De vlucht van de (Pal-)Arabieren tijdens de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog 1947-49

Galilea, oktober 1948. Een deel van de Arabieren trekt weg uit de Joodse staat naar Libanon

Dat er Palestijnse vluchtelingen leven in Beiroet is natuurlijk het gevolg van de Arabisch-Israëlische oorlog van 1947-1949. Vluchtten deze mensen uit hun huizen op aandringen van de Palestijnse politieke en militaire leiders, zoals de Israëli’s beweren, of werden zij verjaagd door de Joden, zoals de Arabieren beweren?

Deze kwestie staat in het centrum van de Arabisch-Israëlische propaganda-oorlog, die sinds 1948 naast de ‘hete oorlogen’ heeft gewoed. Mijn eigen ervaring is, dat Joden het populaire idee delen dat de Arabische leiders de Palestijnen opdracht gegeven hebben om te vertrekken, terwijl de Palestijnen zeggen dat er een weloverwogen Joods plan was om de Arabieren te verdrijven. Wat is de waarheid?

Benny Morris heeft op basis van voorheen ontoegankelijke bronnen, een controversieel boek over dit onderwerp geschreven, getiteld The Birth of the Palestinian Refugee Problem, 1947-1949 uit 1987. Hij schrijft, dat de Palestijnse vlucht het resultaat was van de Arabische oorlog tegen de jonge Joodse staat. De Joden beraamden de uittocht niet en moedigden hem aanvankelijk ook niet aan. De eerste evacuatiegolf[*] werd door de omliggende Arabische staten en plaatselijke leiders evenmin aangemoedigd.

[*] David Dolan: Deze laatste conclusie is een van de dingen die Morris’ boek zo omstreden hebben gemaakt. Israëlische critici zeggen dat hij met opzet het bewijs negeerde, dat plaatselijke en regionale Arabische leiders wel degelijk opdracht gaven aan prominente Palestijnen om te vertrekken, wetende dat dit voorbeeld brede navolging zou krijgen. Volgens hen werden zulke, vaak mondelinge, orders opgevangen door Israëlische en Britse inlichtingendiensten. Ze zeggen verder dat Morris, geboren in hetzelfde jaar als de Joodse staat, de neiging heeft om Israëls zelfvertrouwen en militaire kracht te overdrijven, en dat hij de strijd van 1948 bekijkt met de ogen van iemand die Israël alleen als militaire reus heeft gekend.

Morris vermeldt dat hij geen Arabische documenten had over die perioden, maar dat hij een redelijk helder beeld kreeg van de Arabische activiteiten uit Israëlische en Britse documenten. Sommigen betwijfelen de juistheid van deze benadering. Ook is er kritiek, omdat hij Hebreeuwse en Engelse vertalingen van Arabische radio uitzendingen en ander materiaal gebruikte. Hoewel ik enkele van deze kritiekpunten voor een deel onderschrijf, vind ik dat dit boek tot nu toe de vluchtelingenkwestie het best beschrijft, en daarom citeer ik eruit.]

De rijken vluchten altijd eerst
In de eerste maanden na het uitbreken van de vijandelijkheden begin december 1947, bestond de meerderheid van de vluchtelingen uit rijke Arabieren, die tijdelijk een veiliger heenkomen zochten, tot het weer wat rustiger werd. Velen van hen waren christenen die niet achter de heilige oorlog tegen de Joden stonden. Toen de gevechten in 1948 heviger werden, probeerden steeds meer mensen de gevechten te ontvluchten door voorlopig elders te verblijven, in de overtuiging dat de Arabische landen binnen korte tijd de overwinning zouden behalen. De vlucht van prominente Palestijnen moedigde anderen aan, ook hun huizen te verlaten.

Volgens Morris veranderden de motieven enigszins na de moordpartij in Deir Yassin in april; angst voor de Joden werd een belangrijke drijfveer om te vluchten. De Arabische media bliezen de affaire op voor propagandadoeleinden, maar dit had tot gevolg dat veel Palestijnen bang werden, al hadden gematigde joodse leiders de moorden veroordeeld.

