De weg naar de onafhankelijkheid: 1948, Israël en de Palestijnen – Het Echte Verhaal [Efraim Karsh]

fawziAan Arabische zijde streed in het Mandaat Palestina tegen de Joodse legers ondermeer het Arabische Bevrijdingsleger (Jaysh al-Inqadh al-Arabi/ALA) in de Onafhankelijksheidsoorlog van Israël (1947-1949). De locale strijdmacht van het  ALA stond onder het commando van de Iraakse Fawzi al-Qawuqji (hierboven met stok), en was samengesteld uit vrijwilligers afkomstig uit een rist Arabische landen. Amper 800 van de 5000 vrijwilligers waren ‘Palestijnen’ en de meesten van hen hadden het ALA weer verlaten vooraleer zij hun opleiding hadden voltooid of vertrokken onmiddellijk daarna. Het oordeel van Fawzi Qawuqji over die Palestijnse vrijwilligers klonk dan ook vernietigend: “De Palestijnen zijn onbetrouwbaar, prikkelbaar, moeilijk te controleren en in georganiseerde oorlogsvoering vrijwel oninzetbaar.” 

hugo3Over de zogeheten ‘nakba’, de vlucht van de Arabieren uit Palestina tussen 1947 en 1949, circuleren nogal wat Wild-West verhalen, nagenoeg allemaal van Arabische en Palestijnse origine en gestoffeerd en al dan niet ‘intellectueel’ geschraagd door westerse journalisten, auteurs, historici tot en met de Israëlische ‘nieuwe historici’. De hierna volgende vlijmscherpe en recente analyse van Efraïm Karsh omtrent de vlucht van de Arabieren uit Palestina rond 1948, is er een die niemand kan negeren. Het artikel dateert reeds van mei 2008 en werd door mezelf vertaald in oktober 2009.

In de oorspronkelijke Engelstalige versie werd elke passage voorzien van een bron en voetnoot. Gezien de lengte heb ik die niet opgenomen in deze vertaling. Dus, voor wie de bronnen wil traceren die Efraïm Karsh heeft gebruikt voor zijn analyse, moet ik helaas naar die Engelstalige versie verwijzen (zie onderaan bij bronnen). Het artikel van Efraim Karsh, 1948, Israel, and the Palestinians—The True Story is een lijvig werkstuk van ca. 6500 woorden (13 blz. op A4 format) maar een handig document voor wie al dat sloganeske taalgebruik meer dan beu is en de noodzaak voelt om wat dieper in het verhaal te graven; dwz: de andere versie, de Israëlische, het ware verhaal dus omtrent de nakba.

Zestig jaar na de oprichting van een internationaal erkende daad van zelfbeschikking, blijft Israël de enige staat in de wereld die constant besmeurd wordt met de meest bizarre complottheorieën en bloedsprookjes, waarvan haar beleid en acties obsessief worden veroordeeld door de internationale gemeenschap, en van wie het bestaansrecht voortdurend ter discussie staat en in twijfel wordt getrokken, niet enkel door haar Arabische vijanden, maar door segmenten van de geavanceerde opinie in het Westen.

Tijdens de afgelopen tien jaar of zo, is de feitelijke afschaffing van de Joodse staat onder veel van deze hoogopgeleide westerlingen uitgegroeid tot een cause célèbre. De ‘één-staat-oplossing’, zoals dat heet, is een eufemistische formule die de vervanging voorstelt van Israël door een staat, theoretisch over het gehele grondgebied van het historische Palestina, waar Joden zullen verlaagd worden tot de status van een permanente minderheid. Alleen op die manier, zo wordt gezegd, kan de “erfzonde” worden vergoed voor de stichting van Israël, een handeling die werd gebouwd (in de woorden van een criticus) “op de ruïnes van het Arabische Palestina” en verwezenlijkt werd door de opzettelijke en agressieve onteigening van haar inheemse bevolking.

Deze bewering van het met voorbedachte rade onteigenen en de daaruit voortvloeiende creatie van het reeds lang bestaande Palestijnse ‘vluchtelingen probleem’, vormen inderdaad het centrale element in de akte van de beschuldiging waarop door de vermeende slachtoffers van Israël en hun westerse aanhangers voortdurend wordt gehamerd. Het is een beschuldiging die nauwelijks wordt betwist.

Echter, al in het midden van de jaren 1950, heeft de eminente Amerikaanse historicus J.C. Hurewitz gewerkt aan een systematische weerlegging en zijn bevindingen werden overvloedig bevestigd door latere generaties van geleerden en schrijvers. Zelfs Benny Morris, de meest invloedrijke van de Israëlische revisionistische ‘nieuwe historici’, en een die op zijn manier de zaak van Israëls ‘erfzonde’ zou vast stellen, moest schoorvoetend en met veel tegenzin toegeven dat er niet zoiets bestond als een ‘masterplan’ om de Palestijnse Arabieren te verdrijven.

De recente declassificatie van miljoenen documenten uit de periode van het Britse mandaat (1920-1948) en de eerste dagen van Israël, documenten die door eerdere generaties van schrijvers onbenut bleven en genegeerd of verstoord werden door de ‘nieuwe historici’, geven een veel meer definitief beeld weer van de historische gebeurtenissen. Hieruit blijkt dat de beschuldiging van onteigening niet alleen volledig ongegrond is, maar het omgekeerde van de waarheid is. Wat hierna volgt is gebaseerd op recent onderzoek van deze documenten, die veel feiten en gegevens bevatten die tot nu toe niet werden geopenbaard.

Verre van het ongelukkige object te zijn van een roofzuchtige zionistische aanval, waren het de Palestijns-Arabische leiders die vanaf de vroege jaren 1920 en zeer tegen de wensen van hun eigen aanhangers, gestart zijn met een niet aflatende campagne om de Joodse nationale heropleving te vernietigen. Deze campagne culmineerde in een gewelddadige poging om de VN-resolutie van 29 november 1947 tegen te houden, waarin werd opgeroepen tot de oprichting van twee staten. Hadden deze leiders, en hun tegenhangers in de naburige Arabische landen, de VN-resolutie aanvaard, dan zou er geen oorlog en in de eerste plaats ook geen ontwrichting zijn geweest.

