De etnische zuivering door de Arabieren van de Joden in Jeruzalem en de West Bank in 1948

Etnische zuivering van 1948: Alle Joden op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem worden verjaagd door de Arabieren. Zij zullen pas 19 jaar later naar hun heimat kunnen weerkeren, nadat het Israëlische Leger (IDF) Jeruzalem heeft bevrijd tijdens de Zesdaagse Oorlog van juni 1967.

Opmerking: Vlaamse Vrienden van Israël viert vandaag zijn 5de verjaardag,
vandaar de volgende dagen enkele van de eerste artikelen van toen.

Joden werden in het verleden met geweld uit Jeruzalem verdreven door Christen Romeinse keizers en door de kruisvaarders, enkel om terug te keren naar de eeuwige hoofdstad en het nationale en religieuze centrum [van de wereld]. Dit artikel brengt ooggetuigenverslagen van de etnische zuivering van Jeruzalem. De hele wereld schikte zich in deze oorlogsmisdaad van de lakeien van de imperialistische machten, als gevolg van de inmenging van machtige belangengroepen. Deze oorlogsmisdaad vond plaats in Palestina, in 1948, toen het Legioen van Transjordanië, geregisseerd en gefinancierd door het Britse imperialisme, de Joden van de oude stad van Jeruzalem, hun legitieme rechten ontnam.

Koning Abdullah I van [Trans-] Jordanië, de Verwoester van JeruzalemKoning Abdullah, de Verwoester van Jeruzalem

De verdrijving van de Joden was een deel van het Arabische racistische genocidale plan voor de etnische zuivering van Jeruzalem en Palestina in 1948. Dit werd aangekondigd door de Arabische Liga, maar het gebeurde op initiatief van en werd voor een deel gepland door de nazi Grootmoefti Hajj Amin Al Hoesseini en zijn toegewijde familielid Abdel Khader Al-Hoesseini.

De strategie bestond uit aanslagen zoals overvallen op konvooien, constante beschietingen en het willekeurig onder vuur nemen van burgers door sluipschutters, een blokkade van de weg naar Jeruzalem waardoor de hele buurt creveerde van de honger en de invasie door de legers van de Arabische staten. Meer dan duizend Joodse burgers werden gedood in Jeruzalem tijdens deze campagne.

Het Joodse Kwartier in de Oude Stad werd maandenlang door Arabische ongeregelde bendes aangevallen en haar bewoners probeerden wanhopig te overleven in bijzonder netelige omstandigheden. Na de invasie door het Transjordaanse Arabische Legioen nam de druk nog toe. Ondanks de propagandistische inhoudsloze verklaringen van anti-zionistische historici, was het jonge Joodse leger helemaal niet opgewassen tegen het Jordaanse Legioen, dat goed was uitgerust met artilleriegeschut, gepantserde voertuigen en door Britse legerofficieren werd geleid.

Diegenen die beweren dat de Joden in aantallen veruit superieur waren aan de Arabische invallers, moeten maar eens uitleggen waarom er dan geen soldaten ter beschikking waren om de Joden te redden van het oudste oorspronkelijke stadsdeel van Jeruzalem. De troepen die naar de stad werden gezonden om haar te verdedigen waren ofwel zo uitgeput door de strijd dat ze tijdens de dienst van vermoeidheid in slaap vielen, of zo ongeschikt bleken voor het gevecht dat ze niet eens wisten hoe ze hun wapens moesten hanteren.

Voor vele maanden heeft een kleine strijdformatie van de Haganah geprobeerd om de bewoners van de Joodse wijk te beschermen, die met meer dan 2.000 waren achtergebleven, veelal religieuze Joden waarvan vele niet-zionisten. Een groot deel van de oorspronkelijke Joodse gemeenschap van 5.000 mensen, was reeds in 1936 gevlucht voor de Arabische pogroms. Dat waren Joden waarvan de families reeds generaties lang woonden in Jeruzalem. Ze hadden er zo’n 59 synagogen gebouwd en hadden een rijke traditie.

