van de opvallendste daden van de afgelopen jaren tegen een wereldcultureel erfgoed. UNESCO veroordeelde de gebeurtenis in een door haar algemeen directeur Irina Bokova gepubliceerde verklaring; zij zei: “Ik appelleer ook aan alle culturele instellingen, musea, journalisten, professoren en wetenschappers om de betekenis van dit erfgoed en van de Mesopotamische beschaving uit te leggen . . . Het overleven van de Irakese cultuur en samenleving staat op het spel.”

De houding betreffende Nimrod schijnt erop te duiden dat volgens informatie van de UNESCO voorwerpen en archeologie van niet-islamitische antieke volkeren en religies zeer belangrijk zijn en beschermd moeten worden. In haar verklaring over de heilige plaatsen in Jeruzalem verwijst UNESCO echter niet naar de betekenis van de Oude Stad voor het Jodendom en het christendom. Ze beweert dat de zogenaamd plaatsvindende activiteiten een bedreiging van de islam zijn.

UNESCO onderscheidt zich van de Algemene Vergadering van de VN en de UNHRC door het feit dat zij handelt als onafhankelijke organisatie. Zodoende kan haar handelen niet gedicteerd worden door de dominante Arabische stem. UNESCO is echter voortdurend de beweringen van de Arabische wereld gevolgd. Ze opereert in tegenstrijd tot haar oprichtingsprincipes betreffende morele en intellectuele solidariteit en de samenwerking tussen de naties. Ze ondersteunt de bescherming van niet-islamitisch cultureel erfgoed binnen Israël niet, hoewel het land de enige democratie van het Midden-Oosten en een bereidwillige partner van de UNESCO is. In plaats daarvan gebruikt de organisatie Israël als pionoffer om de Arabische wereld te sussen.

De UNESCO meet tegenover Israël niet alleen met twee maten, ze neemt de bewuste beslissing om voorrang te geven aan de terroristen en weigert het joodse volk zijn onvervreemdbare recht op zijn thuisland.

door Manfred Gerstenfeld & Jamie Berk


In een vertaling uit het Duits door E.J. Bron van een artikel op Heplev Blog van 17 augustus 2015.
bron-logo

Advertenties