Het simpele feit dat de zionistische beweging altijd open heeft gestaan voor het bestaan in de toekomstige Joodse staat van een substantiële Arabische minderheid en die op gelijke voet zou deelnemen “in alle sectoren van het openbare leven van het land.” De woorden zijn die van Ze’ev Jabotinsky, de grondlegger van die tak van het zionisme die aan de grondslag ligt van stichting van de huidige Likoed partij. In een beroemd artikel uit 1923, sprak Jabotinsky zijn bereidheid uit “om een eed af te leggen die onszelf en onze nakomelingen ertoe zou verbinden dat we nooit zullen doen wat in strijd is met het beginsel van gelijke rechten, en dat we nooit zullen proberen iemand uit te sluiten.”

Elf jaar later, kreeg Jabotinsky het voorzitterschap voor het opstellen van een grondwet voor een Joods Palestina. Volgens deze bepalingen, delen Arabieren en Joden zowel de prerogatieven als de plichten van de staat, waaronder in het bijzonder militaire en civiele dienst. De Hebreeuwse en Arabische taal zouden dezelfde juridische status genieten, en “in elk regeringskabinet waarvan de minister-president een Jood is, zou het vice-premierschap worden aangeboden aan een Arabier en andersom.”

Als dit de uitgangspositie was van de meer “militante” factie van de Joodse nationale beweging, heeft het reguliere zionisme niet alleen de volledige gelijkheid van de Arabische minderheid verleend in de toekomstige Joodse staat maar was het duidelijk van zin om de Arabisch-Joodse samenleving te bevorderen. In januari 1919, toen Chaim Weizmann de aanstaande leider is van de zionistische beweging, bereikte hij een vrede-en samenwerkingsakkoord met de Hasjemitisch emir Faisal ibn Hoessein, de effectieve leider van de opkomende pan-Arabische beweging. Vanaf die tijd tot de afkondiging van de staat Israël op 14 mei 1948, hebben zionistische woordvoerders honderden bijeenkomsten op alle niveaus met Arabische leiders gehouden. Hieraan werd deelgenomen door onder meer Abdoellah ibn Hoessein, de oudere broer van Faisal en oprichter van het emiraat Trans-Jordanië (later het koninkrijk van Jordanië), toenmalig zetelende en oud-ministers-presidenten van Syrië, Libanon, Egypte en Irak, vooraanstaande raadgevers van koning Abdul Aziz ibn Saoed (de stichter van Saoedi-Arabië) alsmede door Palestijns-Arabische elites van alle gezinten.

Nog op 15 september 1947, twee maanden vóór het verstrijken van de VN-resolutie 181 [het verdeelplan van het Britse Mandaat Palestina], hebben twee zionistische afgezanten geprobeerd Abdel Rahman Azzam, secretaris-generaal van de Arabische Liga, ervan te overtuigen dat een Palestijns conflict compleet “nutteloos de beste energie van de Arabische Liga zou opslorpen,” en dat zowel Arabieren als Joden sterk zouden profiteren “van een actief beleid van samenwerking en ontwikkeling.” Achter deze stelling school de eeuwenoude zionistische hoop: dat de materiële vooruitgang ten gevolge van Joodse nederzettingen in Palestina met gemak het pad zouden effenen voor een permanente verzoening met de lokale Arabische bevolking, of toch op zijn minst het project van de Joodse nationale zelfbeschikking genegen zouden zijn. Of zoals David Ben-Goerion, weldra de eerste premier van Israël, in december 1947 aanvoerde: “Als de Arabische burger zich thuis zal voelen in onze staat,… als de staat hem zal helpen om op een waardige en toegewijde manier het economische, sociale en culturele niveau van de Joodse gemeenschap te bereiken, dan zal het Arabische wantrouwen dienovereenkomstig afnemen en een brug worden gebouwd van een Semitische, Joods-Arabische alliantie.”

Op het eerste gezicht, rustte Ben-Goerion’s hoop op redelijke gronden. De instroom van Joodse immigranten en kapitaal na het einde van de Eerste Wereldoorlog had de tot dan statische situatie in Palestina nieuw leven ingeblazen en verhoogde de levensstandaard van de Arabische inwoners ruim boven die in de omliggende Arabische staten. De uitbreiding van de Arabische industrie en landbouw, met name op het gebied van de teelt van citrusvruchten, werd grotendeels gefinancierd met het aldus verkregen kapitaal en met de Joodse know-how verbeterde de Arabische teelt aanzienlijk. In de twee decennia tussen de wereldoorlogen, namen de citrus plantages die in Arabische handen waren toe met een zesvoud, net zoals ook het geval was met de land- en tuinbouwgewassen, terwijl het aantal olijfgaarden verviervoudigde.

Niet minder opmerkelijk was de vooruitgang op gebied van het sociale welzijn. Wellicht het belangrijkste is, dat de sterftecijfers in de islamitische bevolking fors daalden en de levensverwachting gestegen was van 37,5 jaar in 1926-27 tot 50 jaar in 1942-44 (vergelijk met 33 jaar in Egypte). De tabel van de natuurlijke aangroei van de bevolking sprong met een derde naar omhoog. Niets dat ook maar in de buurt komt van deze cijfers in de aangrenzende Arabische landen – toen nog onder Brits bestuur -, en niet te vergeten Nederland, die alleen maar te verklaren valt door de beslissende Joodse bijdrage aan het sociaal-economische welzijn in het Mandaat Palestina. De Britse autoriteiten waren zich wel degelijk bewust van deze sociaal-economische vooruitgang zoals onder meer blijkt uit een rapport uit 1937 van een onderzoekscommissie onder leiding van Lord William Peel: “De algemene weldadige werking van de Joodse immigratie op het Arabische welzijn wordt geïllustreerd door het feit dat de toename van de Arabische bevolking het duidelijkst is in stedelijke gebieden die beïnvloed worden door de Joodse ontwikkeling. Een vergelijking van de telling in 1922 en 1931 laat zien dat zes jaar geleden, de toename in procenten in Haifa 86 procent was, in Jaffa 62, in Jeruzalem 37, terwijl in louter Arabische steden zoals Nabloes en Hebron er maar een 7 procent groei was en in de Gazastrook er zelfs een daling was met 2 procent.”