Op 28 mei 1948, nauwelijks twee weken nadat Israël de Onafhankelijkheid had uitgeroepen, moest de verdediging van de Oude Stad worden opgegeven en begon Abdullah Al-Tell, commandant van het Transjordaanse Legioen met het uitdrijven van de Joodse burgers naar West-Jeruzalem en werden de Haganahstrijders opgesloten in de gevangenis. Al-Tell had geen keuze, want anders zou de Arabische menigte de burgers hebben vermoord de burgers. Dat is toch wat hij beweert. Natuurlijk had al-Tell wel de keuze om de weerloze positie van de burgerbevolking niet te veroveren en natuurlijk had hij de verplichting, nadat hij de wijk had veroverd, om de veiligheid van de burgers te waarborgen, alsmede hun bezittingen en heilige plaatsen veilig te stellen. Maar niemand die dergelijke kwesties onderzoekt als er een Arabisch leger in betrokken is.

Geen “recht op terugkeer” werd ooit ingeroepen voor deze vluchtelingen, verdreven uit woningen waar hun families voor honderden jaren hadden geleefd in vrede. Niemand in de wereld heeft geprotesteerd tegen deze etnische zuivering. Niemand protesteerde tegen het feit dat de Jordaniërs 58 van de 59 synagogen van de Joodse wijk hadden vernietigd of dat zij de grafstenen van de graven op de begraafplaats in de Olijfberg gebruikten om looppaden te maken naar hun latrines. Of tegen het feit dat de Jordaniërs een geasfalteerde weg aanlegden dwars doorheen de Hof van Olijven, compleet met bezinestation en al… Lees meer in De verwoesting van Jeruzalem door de Arabieren 1948-1967 [in beeld]

Het Hadassah hospitaal op de Scopusberg tijdens het Britse Mandaat. Joodse politiemensen bewaken het complex

Uitzichtloze situatie op de Scopusberg
Ook op de Scopusberg, waar zich onder meer de Hebreeuwse Universiteit en het Hadassah hospitaal bevonden evolueerde de situatie snel van kwaad tot erger in de aanloop naar de onafhankelijkheid op 14 mei en de weken en maanden erna. De massacre op het konvooi naar het Hadassah hospitaal die plaatsvond op 13 april 1948, maakte deel uit van het Arabische plan om de Westoever en Oost-Jeruzalem af te scheiden van de Israëlische staat in oprichting en de daarmee gepaard gaande etnische zuivering van het gebied. Enkele mensen getuigen over die periode.

Yitzak Rabin in 1948 als bevelhebber van Palmach

De avond voor dat bewuste bloedbad op de weg naar het hospitaal, waren Rose Halprin en Bertha Schoolman naar huis gevlogen en hoorden het slechte nieuws bij hun aankomst in New York. Judith Epstein en Rebecca Shulman, die in Tel Aviv waren geblreven, dineerden in hun hotel toen een journalist kwam naar hun tafel kwam en zegde: “Ik heb verschrikkelijk nieuws voor jou. Hayim Yasky is vandaag vermoord.”

Na haar terugkeer in New York vertelde Rebecca vertelde de Board in New York: “Ik betwijfel of we in staat zullen zijn om de Scopusberg weer snel in gebruik kunnen nemen. Ik stel voor dat we beginnen met ergens anders het complex weer op te bouwen.” Aan Ethel Agron en Eli Davis telegrafeerde de Board in mei 1948: “Wij wijden ons aan de taak van de handhaving van de diensten en de wederopbouw van Hadassah.”

De Britten versterkten het Antonius House en waarschuwden zowel Joden als Arabieren dat ze hun militaire activiteiten in Sheikh Jarrah moesten stilleggen. Niettegenstaande bezette een eenheid van de Haganah, onder het bevel van een jonge officier van de Palmach genaamd Yitzhak Rabin, het Nashashibi House. Maar de dag erna werden zij er weer uit geschoten door de Britten. De Israëli’s zouden er niet eerder terugkeren dan een goede negentien jaar later, dan onder het commando van stafchef van het IDF, Yitzhak Rabin, het gehele Arabische deel van Jeruzalem werd bezet.

