Sinds wanneer is het anti-Zionisme een internationale kwestie geworden?

anti-zionisme2aAnti-Zionisme = anti-Israëlisme = antisemitisme = Jodenhaat

Meer dan 20 jaar lang na de stichting van de staat Israël, was anti-Zionisme eerder een regionaal verschijnsel – een conflict tussen Arabische en Joodse nationalistische bewegingen in het Midden-Oosten. In de Sovjet-Unie en in Oost-Europa gebruikten de Sovjets het antisemitisme voor politieke doeleinden, maar het maakte zelden deel uit van het internationaal discours.

Dat zal pas veranderen na de Zesdaagse Oorlog van 1967. Tegen het einde van de zestiger jaren en sinds 1975, kwam het anti-Zionisme internationaal in de kijker. Het verscheen voor het eerst aan de universiteiten in het Westen waar Nieuw Links, in samenwerking met Arabische studentenverenigingen, de Israëlische politiek onder vuur namen.

Wanneer op 10 november 1975 de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties Resolutie 3379 aannam die was ingediend door de landen van de Arabische Liga [onder de landen die tegen deze resolutie stemden ook België en Nederland] en verklaarde dat “Zionisme een vorm van racisme en rassendiscriminatie is” [‘Zionism is a form of racism and racial discrimination’], breidde het anti-Zionisme zich snel uit in de sfeer van internationale niet-gouvermentele organisaties (ngo’s) en dat aldus oversloeg naar de landen in de Derde Wereld.

Dit was het resultaat van de samenwerking tussen Arabieren en de Sovjet-Unie die het anti-Zionisme vergiftigden met wettigheid en officiële erkenning. [Opmerking: Resolutie 3379 werd weliswaar later herroepen door Resolutie 46/86 van 16 december 1991, maar het vergif had dan al zijn werk gedaan…]

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog hadden de Arabieren gerekend op een Groter Syrië – dat ook Palestina en Libanon zou omvatten – en dat een uitgestrekt, verenigd en soeverein Arabisch rijk moest worden. Echter, in plaats daarvan, verdeelden de Fransen en de Britten het gebied in entiteiten die door de Arabieren beschouwd werden als ‘irrationeel knip- en plakwerk’, en die tot op vandaag bestaan als Saoedi-Arabië, Syrië, Trans-Jordanië (later Jordanië), Irak en Israël.

De Arabieren waren verontwaardigd dat een ‘niet-Arabische embryonale staat in Palestina’ in een gebied werd ingeschoven waar die nooit aanvaard zou worden. Zij beweerden dat hun droom naar eenmaking hierdoor werd verbrijzeld en hun zoektocht naar een gemeenschappelijke identiteit werd belemmerd.

Abdel PazchaAzzam Pasha, Secretaris-generaal van de Arabische Liga in Caïro op 16 mei 1948: “Dit wordt een oorlog van uitroeiing en een gedenkwaardig bloedbad.”

De strijd tegen een Joods thuisland werd een integraal onderdeel van hun strijd “voor waardigheid en onafhankelijkheid.” Het bestaan van Israël, beweerden ze, “impliceert dat niet enkel een deel van het Arabisch erfgoed maar ook delen van de Islam waren gestolen.”

Voor een moslim bestond er geen grotere schande dan toestaan dat dit zou gebeuren. De enige manier om deze diep aangevoelde belediging ongedaan te maken – dit “symbool van alles wat hen in het verleden had gedomineerd” – was om het gebied te bevrijden van deze “imperialistische overheersing.”

Het Zionisme werd gebrandmerkt als de officiële vijand van de Arabische nationale beweging, alhoewel de Arabische regeringen er lange tijd van beschuldigd werden dat zij het Arabisch-Israëlisch conflict misbruikten om de aandacht af te leiden van hun eigen kritieke binnenlandse sociale en economische problemen. Hiermede geconfronteerd, reageerden zij dat als dit niet hun echte zorg zou zijn, het ook nooit zoveel weerklank zou hebben gevonden onder de Arabische massa’s.

Bernard Lewis, professor emeritus aan de Universiteit van Princeton, de decaan van de wetenschap omtrent het Midden-Oosten in het Westen, zegt dat de Arabische fixatie op Israël “een gelicentieerde grief” is. In landen waar mensen in toenemende mate steeds bozer en gefrustreerd worden door alle moeilijkheden die ze in het leven ervaren – zoals bv. armoede, werkloosheid en onderdrukking – is het een enorm psychologisch voordeel wanneer zij hun onvrede [om iets of iemand] vrij kunnen uitdrukken.”