Indien de overgrote meerderheid van de Palestijnse Arabieren waren overgelaten aan hun lot, zouden ze waarschijnlijk tevreden zijn geweest dat ze konden profiteren van de kansen die hen werden aangeboden. Dit blijkt uit het feit dat tijdens het tijdperk van het mandaat, de periodes van vreedzame coëxistentie veel hoger lagen vergeleken met de periodes van gewelddadige uitbarstingen, en het laatste was het werk van slechts een klein deel van de Palestijnse Arabieren. Helaas, voor zowel de Arabieren en als de Joden, werd hoe dan ook geen rekening gehouden met de verwachtingen en wensen van de gewone mensen, net zoals dat maar zelden voorkomt in autoritaire gemeenschappen, die in het algemeen vijandig staan tegenover begrippen zoals de burgermaatschappij of de liberale democratie. In de moderne wereld zijn het bovendien niet de armen en de onderdrukten die de leiding hebben tijdens grote omwentelingen of de grootste gewelddadige daden uitvoeren, maar is het veeleer een militante voorhoede die afkomstig is uit de beter opgeleide en meer bemiddelde klassen van de samenleving.

Zo verging het ook Palestijnen. In de woorden van het rapport van Lord Peel: “We hebben vastgesteld dat, hoewel de Arabieren geprofiteerd hebben van de ontwikkeling van het land als gevolg van de Joodse immigratie, dit geen verzoenend effect heeft gehad. Integendeel… met bijna mathematische precisie heeft de verbetering van de economische situatie in Palestina geleid tot de verslechtering van de politieke situatie.”

In Palestina werden gewone Arabieren vervolgd en vermoord door hun vermeende meerderen voor de misdaad van “de verkoop van Palestina” aan de joden. Intussen konden diezelfde meerderen zich straffeloos verrijken. De trouwe pan-Arabist Awni Abdel Hadi, die gezworen had “te vechten tot Palestina hetzij onder een vrije Arabische regering komt of het anders een begraafplaats wordt voor alle Joden in het land,” stond persoonlijk de overdracht toe van 7.500 hectare grond aan de zionistische beweging , en sommigen van zijn familieleden, allen gerespecteerde politieke en religieuze figuren, gingen nog een stap verder door de verkoop van feitelijke percelen. Hetzelfde deden ook de talrijke leden van de familie Hoesseini, de belangrijkste Palestijnse Arabische clan tijdens de periode van het Brits Mandaat, met inbegrip van Mohammed Tahir, de vader van Hajj Amin Hoesseini, de beruchte groot-moefti van Jeruzalem.

Het enige waar de groot-moeftie zich om bekommerde was zijn politieke positie te versterken die voor het grootste deel schuilging achter het bloedbad van 1929 waarbij 133 Joden werden vermoord en honderden gewond raakten, net zoals het de strijd voor politieke superioriteit was die de langst durende periode van het Palestijnse Arabische geweld leverde tussen 1936 en 1939. Deze werd overal voorgesteld als een nationalistische opstand tegen zowel het Britse bestuur als tegen de Joodse vluchtelingen die in die tijd naar Palestina trachten te emigreren om te ontsnappen aan de vervolging door de nazi’s. In feite was het een generale repetitie in geweld waarbij veel meer Arabieren dan Joden of Engelsen werden vermoord door Arabische bendes, die de hele Arabische bevolking onderdrukten waardoor duizenden Arabieren het land uitvluchten, en een voorsmaakje werd van wat nog komen zou tijdens de Arabische exodus van 1947-1948.

Sommige Palestijnse Arabieren, die in feite de voorkeur gaven om te strijden tegen de Arabische bendes, zullen met dat doel vaak samenwerken met de Britse autoriteiten en de Hagana, de grootste Joodse ondergrondse verzetsbeweging. Weer anderen zochten onderdak in Joodse buurten. Want ondanks de verlammende sfeer van terreur en een meedogenloze economische boycot, draaide in de praktijk de Arabisch-Joodse samenleving op vele domeinen gewoon verder, zelfs tijdens deze periodes van onrust, en werd na de ineenstorting grotendeels hersteld. Tegen deze achtergrond is het nauwelijks te verwonderen dat de meeste Palestijnen niets te maken wilden hebben met de gewelddadige opstanden die tien jaar later door het Arabisch Hoger Comite (AHC) werden opgezet, comité dat onder leiding stond van de groot-moefti en in die tijd het feitelijke ‘bestuur’ was van de Palestijnse Arabieren, met als enige doel het verdeelplan met de VN-resolutie van 1947 te ondermijnen. Met de herinneringen van 1936-39 nog vers in het geheugen, verkozen velen ervoor om weg te blijven van de strijd. In geen tijd, voerden talrijke Arabische dorpen (en sommige stedelijke gebieden) onderhandelingen met hun Joodse buren over een vredesovereenkomst; op andere plaatsen in het hele land werd op dezelfde wijze gehandeld zonder dat daarvoor een formele instemming bestond.