Leden van Irgun en de Stern-groep waren redelijk tevreden over de groeiende paniek onder de Palestijnen, schrijft Morris. Zij geloofden dat de overlevingskansen van de Joodse staat groter werden als er minder Arabieren binnen zijn grenzen waren. In mei, toen de Arabische legers hun aangekondigde jihad inzetten, gaven zowel Arabische als Joodse militaire commandanten opdracht om strategische dorpen en steden te ontruimen.

Het aantal vluchtelingen steeg door gevechten tussen Joodse en Arabische strijders in de straten van steden als Haïfa, Tiberias en Jaffa. Plaatselijke Palestijnen raakten ontmoedigd, toen ze zagen dat hun leiders bij de eerste tekenen van een joodse overwinning vluchtten. Ook dit gaf weer nieuwe vluchtelingen. De slechte Arabische militaire organisatie, en de nu en dan voorkomende roof- en verkrachtpartijen door ongeregelde Iraakse en Syrische troepen, tastten het moraal verder aan. Steeds meer mensen vluchtten.

Met een bombardement door Egyptische vliegtuigen op Tel Aviv, begon in de ochtend van zaterdag 15 mei de totale Arabische aanval op de jonge Joodse staat De Transjordaanse koning Abdoellah, in de hoop het Arabische deel van het verdeelde Palestina te kunnen inlijven, viel aan vanuit het oosten. In het noorden begonnen Syrië, Libanon en Irak hun gewapende aanval om de Joden uit Tiberias en Haïfa te verdrijven.

De Israëli’s hadden het op alle fronten zwaar te verduren. De binnenvallende legers hadden vliegtuigen, artillerie en pantservoertuigen, de Joden hadden niets van dit al (Britse mandaatfunctionarissen hadden de joden verboden wapens te importeren). Het Syrische leger, gesteund door Irak, viel de gebieden ten noorden en ten zuiden van het Meer van Galilea aan en veroverde verschillende nederzettingen. In Galilea veroverden Libanese soldaten voor korte tijd een Joodse nederzetting in de Naftali-heuvels en omsingelden een andere. Vooral rond het Meer van Galilea waren de gevechten hevig.

De Oude Stad is verloren
Egyptische troepen drongen de kuststrook van Gaza binnen op weg naar Tel Aviv en veroverden kibboetsen op hun pad. Na enkele weken van hevige strijd werd de Egyptische opmars gestuit op 25 kilometer van Tel Aviv, met behulp van de eerste Israëlische gevechtsvliegtuigen, net aangekomen uit, ironisch genoeg, Tsjecho-Slowakije.

Ten noorden en ten zuiden van Jeruzalem en rond de Oude Stad duurden de gevechten voort. De Transjordaanse troepen, het `Arabische Legioen’, stonden bekend als harde soldaten; het legioen was opgezet en werd lange tijd geleid door de Britten. Joodse strijders zagen zich al snel gedwongen om verschillende nederzettingen ten noorden van Jeruzalem te verlaten, en vier andere in het Etzion-blok ten zuidoosten van Bethlehem. De weg tussen Tel Aviv en Jeruzalem werd opnieuw afgesloten, ditmaal door het Arabische Legioen, en de Israëli’s moesten een nieuwe verbinding maken om belegerde joden in west-Jeruzalem te kunnen bereiken. Abdoellah’s troepen veroverden de Oude Stad, maar Joods west-Jeruzalem kregen ze niet in handen.

Tot ieders verrassing kwam het Arabische offensief begin juni tot stilstand. Deskundigen menen, dat dit te wijten was aan het buitengewoon hoge moreel van de Joden (de Arabieren hadden immers beloofd hen in zee drijven), en aan de slechte organisatie en lage motivatie onder de Arabische troepen. Toen duidelijk werd dat ze niet zouden slagen in hun heilige vernietigingsoorlog, stemden de Arabieren in met een door de Verenigde Naties voorgesteld bestand van 28 dagen. Het werd op 10 juni van kracht.