De beschieting met granaten en door sluipschutters, maakten het leven op de Scopusberg onmogelijk en de weg onbegaanbaar, ondanks de Britse aanwezigheid. Vers voedsel en water waren schaars. Davis moest een manier vinden om de meer dan 700 mensen opnieuw benden te krijgen en contacteerde majoor Jack Churchill. “Majoor Churchill vertelde me dat er een kleine kans was om weg te raken van de Scoppusberg, omdat de Arabieren er een Britse deal in zagen. Hij stemde ermee in om de reis naar de Scopusberg te maken en nodigde me uit om mee te rijden. De majoor nam een jeep en zijn chauffeur. Ik zat neer terwijl hij rechtop stond in de jeep zwaaiend met zijn stok. Hij keek alsof hij zich op een parade in Londen bevond. Er gebeurde niets toen we doorheen de wijk van Sheikh Jarrah reden. Op de Scopusberg werden we warm omarmd. We hadden aangetoond dat het mogelijk was om erdoor te komen.”

Davis besloot ter plaatse om massaal te evacueren omwille van de lage moraal die er heerste onder de bewoners van de Scopuscomplex. Ben-Goerion had enkele dagen voor de rampzalige aanslag op het konvooi, aan vertegenwoordigers van het Hadassah hospitaal en van de Universiteit verteld dat de heuvel ten allen prijze moest behouden blijven. Maar Ahron Brezinsky, die optrad als medisch directeur van het ziekenhuis, vertelde Davis, “Je kan de frontlijn niet verdedigen met zieke mensen die niet willen blijven. De sfeer hier is die van in vluchtelingenkamp. Ondanks het strategische belang van deze plaats, moeten we er hoe dan ook zien uit te geraken.” Davis keerde terug naar de stad om de evacuatie te organiseren. Een beslissing werd genomen om een ziekenhuis met 50 bedden op de Scopusberg open te houden, om te laten zien dat het ziekenhuis niet werd opgegeven.

Davis scharrelde in de verarmde stad brandstof bij elkaar voor de gedeeltelijke evacuatie. Zo verlaten was de stad al dat hij verplicht werd om benzine te verzamelen uit particuliere woningen, instellingen, vrienden – fles per fles. Vier konvooien werden samengesteld. 200 patienten werden naar de stad vervoerd alsmede 100 leerling-verpleegkundigen en 300 medewerkers, alsook 600 ton aan apparatuur en benodigdheden. Niet één schot werd afgevuurd. 150 personen werden achtergelaten op de Scopusberg, waaronder acht leerling-verpleegkundigen die de keuken bemeesterden en veertig patiënten. In de gebouwen van de universiteit waren nog eens 150 mensen achter gebleven.

Op 6 mei 1948 bracht Haim Halevy, die de Scopusberg bestuurde, het dramatische nieuws dat “Het ziekenhuis bestaat niet meer voor alle praktische doeleinden.” Er was voldoende water en bloem voor twee weken, het stroomverbruik werd gelimiteerd tot slechts vier uur per dag en “binnenkort zal er geen koeling meer zijn.” De problemen werden nog verergerd door rapporten van inlichtingendiensten die vertelden dat koning Abdullah op het punt stond de Scopusberg te beschieten met granaten alvorens over te gaan tot een totale aanval.

Het noodhospitaal in Jeruzalem stad Hadassah B in het voormalige Saint Joseph klooster werd geraakt door granaten

Hadassah “A” en Hadassah “B”
In het begin van mei, waren Davis en de leden van de beheerraad van het Hadassah hospitaal erin geslaagd om redelijk goede faciliteiten in Jeruzalem op te zetten gekend als Hadassah “A” en twee blokken verder van de straat in het St. Joseph’s klooster, dat bekend werd als Hadassah “B” maar het onderkomen waren maar van weinig luxe voorzien. St. Joseph’s, dat afgehuurd werd op 29 april, was voordien een school waar 600 Arabische meisjes school liepen bij Franse nonnen. Nadat het omgebouwde klooster werd geraakt door granaten (afbeelding hierboven), werd de bovenste verdieping ontruimd en werden de patiënten overgebracht naar de vochtige kelders waar er noch water noch elektriciteit was. De rekken waarin aardappelen werden opgeslagen werden schoongemaakt en als noodbedden ingericht. Verpleegkundigen knielden neer op de stenen vloer om verbanden te verschonen en artsen zaten op de vloer patiënten te onderzoeken.