Evenmin waren de gewone Palestijnen bevreesd om hun hoogste leiderschap te trotseren. Tijdens zijn vele reizen doorheen de regio, constateerde Abdel Qader Husseini, de districts commandant van Jeruzalem en naaste verwant van de groot-moefti, dat het volk vaak onverschillig, zo niet vijandig, reageerde op zijn herhaalde oproepen om de wapens op te nemen. In Hebron, slaagde hij er niet eens in om ook maar één enkele vrijwilliger aan te werven om tegen betaling te dienen in het leger dat hij wilde vormen in die stad, en zijn vele inspanningen in de steden Nabloes, Tulkarm en Qalqiliya hadden nauwelijks meer succes. Arabische dorpelingen, van hun kant, bleken nog minder ontvankelijk voor zijn eisen. In een locatie, Beit Safafa, leed Abdel Qader de ultieme vernedering, toen hij werd uitgedreven door boze inwoners die protesteerden dat hun dorp zou omgevormd worden tot een knooppunt van anti-Joodse aanslagen. Zelfs de weinigen die reageerden op zijn oproep deden dat in het algemeen om wapens te bemachtigen voor hun persoonlijke bescherming en keerden dan terug naar huis.

Er was een economisch aspect aan deze vredelievendheid. Het uitbreken van de vijandelijkheden die georkestreerd werden door de AHC van de groot-moefti, leidden tot een sterke daling van de handel en een begeleidende piek in de kosten van de basisproducten. Veel dorpen, die afhankelijk waren voor hun levensonderhoud van de Joodse of van de gemengde bevolking in de steden, zagen er het nut niet van om honger te lijden door het expliciete doel te ondersteunen van de AHC dat de Joden wilden onderwerpen. Het was door dit algemene gebrek aan oorlogslust in begin februari 1948, meer dan twee maanden nadat de AHC haar gewelddadige campagne gestart was, dat Ben-Goerion opmerkte “dat de Arabieren in de dorpen voor het grootste deel aan de zijlijn zijn gebleven.”

De analyse van Ben-Goerion werd gedeeld door de Iraakse algemene Ismail Safwat, een commandant van het Arabische Bevrijdingsleger (Jaysh al-Inqadh al-Arabi/ALA) onder het bevel van Fawzi al-Qawuqji, dat een leger was dat uit Arabische vrijwilligers bestond en dat in Palestina het grootste deel van de strijd leverde in de maanden die vooraf gingen aan de proclamatie van de onafhankelijkheid van Israël. Safwat betreurde dat slechts 800 van de 5000 vrijwilligers die werden opgeleid door de ALA afkomstig waren uit Palestina zelf, en dat de meeste van hen de ALA weer hadden verlaten vooraleer zij hun opleiding hadden voltooid of onmiddellijk daarna waren vertrokken. Het oordeel van Fawzi Qawuqji, de lokale commandant van de ALA-krachten, was niet minder vernietigend. Hij vond dat de Palestijnen “onbetrouwbaar, prikkelbaar en moeilijk te controleren zijn, en in georganiseerde oorlogsvoering vrijwel oninzetbaar blijken.”

Dit standpunt vat de meeste hedendaagse opvattingen samen van die noodlottige zes maanden van gevechten nadat Resolutie 181 over het verdeelplan van Palestina werd goedgekeurd. Zelfs toen tijdens deze maanden de volledige desintegratie van de Palestijnse Arabische samenleving plaatsvond, werd die nergens omschreven als een systematische onteigening van Arabieren door de Joden. Integendeel: het verdeelplan dat in het algemeen door de Arabische leiders werd aangeduid als “Zionistisch van inspiratie, Zionistisch in beginselen, Zionistisch in wezen en Zionistisch in de meeste details” (‘Zionist in inspiration, Zionist in principle, Zionist in substance, and Zionist in most details,’ in de woorden van de Palestijnse academicus Walid Khalidi), en hun leiders brutaal en openhartig waren over hun vastberadenheid om het [verdeelplan] te ondermijnen met wapengeweld, was er geen enkele twijfel over welke kant verantwoordelijk was voor het bloedvergieten.

Evenmin deden de Arabieren een poging om hun schuld te verbergen. Zoals de Joden de krijtlijnen tekenden van hun ontluikende staat en er tegelijkertijd naar streefden om hun Arabische landgenoten ervan te overtuigen dat zij zouden worden (zoals Ben-Goerion het heeft gezegd) “gelijke burgers, gelijk in alles, zonder enige uitzondering,” beloofden de Palestijns-Arabische leiders dat “indien het verdeelplan moet worden uitgevoerd, dit alleen zal bereikt worden over de dode lichamen van de Arabieren van Palestina, hun zonen en hun vrouwen.” Qawuqji zwoor “om alle Joden in de zee te drijven.” Abdel Qader Hoesseini verklaarde dat “het Palestijnse probleem alleen door het zwaard zal worden opgelost; alle Joden moeten Palestina te verlaten.”

Zij en hun Arabische medestanders deden hun uiterste best om deze bedreigingen te doen uitkomen met alle middelen waarover ze beschikten. Naast de reguliere troepen zoals de ALA, richtten guerrilla- en terreur groepen enorme ravage aan, zowel onder de niet-strijders als onder de Joodse gevechtseenheden. Vuurgevechten, sluipschutters, hinderlagen, bomaanslagen, die in de wereld van vandaag zouden veroordeeld worden als oorlogsmisdaden, waren dagelijkse kost in het leven van burgers. “Onschuldige en weerloze mensen, die hun dagdagelijkse ding deden”, schreef de Amerikaanse consul-generaal in Jeruzalem Robert Macatee in december 1947, worden getroffen tijdens het rijden in bussen of wanneer ze in de straten lopen en verdwaalde schoten treffen zelfs mensen tijdens hun slaap in bed. Een Joodse vrouw, moeder van vijf kinderen, werd neergeschoten in Jeruzalem terwijl ze wasgoed te drogen hing op haar dak. De ambulance die haar in allerijl naar het ziekenhuis voerde werd met machinegeweren onder vuur genomen en tenslotte werden op haar begrafenis de rouwenden aangevallen en werd een van hen doodgestoken.