De heftige strijd in alle delen van het Beloofde Land veroorzaakte een nieuwe golf van Palestijnse vluchtelingen. Benny Morris schrijft dat, in tegenstelling tot de algemene mening in Israël, de Arabische staten de Palestijnen niet opriepen het offensief te ontvluchten, enkele uitzonderingen daargelaten. Maar adviezen waren niet nodig, schrijft hij, want Palestijnse burgers hadden, net als iedereen, weinig behoefte om betrokken te raken in een volledige oorlog. Morris heeft evenmin bewijs om de Arabische beschuldiging te staven, dat de Israëli’s een beleid voerden om de Palestijnse dorpelingen uit hun huizen te drijven. In het heetst van de strijd “begrepen alle betrokkenen dat het om militair te overleven het best was dat zo min mogelijk Arabieren bleven hangen aan of vlak achter het front.”

Tegelijkertijd beseften de Israëlische leiders dat de massale evacuatie een van de grote problemen van de nieuwe staat zou kunnen helpen oplossen; de aanwezigheid van een grote Arabische minderheid die in de toekomst steun zou kunnen geven aan aanvallen door naburige Arabische staten. In totaal werden tussen de 200.000 en 300.000 Palestijnen vluchteling in deze periode, naast de vele duizenden die voor april 1948 al gevlucht waren.

De kansen keren, Israël wint de strijd
In de 28 dagen voor de hervatting van de strijd op 8 juli had het Israëlische leger nieuw materiaal gekregen, waarmee het de aanval inzette en delen van Galilea en de strategische plaatsen Ramle en Lydda veroverde. Het Israëlische leger bestond uit 100.000 soldaten, een zesde van de Joden in Israël. Velen van hen waren eigenlijk burgers die een geweer kregen uitgereikt en in korte tijd leerden schieten. Pogingen van de Israëli’s om de Oude Stad van Jeruzalem te veroveren, mislukten. De Arabieren zagen dat dit hen niet verder bracht en stemden opnieuw in met een staakt-het-vuren, dat begon op 18 juli.

In de tien dagen van strijd kwamen er nog eens twintig- tot dertigduizend Palestijnse vluchtelingen bij. Velen van hen kwamen uit de steden Ramle en Lydda (vlakbij het strategische internationale vliegveld), waaruit het Arabische Legioen zich opeens terugtrok. Militaire deskundigen zeggen dat koning Abdoellah waarschijnlijk inzag, dat die plaatsen buiten het gebied lagen dat hij met succes zou kunnen veroveren en inlijven bij zijn koninkrijk. Vanuit Ramle en Lydda werden veel aanvallen beraamd op de weg van Tel Aviv naar Jeruzalem. Israëlische functionarissen, overtuigd van het strategische belang van die plaatsen voor de nieuwe staat, gaven bevel tot evacuatie van de bewoners. Morris schrijft dat dit de eerste en grootste opzettelijke uitzetting was die de Israëli’s tijdens de oorlog afdwongen.

Ongeregelde Arabische troepen negeerden het staakt-het-vuren van juli, en de gevechten gingen op veel plaatsen door. In oktober begon de oorlog opnieuw op volle schaal. De Israëli’s slaagden erin, Egyptische troepen ten zuiden van Jeruzalem af te snijden en de kustweg zuidelijk van Tel Aviv te openen. Beersheba in de Negev-woestijn werd op 21 oktober veroverd, noord-Galilea op 31 oktober.

Terwijl het duidelijk werd dat de Arabische legers verslagen waren, stemde Egypte in januari 1949 in met indirecte onderhandelingen om een getekende wapenstilstand te bereiken. Het bestand, door bemiddeling van de VN bereikt, werd getekend in februari. Overeenkomsten met Libanon en Transjordanië volgden spoedig. Onderhandelingen met Syrië, dat aanvallen bleef uitvoeren op Israël, verliepen moeizamer, maar in juli werd toch een bestand overeengekomen.