Samen met Hadassah “A” en “B”, konden het Straus Health Center en de kliniek in de Hasolelstraat, ongeveer 300 ziekenbedden improviseren, bijna evenveel als dat de kliniek op de Scopusberg had. Haar heldhaftige vrijwilligerswerk maakte tijdelijk het verschil uit. Verpleegster Madeline Lewin-Epstein, die in 1918 met de American Zionist Medical Unit (AZMU) was toegekomen, veranderde haar grote appartement in een ziekenhuis met twintig bedden [!]. Onverschrokken trotseerde het sluipschuttersvuur en de onafgebroken regen mortiergranaten om gewonden op te halen in de straten en hen binnen haar huis te trekken.

Haar naar een kliniek omgeturnde ‘appartement’ werd aldus het eerste militaire ziekenhuis in Jeruzalem; veel van haar patiënten waren gewonde soldaten van Joodse ondergrondse milities die nergens anders heen konden gaan. Wat voor de vreemde situatie zorgde dat, terwijl Britse politie ambtenaren in de stoel van de tandheelkundige kliniek van haar populaire man – Sam Epstein-Lewin – zaten te wachten op een behandeling, in de woonkamer op slechts een paar meter afstand, de mannen werden verzorgd naar wie ze op jacht waren. Over een vrouw met stalen zenuwen gesproken, dit was er zo een!

Verplegend personeel en een ambulancewagen van het Hadassah ziekenhuis

De val van de Oude Stad en etnische zuivering
Op het hoogtepunt van de problemen in het Hadassah hospitaal, viel op 28 mei 1948 de Oude Stad van Jeruzalem in handen van de Arabieren. Het personeel had in het begin van de gevechten het ziekenhuis in het Joods Kwartier van de Oude Stad bemand, maar de positie van de Joden werd algauw hopeloos door de overweldigende aantallen Arabieren. Ze bleven vechten tot er maar weinig meer overbleven, uitgehongerd en te moe om nog verder te strijden. Avraham Laufer, een van de chirurgen die naar de Joodse wijk was gezonden, meldde dat de bovenste verdiepingen van het ziekenhuis waren beschoten en dat zeventig patiënten de matrassen en houten bankjes in een synagoge en in kelders moesten delen.

Laufer verteld van een jonge soldaat die een granaatscherf in het oog kreeg, maar weigerde om vijftien minuten te wachten om die scherf operatief te laten verwijderen omdat de situatie op zijn post hopeloos was geworden. “Een uur later brachten ze hem terug. Zijn knappe gezicht was weggeblazen door een granaat.” Ongeveer 1.300 vrouwen en kinderen werden geëvacueerd naar de Joodse kant van de stad, terwijl de mannen werden meegenomen naar een gevangenis kamp in de Jordaanse woestijn. Drie onder de krijgsgevangenen waren artsen van het Hadassah ziekenhuis: Egon Rys, Eli Peiser en Avraham Laufer. Twee weken later, terwijl Rys nog in het gevangenenkamp vastzat, werd zijn vrouw Hava, verpleegster uit het Hadassah, tijdens de laatste beschietingen van de stad kort voor een staakt-het-vuren werd bereikt.