Door de toename van de gevechten, deelden ook de Arabische burgers de klappen en af en toe leidde een gruweldaad tot een cyclus van grootschalig geweld. Zo werd de moord op zes Arabische arbeiders in december 1947 in een olieraffinaderij de buurt van de Haifa gepleegd door de kleine Joodse ondergrondse groep IZL (Irgun Zvai Leumi/Irgoen), onmiddellijk gevolgd door de slachting van 39 Joden door hun Arabische collega’s, net zoals de dood van zo’n 100 Arabieren tijdens de strijd om het dorp Deir Yasin in april 1948 binnen enkele dagen werd ‘gewroken’ door de moord op 77 Joodse verpleegkundigen en artsen die op weg waren naar het Hadassah ziekenhuis op de Scopus Berg.

Het bloedbad in Deir Yassin op 8/9 april 1948, balans: 106 doden. Dit cijfer werd door de Arabische propaganda spoedig opgeblazen tot 246 en later zelfs tot 500 en meer doden en veroorzaakte een golf van paniek op het Arabische platteland. Dat er op 13 april 1948 als vergelding 77 Joodse dokters en verplegers worden afgeslacht tijdens een medisch konvooi naar de Scopusberg, wordt dra door iedereen ‘vergeten’ maar Deir Yassin daarentegen staat tot vandaag symbool voor ‘zionistische wreedheid’

Maar terwijl de Joodse leiders en de media deze gruwelijke gebeurtenissen beschreven voor wat ze waren, soms informatie achter hielden om paniek te voorkomen en aldus de deur open hielden voor Arabisch-Joodse verzoening, werd door hun Arabische tegenhangers de tol niet alleen opgeblazen tot gigantische proporties, maar bedachten ze talrijke onbestaande wreedheden. De val van Haifa bijvoorbeeld (21-22 april), gaf aanleiding tot volstrekt valse beweringen over een grootschalige slachting, die verspreid werd in het Midden-Oosten en de westerse hoofdsteden bereikten. Ook valse geruchten werden verspreid na de val van Tiberias (18 april), tijdens de strijd om Safed (begin mei) en in Jaffa, waar eind april de burgemeester een bloedbad fabriceerde van “honderden Arabische mannen en vrouwen.” De verslagen in de Arabische media over het bloedbad in Deir Yasin waren extreem huiveringwekkend, met IZL-strijders die op hun armen hamer en sikkel tatoeages zouden gehad hebben en vals beschuldigd werden van vernielingen en verkrachtingen.

Het doel van deze paniekzaaierij was ongetwijfeld gericht op het winnen van een zo breed mogelijke sympathie voor de Palestijnse situatie door de Joden voor te stellen als wrede roofdieren. Maar oogste het tegenovergestelde effect en draaide uit op een ramp doordat de paniek zich begon te verspreiden binnen de toch al gedesoriënteerde Palestijnse samenleving. Dat verklaart op haar beurt waarom in april 1948, na vier maanden van ogenschijnlijke vooruitgang, de Arabische oorlog in deze fase in elkaar stortte. (Dat gebeurde allemaal aan de vooravond van een tweede, bredere en meer langdurige fase waarin de legers van vijf Arabische landen half mei Palestina zullen binnen vallen.) Want niet alleen namen steeds minder Palestijnen deel aan de vijandelijkheden, steeds grotere aantallen pakten hun hebben en houden bij elkaar, verlieten hun huizen en vluchten weg naar plaatsen elders in het land of naar naburige Arabische landen.

Inderdaad, waren velen gevlucht nog voor de vijandelijkheden waren uitgebroken, en nog grotere aantallen trokken er vandoor voordat de oorlog hun eigen voordeur bereikte. “Arabieren met hun families verlaten in grote aantallen het land en er is een uittocht van de gemengde steden tot in de landelijke Arabische centra,” meldde Alan Cunningham, de Britse Hoge Commissaris, in december 1947, en hij zal er een maand later nog aan toevoegen dat de “paniek bij de middenklasse blijft voortduren en er een gestage uittocht plaatsvind van diegenen die het zich kunnen veroorloven om het land te verlaten.”

In navolging van deze verslagen, vertelden medio december inlichtingenbronnen bij de Haganah dat een “een uitzinnige evacuatiegolf bezit heeft genomen van hele Arabische dorpen.” De toestand werd dra onhoudbaar en nog vóór de maand voorbij was, kloegen veel Palestijnse Arabische steden over de ernstige problemen die ontstonden door de enorme toestroom van dorpelingen en smeekten de AHC (Arab Higher Comitee, het politiek orgaan van de Arabische gemeenschap in het Mandaat Palestina) dringend om hulp om een oplossing voor die toestand te vinden. Zelfs de Syrische en Libanese regeringen waren verontrust door deze vroege uittocht, en eisten van de AHC dat het de Palestijnse Arabieren zou aanmoedigen om te blijven en de strijd verder te zetten.

Maar er kwamen geen dergelijke aanmoedigingen, noch van het AHC noch van elders. In feite was elke nationale samenhang zoek, laat staan dat er een gevoel bestond van gedeelde lotsbestemming. Steden en dorpen handelden alsof zij op zichzelf staande eenheden waren, enkel om hun eigen behoeften gaven en het kleinste offer schuwden dat naar andere plaatsen [waar de nood dikwijls veel groter was] zou gaan. Veel “nationale comité’s” (dwz, de lokale leiders) verboden de uitvoer van voedsel en drank uit de goed gevulde voorraadkamers van de steden naar behoeftige afgelegen dorpen en steden. De Arabische kooplieden van Haifa weigerden een ernstig tekort aan meel in Jenin te verlichten, terwijl de Gazastrook weigerde eieren en pluimvee naar Jeruzalem uit te voeren; in Hebron controleerden gewapende bewakers alle vertrekkende auto’s. Tegelijkertijd was er een uitgebreide smokkel ontstaan, met name in de gemengde bevolking van de steden, van Arabische levensmiddelen naar Joodse wijken en andersom.