Tijdens de laatste gevechten van 1948 vluchtten nog eens 100.000 tot 150.000 Palestijnen. Een aantal van hen, vooral moslims uit Galilea, werd door Joden uit hun huizen gezet. De meeste christenen en druzen (een Arabisch-sprekende islamitische sekte) mochten in hun woonplaatsen blijven. Israëlische leiders wilden zo min mogelijk moslims binnen de grenzen van de Joodse staat, bang als ze waren dat de Arabische staten de jihad in de toekomst opnieuw zouden beginnen (wat inderdaad gebeurde) en dat de Palestijnse Arabieren, met name de moslims, een vijfde colonne zouden vormen tegen Israël.

Benny Morris komt tot de slotsom dat bet vluchtelingenprobleem veroorzaakt werd door een combinatie van factoren, alle in beweging gezet en overschaduwd door de hevige, door de Arabieren begonnen gevechten. “De gebeurtenissen in Palestina/Israël van 1947 tot 1949 waren zo complex en gevarieerd, met radicale veranderingen in de situatie van dag tot dag en van plaats tot plaats, dat het voor de meeste plaatsen onmogelijk is een eenduidige oorzaak voor de uittocht aan te geven.”

Cijferdans met aantallen vluchtelingen
De Verenigde Naties rapporteerden dat 726.000 Palestijnen vluchteling waren geworden voor of tijdens de oorlog. De Israëli’s hielden het op 600.000 vluchtelingen, de Arabieren op een miljoen. Ongeveer 150.000 Arabieren bleven achter in Israël. Het is van belang op te merken, dat bijna twee derde van de Palestijnse vluchtelingen het Heilige Land niet had verlaten, maar was uitgeweken naar de gebieden die volgens het verdelingsplan van de VN deel zouden worden van een Arabische staat. Volgens VN-statistieken vluchtte 36 procent naar de West Bank, de Westelijke Jordaanoever, en 26 procent naar de Gazastrook, op dat moment onder Egyptische bestuur. Veertien procent ging naar Libanon, tien procent naar Syrië, en tien procent naar Transjordanië (een aantal keerde terug naar familie). Slechts een procent vestigde zich in Egypte.

Duizenden Palestijnen die de VN telden als vluchtelingen, vooral velen die van de kustplaatsen naar Judea en Samaria vluchtten, keerden in feite terug naar hun familie. Volgens Israëlische functionarissen kunnen deze mensen niet echt als vluchtelingen worden aangemerkt. Dit is de belangrijkste reden voor de lagere schatting van Israël. VN-functionarissen vermoedden ook, dat meer dan 150.000 mensen die zich meldden als vluchteling, met name in Transjordanië, in werkelijkheid Arabische boeren waren die al buiten Palestina woonden.

Het historische bewijs suggereert dat, hoewel de Israëli’s na maanden bittere strijd een aantal Palestijnse Arabieren uitwees, de meesten vertrokken uit vrije wil of op aandringen van plaatselijke Arabische commandanten. Bovendien, als de Arabieren niet zeker waren geweest van hun capaciteit om de Joodse staat te vernietigen, had het VN-verdelingsplan uitgevoerd kunnen worden met weinig of geen geweld en zonder gedwongen vluchtelingen.

Vele Palestijnen zouden wellicht verkozen hebben naar de nieuwe Arabische staat te verhuizen, en ze zouden waarschijnlijk ook een schadeloosstelling gekregen hebben. Verschillende hervestigings-scenario’s waren reeds besproken bij de Verenigde Naties, het Joods Agentschap, en in Washington. De vlucht van de Palestijnen was tragisch, evenals hun huidige lot. Maar de historische stukken tonen aan dat het niet juist is om de schuld eenzijdig bij Israël te leggen, zoals de Arabieren, de communistische landen, en vele andere landen sindsdien hebben gedaan.

Vluchtelingen als politiek wapen
Toen de onderhandelingen voor een duurzaam bestand in 1949 op gang kwamen, hadden de Israëli’s besloten om een zeer beperkt aantal Arabieren terug te laten keren, als ze al Arabieren terug lieten keren. Ze vonden het gewoon te gevaarlijk om een terugkeer toe te laten nu de situatie zo gespannen was. De Israëlische leiders hoopten, dat de vluchtelingen zich blijvend konden vestigen in Judea, Samaria en Gaza – de gebieden die de Arabische staat volgens het VN-plan zou omvatten – of in de andere landen waar ze naar gevlucht waren.