Het Israëlisch-Arabisch conflict is de enige lokale politieke grief die openlijk kan worden besproken. Wanneer de bevolking vrijheid van meningsuiting wordt toegestaan, is Lewis van mening dat de obsessie voor Israël veel minder belangrijk zou worden. Net als de meeste mensen, zijn de Arabieren bezorgd om hun eigen prioriteiten. Voor de Palestijnse Arabieren, die zichzelf zien als permanente slachtoffers, is de belangrijkste kwestie voor hen hun strijd tegen Israël. Als het de Arabieren in andere landen zou toegestaan worden om zich te concentreren op hun eigen problemen, dan zouden ze dat doen.

Voor de Arabieren, is de poging om het westerse imperialisme de schuld te geven, niets anders dan een excuus om Israël aan te vallen, zoals een ander hoogleraar aan de Hebreeuwse Universiteit stelde: “Al tientallen jaren zijn de Arabieren geobsedeerd door herinneringen aan vroegere glorie en voorspellingen van een toekomstige grootheid, die zich bespot voelen door de schade en schande van het tussen hen inwonen van een vreemdeling van een veracht ras dat geïnjecteerd werd in het zenuwcentrum van het toegezegde Arabische rijk tussen de Aziatische en Afrikaanse halfronden, net op het ogenblik dat de koloniale machten aan hun grote aftocht begonnen uit hun koloniale bezittingen in Azië en Afrika.”

Om hun gevoelens van schaamte te temperen voor het verlies van elke oorlog tegen Israël, hebben de Arabieren het succes van de Joodse nederzettingen in Palestina en de Israëlische militaire triomfen van 1948 en 1956 toegeschreven aan het Westerse imperialisme. Als vertegenwoordiger van de grote mogendheden, werd Israël de zondebok van de Arabieren, telkens zij gefrustreerd raakten na een zoveelste poging om hun achterstand van “eeuwen van sociale, economische en culturele ontwikkeling” op het Westen in te halen.

Deze anti-Israël fixatie is neergeslagen als een methodische “manicheïstische metafysica, de focus van een hele filosofie van de geschiedenis, met de Jood als de vleesgeworden duivel uit de tijd van aartsvader Abraham zelf, tot aan de opname van zijn rol als spilfiguur van een Amerikaans-imperialistisch-Zionistisch wereldcomplot tegen de Arabische wereld, het Socialistische Gemenebest en alle koloniale volkeren.”

De Israëlische generaal Moshe Dayan (met ooglap) arriveert op 7 juni 1967 zegevierend bij de Klaagmuur in Jeruzalem  (foto Gilles Caron)De Israëlische generaal Moshe Dayan (met ooglap) arriveert op 7 juni 1967 zegevierend bij de Klaagmuur in Jeruzalem (foto Gilles Caron)

De verpletterende nederlaag van de Arabieren tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967, sloeg deze fantasie aan diggelen en accentueerden de Arabische vernedering, omdat de Israëli’s die oorlog gewonnen hadden zonder de steun van alle imperialistische naties. De Arabische woede werd nog verergerd door het aantal slachtoffers die uitdraaiden in het voordeel van Israël – ongeveer 25 tot 1 – en door het aantal krijgsgevangenen die door Israël werden gemaakt. Ten minste 5000 Egyptische soldaten, waaronder 21 generaals, 365 Syriërs (30 van hen waren officieren) en 550 Jordaniërs werden gevangen genomen. Slechts 15 Israëliërs werden als krijgsgevangenen vastgehouden. De verliezen aan Arabisch militair materieel – voor het grootste deel afkomstig uit de Oostblok landen – werden op miljarden dollars geraamd.

Het aantal burgerslachtoffers was minimaal: de Israëli’s schatten dat 175.000 Arabische niet-strijders vluchtten naar de Westelijke Jordaanoever in Jordanië; de Jordaniërs schatten hun aantal op 250.000. Hoewel de Israëli’s niet de Arabische uittocht hebben geleid, hebben ze ook niet geprobeerd die te stoppen. De vluchtelingen werden niet aangemoedigd om terug te keren, maar Moshe Dayan, de toenmalige Israëlische minister van Defensie, stopte die praktijk om te voorkomen dat ze een week na de oorlog zouden omkeren naar de Westelijke Jordaanoever, toen hij had gezien hoe vluchtelingen werden overvallen en het onmenselijke ervan inzag.