De vluchtelingen van de Oude Stad werden ondergebracht in de verlaten huizen van de Katamon kwartier, een grote wijk van Arabische villa’s die door de Haganah waren veroverd tijdens bloedige gevechten. Hier werden de magere rantsoenen van Jeruzalem verdeeld door vrijwilligers, die zelf ook moesten overleven op een hongerdiëet. Onder leiding van Sara Bavli, hoofd van de voedingsafdeling van Hadassah, kregen deze 1300 en twintigduizend anderen elke dag karige maaltijden toebedeeld tijdens wat bekend stond als de “strijd van de calorieën.” Een van de vrijwilligers van Hadassah die zorgde voor de moeders en hun kinderen die gevlucht waren uit de Oude Stad, was Betty Levin. Ze kreeg het beheer over een verlaten 3-kamer appartement waarin elke hoek diende als een “thuis” voor tien vluchtelingen – 120 in totaal.

Betty herinnerde het zich allemaal nog alsof het gisteren was: “Zij hebben mij verteld dat aan het einde van de gevechten in de Oude Stad zij naar een synagoge waren gevlucht, waar ze samen in elkaar bleven gedoken totdat het Arabische Legioen hen gevonden had. Het Legioen dreef hen uit enkel gekleed in nachtjaponnen en pantoffels die ze op dat ogenblik droegen. Mijn taak was hen te voeden. In de ochtend kregen ze elk twee sneetjes brood en, voor de kinderen, vier theelepels jam. Op een dag, gooide een radeloze moeder het brood naar beneden en riep: ‘Mijn kinderen zijn smerig: hun hoofdjes zitten vol met luizen. Ik moet zeep hebben.’ Maar er was geen zeep.” Betty herinnerde zich dat vóór het beleg begon, dat haar afwezige hospita tien grote blokken waszeep had afgegrendeld in een kamer. Afgezien van de mortieren die om har heen explodeerden, liep ze terug naar haar appartement op een kilometer afstand lopen, brak de vergrendelde kamer binnen en nam de zeep terug mee naar Katamon. Daar heeft ze elk blok versneden in zestien vierkantjes. De luizen werden gesmoord en de vrede werd in het appartement weer hersteld.

Frontpagina van The Palestine Post van zondag 16 mei 1948, zoals The Jerusalem Post vroeger heette. Mensen vergeten soms gauw, maar tot 1948 werd iedere burger die in het Brits Mandaat Palestina woonde een Palestijn genoemd, ongeacht Joden, moslims, christenen en bedoeïenen enz.

Een staat is geboren
In de turbulentie van het beleg, was vrijdag de 14de mei van 1948 niets anders dan een zoveelste dag van honger en dood in Jeruzalem. Geen feesten op straat die de proclamatie markeerden die gedaan werd door David Ben-Goerion toen hij de onafhankelijkheid van Israël uitriep in het Museum van Tel Aviv. Vrijwel niemand wist ervan tot de volgende dag, voor de weinigen in Jeruzalem die elektriciteit hadden en het nieuws doorgaven van mond tot mond. Alleen op zondag 16 mei 1948 blokletterde The Palestine Post: STATE OF ISRAEL BORN.

De hoofdweg nar Tel Aviv was opnieuw afgezet door de Arabische legers. De dagelijkse rantsoenen werden verder gereduceerd tot stervensniveaus. De enige verbinding van de Heilige Stad met de buitenwereld was een eenmotorig vliegtuigje dat onder voortdurende beschietingen landde in de Vallei van het Kruis. Terwijl op het einde van die meimaand grote militaire vooruitgang werd geboekt in de rest van het land, leek Jeruzalem wel vervloekt te zijn. De laatste Britten hadden Jeruzalem verlaten op 14 mei, uitgezonderd dan voor de officieren die achterbleven om het Arabische Legioen van Abdoellah te commanderen.

De inwoners van de stad wisten dat deze officieren het bevel voerden doordat de dagelijkse beschietingen elke dag ophielden telkens om klokslag 16u00, om de Britten toe te laten van hun thee te genieten. Het was tijdens die uren – tea time! – dat de meeste Israëli’s naar buiten durfden te gaan om hun rantsoenen op te halen. De Scopusberg vormde werd niet van bombardementen gespaard. De gebouwen hadden ernstig te lijden maar er vielen relatief weinig slachtoffers omdat de ondergrondse tunnel tussen de school voor verpleegkundigen en het ziekenhuis diende als een perfecte schuilplaats.