Het totaal gebrek aan gemeenschappelijke solidariteit bleek eveneens uit de erbarmelijke behandeling, die de honderdduizenden vluchtelingen die verspreid waren over het hele land, werd aangedaan. Niet alleen was er geen collectieve poging om hun lot te verlichten, of zelfs geen breder inlevingsvermogen in de directe omgeving te bespeuren, maar veel vluchtelingen werden mishandeld door hun tijdelijke gastheren en onderworpen aan spot en beledigingen voor hun vermeende lafheid. In de woorden van een Joods intelligentie rapport: “De vluchtelingen worden gehaat waar ze ook maar toekomen.”

Zelfs de uitverkoren oorlogsslachtoffers – de overlevenden van het bloedbad in Deir Yasin –ontliepen hun aandeel in de vernederingen niet. Velen vonden een toevlucht in het naburige dorp Silwan, maar leefden al snel op gespannen voet met de lokale bevolking, tot het punt waar op 14 april, slechts vijf dagen na de tragedie, een Silwan delegatie naar het AHC kantoor in Jeruzalem trok om te eisen dat de overlevenden elders zouden worden overgebracht. Geen hulp voor hun verhuis zou er nog ooit aankomen.

In sommige plaatsen weigerden men botweg vluchtelingen op te nemen, uit vrees om de eigen bestaansmiddelen uit te putten. In Acre (Akko), verhinderden de autoriteiten dat vluchtende Arabieren in Haifa zouden ontschepen en in Ramallah organiseerde de overwegend christelijke bevolking haar eigen privé militie, niet zozeer om de Joden te bestrijden maar om te verhinderen dat nieuwe moslims zouden neerstrijken. Velen maakten ongegeneerd misbruik van de penibele situatie waarin de vluchtelingen verkeerden, met name door hen compleet kaal te plukken voor primaire zaken zoals transport en huisvesting.

arabrefugeeToch bleven de Palestijnen nog steeds hun huizen ontvluchten en in een nog steeds toenemend tempo. Begin april 1948 waren er reeds zo’n 100.000 vertrokken, hoewel de Joden op dat ogenblik nog steeds in het defensief waren en helemaal niet in de positie stonden om hen te verdrijven. (Op 23 maart, een volle vier maanden na het uitbreken van de vijandelijkheden, noteerde Safwat, chef-commandant van de ALA, met enige verbazing dat de Joden “tot nog toe geen enkel Arabisch dorp hebben aangevallen behalve wanneer het daartoe werd uitgedaagd.”) Tegen de tijd van de onafhankelijkheidsverklaring van Israël op 14 mei, was het aantal Arabische vluchtelingen meer dan verdrievoudigd. Zelfs dan, werden geen van de 170,000-180,000 Arabieren die de stedelijke centra waren ontvlucht en slechts een handvol van de 130,000-160,000 dorpelingen die hun huizen hadden verlaten, daartoe gedwongen door de Joden.

De uitzonderingen die voorkwamen in het hevigste van de strijd, werden op uniforme wijze bepaald door ad-hoc-militaire overwegingen om het aantal burgerslachtoffers te reduceren, door Arabische strijders uit bepaalde plaatsen weg te houden wanneer er geen Joodse strijdkrachten beschikbaar waren om hen af te weren eerder dan uit politieke overwegingen. Ze gingen bovendien gepaard met inspanningen om het vluchten te voorkomen en/of de terugkeer te bevorderen van mensen die gevlucht waren. Om maar een voorbeeld te noemen, begin april trok een Joodse delegatie, die was samengesteld uit topadviseurs in Arabische zaken, lokale notabelen en gemeentelijke chefs die nauwe contacten hadden met naburige Arabische gemeenten, doorheen de Arabische dorpen in de kustvlakte die in een duizelingwekkende tempo leegliepen, in een poging hen te overtuigen dat hun inwoners zouden blijven.

Wat al deze Joodse alle inspanningen nog indrukwekkender maakt is dat ze plaatsvonden in een tijd waarin grote aantallen Palestijnse Arabieren actief uit hun huizen werden gedreven, hetzij door hun eigen leiders en/of door Arabische strijdkrachten, of uit militaire overwegingen of om te voorkomen dat ze burgers zouden worden van de toekomstige Joodse staat. In het grootste en bekendste voorbeeld, werden tienduizenden Arabieren op bevel van de AHC gesommeerd of gedwongen de stad Haïfa te verlaten, ondanks intensieve pogingen van de Joden om hen te overtuigen om te blijven. Slechts enkele dagen eerder, werd de 6000 sterke Arabische gemeenschap van Tiberias op soortgelijke wijze door haar eigen leiders gedwongen te vluchten, tegen de lokale Joodse wensen in. In Jaffa, Palestina’s grootste Arabische stad, organiseerde het gemeentebestuur de vlucht van duizenden bewoners over land en zee; in Jeruzalem beval de AHC vrouwen en kinderen te vertrekken en lokale bendeleiders jaagden de bewoners weg uit verschillende buurten.

Tienduizenden dorpelingen op het platteland werden op soortgelijke wijze gedwongen hun biezen te pakken in opdracht van de AHC, van lokale Arabische milities of door de ALA. Binnen enkele weken na de aankomst van de laatstgenoemde in Palestina in januari 1948, begonnen geruchten te circuleren over geheime instructies voor de Arabieren in de overwegend Joodse gebieden om hun dorpen te verlaten, zodat ze konden gebruikt worden voor militaire doeleinden en om het risico dat ze zouden worden gegijzeld door de Joden te verminderen.

Tegen februari was dit verschijnsel uitgewaaid tot in de meeste delen van het land. Het kreeg aanzienlijk meer dynamiek in april en mei wanneer ALA en AHC troepen zich in Palestina volledig hadden ontplooid. Op 18 april signaleerde de geheime dienst van het filiaal van de Haganah in Jeruzalem, een nieuwe algemeen bevel om vrouwen en kinderen te verwijderen uit alle dorpen die grensden aan Joodse gemeenten. Twaalf dagen later maakte haar medestander in Haifa melding dat een ALA-commando het bevel had uitgevaardigd om alle Arabische dorpen tussen Tel Aviv en Haifa te ontruimen in afwachting van een nieuw algemeen offensief. In het begin van mei, wanneer de strijd wordt geïntensiveerd in het oosten van Galilea, werden lokale Arabieren gecommandeerd om alle vrouwen en kinderen in het Rosh Pina gebied weg te voeren, terwijl in het sub-district van Jeruzalem, het Arabisch Legioen van Trans-Jordanië de volledige ontruiming beval van talloze dorpen.