De Verenigde Staten en de VN oefenden druk uit op Israël om tenminste een derde van de Palestijnen terug te laten keren. Maar na het verlies van vierduizend soldaten en tweeduizend burgers, of een procent van de Joodse bevolking van Israël (vergelijkbaar met twee miljoen Amerikanen in de Vietnam¬oorlog), voelden de Israëli’s er niets voor om een potentiële vijfde colonne toe te laten in de nu hoofdzakelijk Joodse natie.

Israël besefte al snel dat de Arabische landen, wankelend door hun nederlaag, niet van plan waren om de Palestijnse vluchtelingen permanent onder te brengen in huizen, hoewel de VN, de VS en anderen hulp aanboden. Nee, de vluchtelingen zouden het belangrijkste propagandawapen worden in de voortgaande strijd om de Joodse staat te vernietigen. De Egyptenaren waren bang dat het onderbrengen van vluchtelingen in Egypte grotere instabiliteit zou geven.

Aan de andere kant wilde Cairo de Gazastrook niet overdragen aan de Jordaanse koning Abdoellah, aan wie de Egyptische leiders een grote hekel hadden, of het gebied onafhankelijkheid schenken. Abdoellah was absoluut tegen een onafhankelijke Palestijnse staat aan zijn westelijke grens. Dit is de belangrijkste reden van zijn annexatie van de West Bank. De Palestijnen wilden daar ook geen staat; zij waren uit op de totale vernietiging van Israël. De Libanezen hadden het te druk met hun eigen problemen om zich over de Palestijnen te bekommeren. De Syriërs hadden er geen enkel belang bij om iets te doen dat het leven van de ‘zionistische bezetters’ zou vereenvoudigen.

Door de vluchtelingen in overvolle kampen te houden, zou er een gestage stroom van ontevreden jonge mannen komen, die wilden vechten voor de ‘bevrijding van Palestina’. Hun blijvende ontheemding zou ook voeding blijven geven aan de propaganda tegen bet bestaan van het Joodse Israël in het centrum van de Arabisch-islamitische wereld. Daarnaast zouden de Verenigde Naties zorgen voor de medische zorg en het voedsel voor de vluchtelingen, waardoor de Arabische schatkisten dicht konden blijven. Desondanks herhuisvestte Jordanië, als enige, velen van de naar schatting 70.000 Palestijnen die over de Jordaan oostwaarts trokken. De meesten zijn thans redelijk welvarende Jordaanse burgers.

Begin 1950 annexeerde koning. Abdoellah de districten Judea en Samaria en oost-Jeruzalem. Slechts twee landen, Groot-Brittannië en Pakistan, erkenden de annexatie. Om de Joodse aanspraken op het gebied te verminderen, liet de koning de Bijbelse namen Judea en Samaria vervallen en maakte hij bekend dat het geannexeerde gebied voortaan de Westelijke Oever van het koninkrijk Jordanië zou heten, omdat het gelegen was aan de westelijke zijde van de Jordaan.

Tegelijkertijd onderhandelde Abdoellah in het geheim met de Israëlische leiders, om te komen tot een vredesovereenkomst tussen beide landen. In 1951 werd hij voor zijn pogingen vermoord. Een Palestijnse extremist die tegen de ‘verraderlijke gesprekken met de vijand’ was, schoot de koning dood toen hij een bezoek bracht aan de moslimse heiligdommen op de Tempelberg.

door David Dolan

De journalist en auteur David Dolan, geboren en opgegroeid in de Verenigde Staten, woont en werkt sinds 1980 in Jeruzalem, Israël. Zijn bekendste boek Holy War for the Promised Land is inmiddels aan haar 4de herziene druk toe en verscheen bij Broadman & Holman in 2003


Bronnen:

  1. Uit De strijd om het Beloofde Land door David Dolan, uitgeverij J.J. Groen en Zn, Leiden 1991, ISBN 90 5030 213 0; Origineel: Holy War for the Promised Land, Thomas Nelson Publishers, Nashville 1991, ISBN 0 8407 3325 9;