Halfweg april, na een Britse poging om een staakt-het-vuren te bereiken die werd afgewezen door de Grootmoefti, hebben de consul-generaals van de Verenigde Staten, Frankrijk en België van Veiligheidsraad van de Verenigde Naties geprobeerd om in Jeruzalem een wapenstilstand te regelen. Tegelijkertijd, werkte de Amerikaanse Consul-Generaal Thomas Wasson, de meest sympathieke en effectieve diplomaat in de stad, om de gebouwen en structuren op de Scopusberg te beveiligen tegen aanvallen. Aan het eind van de maand werd hij door Arabieren onder vuur genomen in de buurt van zijn consulaat. Artsen van het Hadassah hospitaal zullen nog twaalf uren tevergeefs vechten om zijn leven te redden.

Jeruzalem Oude Stad 1948 aanschuiven in de rij voor water

De Scopusberg onder bescherming van de Verenigde Naties
Onmiddellijk na de 15de mei, vestigden de Britten een deftig consulaat in Jeruzalem en benoemde tegelijk twee consuls om specifiek de Arabische en Israëlische zaken te behartigen. Consul John Guy Tempest Sheringham behartigde persoonlijk de kwestie van de Scopusberg en op 31 mei, na een telefoongesprek met Dr. Werner Senator, de beheerder van de Hebreeuwse Universiteit, adviseerde hij de Israëlische staat om de Scopusberg op te geven. Dr. Senator liep een opname na van dit gesprek:

Sheringham: “De beste manier om de Universiteit en de gebouwen van Hadassah te beschermen zou zijn om het aanbod van koning Abdullah te aanvaarden en hen onder de bescherming van het Arabische Legioen te plaatsen.”

Senator: “De beste manier lijkt mij te zijn om koning Abdullah te adviseren om de Universiteit en Hadassah niet met granaten te beschieten.”

Sheringham: “Uw militaire positie is niet erg duidelijk. U bent er niet in geslaagd om de Arabieren uit Jeruzalem te drijven.”

Senator: “De verantwoordelijkheid voor de acties van het Legioen tegen de Universiteit en Hadassah ligt bij de Britse regering.”

In Washington werden talloze smeekbeden uit alle mogelijke bronnen om de situatie op de Scopusberg te helpen verlichten. Het Staatsdepartement was nuttig in een opzicht: Staatssecretaris George Marshall stemde er mee in dat overeengekomen dat het kabelnetwerk van de National Board zouden worden doorverbonden via het consulaat in Jeruzalem naar Davis en Ethel Agron.

Op het einde werd een overeenkomst uitgewerkt waarbij de Verenigde Naties de controle van de Scopusberg zouden overnemen, owaarover zij de vlag zou voeren en waarnemers zou voorzien dat het gebied zouden moeten handhaven als een gedemilitariseerde zone. Vierentachtig Joodse politieagenten zou de installaties van het Hadassahcomplex moeten beschermen alsmede de Hebreeuwse Universiteit, terwijl 40 Arabieren de Arabische eigendommen op de Scopusberg zouden bewaken. De Verenigde Naties beloofden dat zij de het vervoer en de aflossing van de Joodse politie zouden voorzien van reguliere tweewekelijkse konvooien doorheen de Arabische Sheikh Jarrah wijk.

Hadassah en de universiteit werden geëvacueerd op 6 juli en de demilitarisatie werd beëindigd op 7 juli toen de eerste politie, Israëlische soldaten in politie-uniform, de berg opgingen en de wacht betrokken.


Bronnen:

  1. Zionism.com:
    ♦ Ethnic Cleansing of Jerusalem – 1948 [lezen]
Advertenties

Een gedachte over “De etnische zuivering door de Arabieren van de Joden in Jeruzalem en de West Bank in 1948

Reacties zijn gesloten.