Wat de Palestijnse Arabische leiders zelf betreft, die tegen de zin van hun kiezers in hen in de jaren 1920 en 1930 op een ramkoers met het zionisme hadden gezet en hen thans hulpeloos hadden meegesleept in een dodelijk conflict, haastten zij zich om weg te komen uit Palestina op het meest kritieke moment. In de staart van de hier hoger aangehaalde gebeurtenissen, stormden de plaatselijke leiders eveneens massaal door de deur. De Hoge Commissaris van het Mandaat Palestina Sir Alan Cunningham vat – met een typisch Britse understatement – hieronder samen wat er toen gebeurde:

“U moet weten dat de ineenstorting van het Arabische moreel in Palestina in zekere mate te wijten is aan de toenemende tendens [om de vlucht te nemen] van hen die verondersteld worden de mensen te leiden om het land te verlaten… Zo ging bijvoorbeeld de burgemeester van Jaffa 12 dagen geleden op een 4-daagse trip en is niet teruggekeerd, en de helft van het nationaal comité heeft de stad verlaten. In Haifa hebben de Arabische gemeenteraadsleden de gemeente enige tijd geleden verlaten, de twee leiders van het Arabische Bevrijdingsleger hebben recent het strijdtoneel daadwerkelijk verlaten. Thans heeft de voornaamste Arabische magistraat de stad verlaten. In alle delen van het land en gespreid over een lange periode, evacueren de klasse van de Effendi in grote aantallen en het tempo neemt nog steeds toe.”

Arif al-Arif, een prominente Arabische politicus tijdens het tijdperk van het mandaat en de nestor van de Palestijnse historici, beschreef de heersende sfeer in de tijd aldus: “Waar men ook gaat door het hele land hoort men steeds hetzelfde refrein: ‘Waar zijn de leiders die ons de weg moeten tonen? Waar is de AHC? Waarom zijn haar leden in Egypte op het ogenblik dat Palestina, hun eigen land, ze nodig heeft? ‘”

Nimr Muhammad al-Khatib, een Palestijns-Arabische leider tijdens de oorlog van 1948, zal de situatie later in deze woorden samenvatten: “De Palestijnen hadden naburige Arabische staten die hun grenzen en deuren voor de vluchtelingen hadden geopend, terwijl de joden geen andere mogelijkheid hadden dan te triomferen of te sterven.”

Dit geldt waar genoeg voor de Joden, maar het gaf voedsel aan de reden voor de vlucht van de vluchtelingen en verstoorde radicaal de kwaliteit van hun opvang elders. Als ze op geen enkele sympathie konden rekenen bij hun broeders thuis,was de reactie in de hele Arabische wereld zo mogelijk nog harder. Er waren herhaalde oproepen voor de gedwongen terugkeer van de vluchtelingen, of op zijn minst van jonge mannen van militaire leeftijd, van wie velen waren toegekomen onder het (valse) voorwendsel van vrijwilligerswerk voor de ALA. Naarmate het einde van het mandaat dichterbij kwam, weigerde de Libanese regering visa voor Palestijnse mannen tussen achttien en vijftig jaar oud en beval alle ‘gezonde en fitte mannen’ die al het land waren binnengekomen, zich officieel te registreren of anders zouden zij als illegale vreemdelingen worden beschouwd en de gevolgen moeten dragen van de toepassing van de wet.

De Syrische regering pakte de zaken nog strenger aan en verbood de toegang tot haar grondgebied aan alle Palestijnse mannen tussen de zestien en vijftig jaar oud. In Egypte trok een groot aantal betogers naar het Arabische hoofdkwartier in Caïro en dienden een petitie in waarin ze eisten dat “elke gezonde Palestijn die in staat is om wapens te hanteren moet verboden worden om in het buitenland verblijven.” Zodanig groot was de omvang van de Arabische wrok richting Palestijnse vluchtelingen, dat de rector van het Al-Azhar Instituut van Caïro, waarschijnlijk de belangrijkste islamitische autoriteit in die tijd, zich verplicht voelde om een uitspraak te doen in de kwestie van de Palestijns Arabische vluchtelingen met name dat de opvang [van die vluchtelingen] ‘een religieuze plicht is’

De [Arabische] minachting voor de Palestijnen werd in de loop van de tijd alleen maar geïntensiveerd. “De Palestijnse Arabieren zijn in de ban van de angst en vluchten het land uit”, aldus Radio Bagdad aan de vooravond van de pan-Arabische invasie van de pasgeboren staat Israël half mei 1948. “Dit zijn inderdaad harde woorden, maar ze zijn waar.” Camille Chamoun, Minister van Binnenlandse Zaken van Libanon (en toekomstige president) was behoedzamer zeggende dat “Het volk van Palestina, in haar vorige weerstand tegen imperialisten en zionisten, bewezen de onafhankelijkheid waardig te zijn,” maar “ in deze beslissende fase van de strijd hebben zij zich niet zo waardig gehouden.”

Geen wonder, dat destijds maar weinig van de Palestijnse vluchtelingen de Joden de schuld gaven van hun eigen ineenstorting en verspreiding. Tijdens een onderzoekscommissie naar de Gazastrook in juni 1949 was Sir John Troutbeck, het hoofd van de Britse zetel voor het Midden-Oosten in Caïro en zeker geen vriend van Israël of van de Joden, verbaasd om te ontdekken dat “de vluchtelingen helemaal niet verbitterd waren over de Joden (en ook niet wat de Amerikanen of onszelf betreft), maar zij wel met de grootst mogelijke bitterheid over de Egyptenaren en andere Arabische staten spraken. ‘We weten wie onze vijanden zijn,’ zullen zij zeggen en verwijzen naar hun Arabische broeders die, zo verklaarden zij, hen ervan overtuigden om hun huizen onnodig te verlaten… Ik heb zelfs horen zeggen dat veel van de vluchtelingen de Israëli’s hartelijk verwelkomen wanneer ze toekomen om de wijk over te nemen.”