De Israëli’s wilden het vluchtelingenprobleem van 1948 en 1967 oplossen op het ogenblik dat bepaald werd wanneer een alomvattend vredesakkoord zou worden onderhandeld. De Arabieren verwierpen het aanbod en eisten de onvoorwaardelijke terugkeer van de vluchtelingen en dat ze een vergoeding zouden ontvangen. Maar in de zomer van 1967, toen Israël ermee instemde om Arabieren te laten terugkomen op de Westelijke Jordaanoever, keerden slechts een handvol gevluchten terug.

1948. Joden vluchten weg uit de Westbank nadat Jordanië dit gebied eenzijdig annexeerde

1948. Joden vluchten weg uit de Westbank nadat Jordanië dit gebied eenzijdig annexeerde en Judenrein verklaarde. DE Joden zullen pas 19 jaar later naar hun heimat terugkeren nadat Israël in juni 1967 tijdens de Zesdaagse Oorlog het gebied heroverde op de Arabieren nadat het door Jordanië werd aangevallen

Terzelfder tijd, vervolgden en kwelden de Arabieren hun eigen joodse ingezetenen. Joden werden aangevallen in Jemen, Libanon, Tunesië en Marokko. Synagogen werden verbrand en Joden werden gearresteerd en opgesloten. In Damascus en Bagdad, werden Joodse leiders beboet en gevangen gezet en werden 7.000 Joden verdreven nadat hun eigendom en de meeste van hun bezittingen in beslag werden genomen. Achthonderd van de 4.000 Joden van Egypte werden gearresteerd, waaronder de belangrijkste rabbijnen van Caïro en Alexandrië. De Verenigde Naties en het Rode Kruis van hun kant hielden zich afzijdig en lieten begaan.

Ondanks de mishandeling van de Joden in de Arabische landen, hebben de 1,2 miljoen Arabieren onder Israëlisch bestuur geen systematische mishandeling ondervonden. In sommige gebieden werden plunderingen en vandalisme gemeld, maar de Israëli’s repareerden elke schade die ze tegenkwamen ongeacht de oorzaak van die schade. Hoewel de Jordaniërs synagogen hadden vernietigd in de Oude Stad van Jeruzalem en de grafstenen van de Joodse begraafplaatsen op de Olijfberg gebruikten om hun wegen te effenen en ze als latrines gebruikten, nam Moshe Dayan elke vrijdag deel aan de gebeden in de al-Aqsa moskee in Jeruzalem. Misschien is het grootste trauma voor de Arabieren wel het feit dat Israël in 1967 67.200 vierkante kilometers veroverde – en drie-en-een-half keer groter werd dan voor de oorlog.

Het anti-Zionisme betrad de internationale scène toen Israël en Egypte politieke toenadering bereikten na de Yom Kippoer Oorlog, door de ondertekening van een interim-overeenkomst op 1 september 1975. Deze overeenkomst benadrukte: “Het onderlinge conflict in het Midden-Oosten zal niet opgelost worden met militair geweld, maar door vreedzame middelen.”

Bevreesd als ze zijn dat een overeenkomst zoals deze zou kunnen leiden tot vrede, hebben de Sovjets, Syrië en de PLO getracht Israël uit te sluiten van de internationale niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) zoals bijvoorbeeld de UNESCO, “voor het schenden van het Handvest van de Verenigde Naties en het falen van het uitvoeren van de VN-resoluties.” Wanneer deze strategie mislukte zijn ze begonnen de legitimiteit van Israël in vraag te stellen en het Zionisme te discrediteren en veroordelen in de Verenigde Naties om alzo hun anti-Israël propaganda te internationaliseren.

door Dr. Alex Grobman

in een vertaling van Brabosh.com op 24 september 2009


deningDr. Alex Grobman is als historicus afgestudeerd aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Hij is een voormalig directeur van het Simon Wiesenthal Centrum en de auteur van talrijke boeken zoals “Nations United: How The U.N. Undermines Israel and The West” en ook “Denying History: Who Says The Holocaust Never Happened and Why Do They Say It?” (boekomslag rechts).

Bronnen:

  1. Middle East and Terrorism:
    ♦ When Did Anti-Zionism Become An International Issue?; door Alex Grobman [lezen