Zestig jaar na hun verspreiding, verblijven de vluchtelingen van 1948 en hun nakomelingen nog steeds in de smerige kampen waar zij worden vast gehouden door hun Arabische broeders, terend op haat en valse hoop. Ondertussen hebben hun voormalige leiders opeenvolgende kansen voor een eigen staat verkwist.

Het is inderdaad de tragedie van de Palestijnen dat de twee leiders die hun nationale ontwikkeling bepaalden tijdens de 20e eeuw – Hajj Amin al-Hoesseini en Yasser Arafat, de laatste die de Palestijnse politiek domineerde sinds halverwege de jaren 1960 tot aan zijn dood in november 2004 – megalomane extremisten waren, verblind door anti-Joodse haat en intens geobsedeerd door geweld. Had de groot-moefti ervoor gekozen om zijn volk te leiden naar vrede en verzoening met hun Joodse buren, zoals hij de Britse ambtenaren had beloofd die hem in het begin van de jaren 1920 tot zijn hoge rang hadden benoemd, dan zouden de Palestijnen in 1948 hun onafhankelijke staat hebben gehad op een wezenlijk deel van het Brits Mandaat Palestina en zou het bespaard zijn gebleven van de traumatische ervaring van hun verstrooiing en ballingschap. Had Arafat de PLO vanaf het begin op de weg naar vrede en verzoening gezet, in de plaats van die organisatie te veranderen in een van de meest moorddadige terroristische organisaties van onze moderne tijd, dan zou een Palestijnse staat zijn opgericht in de late jaren 1960 of in het begin van de jaren 1970, of in 1979 als een uitvloeisel van de Egyptisch-Israëlisch vredesverdrag; of in mei 1999 als onderdeel van het Oslo-akkoorden, of ten laatste tijdens de onderhandelingen van juli 2000 in Camp David.

In plaats daarvan Arafat veranderde de gebieden die onder zijn controle stonden in de jaren 1990 in een effectieve staat van terreur, vanwaar hij een totale oorlog begon (de al-Aqsa Intifada) kort nadat hem onafhankelijke Palestijnse staat werd aangeboden in de Gazastrook en 92 procent van de Westelijke Jordaanoever met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. Tijdens dat proces, onderwierp hij de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook aan een repressief en corrupt regime in de slechtste traditie van de Arabische dictaturen en stortte hun levensstandaard tot ongekende diepten.

Wat deze toestand des te wranger maakt is dat los van hun ongelukkige aberraties, Hajj Amin en Arafat typische vertegenwoordigers waren van de cynische en zelfzuchtige leiders die door het Arabische politieke systeem werden geproduceerd. Net zoals de Palestijnse leiders tijdens het mandaat niet twijfelden om hun kiezers aan te zetten tot haat tegen het zionisme en de Joden, onderwijl hun eigen zakken vullende met de vruchten van het Joodse ondernemerschap, maakten de ambtenaren van de PLO gretig misbruik van de miljarden dollars die hun werden geschonken door de Arabische oliestaten en, tijdens het Oslo-tijdperk, door de internationale gemeenschap hun luxueuze levensstijl laten financieren terwijl de gewone Palestijnen moesten krabben voor hun dagelijks levensonderhoud.

En zo is dat gegaan. Zes decennia nadat de groot-moefti en zijn trawanten hun mensen veroordeelden tot statenloosheid door afwijzing van het verdeelplan met Resolutie 181 van de Verenigde Naties, worden hun roekeloze beslissingen van toen nagespeeld door de nieuwste generatie van Palestijnse leiders. Dit geldt niet alleen voor Hamas, dat in januari 2006 de PLO aan het roer van de Palestijnse Autoriteit (PA) heeft vervangen, maar ook voor de zogenaamde gematigde Palestijnse leiders – van president Mahmoud Abbas tot over Ahmad Qureia (onderhandelaar tijdens de Oslo-akkoorden in 1993), van Saeb Erekat tot aan premier Salam Fayad – die recent nog weigerde het bestaan van Israël te erkennen als een Joodse staat en aandringt op de volledige uitvoering van het ‘recht van terugkeer’ [van de Arabische vluchtelingen én hun 4 miljoen nakomelingen.]

En zo gaat dat ook met de Westerse antizionisten, die niet minder dan ‘in naam van de rechtvaardigheid’ tot op vandaag nog steeds oproepen niét om een nieuw en fundamenteel verschillend Arabische leiderschap, maar tot de ontmanteling van de Joodse staat. Alleen wanneer deze disposities veranderen zullen de Palestijnse Arabieren realistisch kunnen uitkijken om eindelijk die ‘catastrofe’ [= nakba] – die ze enkel aan zichzelf te wijten hebben – achter zich kunnen laten.

door Efraim Karsh

in een vertaling van Brabosh.com
Antwerpen, 17/23 oktober 2009


Bronnen:

  1. Commentary Magazine:
    ♦ 1948, Israel, and the Palestinians—The True Story – Sixty years after its establishment by an internationally recognized act of self-determination, Israel remains the only state in the world that is subjected to a constant outpouring of the most outlandish conspiracy theories and blood libels; whose policies and actions are obsessively condemned by the international community; and whose right to exist is constantly debated and challenged not only by its Arab enemies but by segments of advanced opinion in the West; door Efraim Karsh [lezen]
    ♦ vrij vertaald en bewerkt in twee afleveringen door Brabosh.com op 17 en 23 oktober 2009 [deel 1] en [deel 2]