Waarom wordt er over het islamitische antisemitisme gezwegen? [Matthias Küntzel]

drie-apen3
Matthias Küntzel over het boek “The Sons of Pigs and Apes. Muslim Antisemitism and the Conspiracy of Silence” van Neil J. Kressel.

Het boek van Kressel belicht een van de grootste raadsels van onze tijd. Het gaat over de weigering van de westerse elites en van de westerse intelligentsia om het radicale en massale antisemitisme in de islamitische wereld waar te nemen, laat staan dit te begrijpen of zelfs te bestrijden.

sons-ofDe auteur beschrijft de paradox dat westers links, dat de strijd tegen iedere vorm van racisme en fascisme tot zijn doelen verklaart, uitgerekend dan faalt als het om het naziachtige antisemitisme gaat zoals dit bijvoorbeeld te vinden is in de charta van Hamas. Zijn boek is belangrijk, omdat het zich niet beperkt tot de voorstelling van dat antisemitisme, maar de scandaleuze ignorerende omgang met deze Jodenhaat tot thema maakt.

In een eerste stap schetst Kressel de dimensies van het probleem. Zo citeert hij peilingen van het “Pew Global Attitudes Project” uit 2009, volgens welke meer dan 95% van de ondervraagden in Egypte, Jordanië of Libanon een negatieve houding hebben ten opzichte van Joden.

In landen buiten het Midden-Oosten, zoals Pakistan, Indonesië of Turkije nam 70% van de ondervraagden deze houding in en in Nigeria nog altijd 60%. Deze cijfers bewijzen dat de anti-Joodse instelling veel wijder verbreid is dan de radicale islam als politieke tendens.

Kressel wijst mono causale verklaringen voor dit antisemitisme af. Wie het met het Midden-Oostenconflict zou proberen te verklaren, zou, aldus de auteur, de verankering van de Jodenvijandigheid in de islam buiten beschouwing laten. Wie de Jodenhaat echter alleen uit de koran zou afleiden, zou niet kunnen verklaren waarom deze haat nu veel uitgesprokener zou zijn dan in vroeger tijden. Kressel gaat in plaats daarvan uit van een vlechtwerk van oorzaken:

“De religieuze traditie en de geschiedenis van de islam bood een stevige basis voor de toename van de Jodenhaat. Europese antisemieten exporteerden talrijke virulente motieven voor deze vijandschap en bouwden hierbij op die religieuze basis op. Toen het Arabisch-Israëlische conflict in de 20e eeuw aanwakkerde, waren de voorwaarden al aanwezig om de strijd over een stuk land te veranderen in een racistisch en religieus gemotiveerd antisemitisme, zoals men dit in deze mate tot nu toe nog niet had gezien in de islamitische wereld. De gelijktijdige ontwikkeling van de radicale islam wakkerde het vuur van de Jodenhaat aan door diens ergste en theologische precedenten te laten herleven – precedenten, die in de eeuwen daarvoor geen bijzondere rol hadden gespeeld. Met Israëls militaire en economische successen, met de Arabische politieke miskleunen en de toenemende centralisering van de Palestijnse kwestie in het islamitische bewustzijn veranderde de vijandschap tegenover Joden van een bijzaak in een obsessie. Toen uiteindelijk de extremistische stromingen in de islamitische wereld – zoals de PLO, Hezbollah, Khomeini, Hamas, Al Qaida – de indruk wekten dat ze zouden winnen en een weg naar de toekomst zouden wijzen – toen begonnen velen achter hun vaandels aan te marcheren, waaronder de vlag van een enorm afschuwelijk antisemitisme.”

Video: President Morsi in 2010:
Geen onderhandelingen [met Israël], die zonen van varkens en apen!

Samenzwering van het zwijgen

In een tweede stap laat Kressel zien hoe de spelers van het Westen deze “epidemie van haat negeren of verkeerd begrijpen of met opzet bagatelliseren.” Aan de top van deze “samenzwering van het zwijgen”zouden “mensenrechtenactivisten, academici, maatschappelijk werkers, links georiënteerde politieke leiders, linkse journalisten, progressieve christelijke sektes, ambtenaren van de VN en anderen staan, van wie men eigenlijk verwacht dat zij het openlijke vooroordeel met kille vastberadenheid tegemoet treden.” Het lukt Kressel om zijn centrale these van de “samenzwering van het zwijgen” met veel indrukwekkende voorbeelden te bewijzen.

Zo noemt de schrijver een in 2003 gepubliceerde studie over de “Psychoinfo-Index”. Hierbij gaat het om een lijst van alle opstellen uit de psychologie die sinds 1940 zijn verschenen. Volgens deze index werden er tot 2003 458 opstellen m.b.t. het thema antisemitisme geschreven, 99 daarvan in de afgelopen tien jaar. Geen enkele echter concentreerde zich op het antisemitisme in de islamitische of Arabische wereld. Volgens Kressel ziet het er niet anders uit bij de sociologen: de index “Sociological Abstracts” bevat weliswaar 130 opstellen over antisemitisme, die sinds 1963 zijn verschenen, echter geen enkel opstel over het antisemitisme in de islamitische wereld. Hierin zou de laatste jaren iets veranderd zijn, maar nog altijd te weinig.

Kressel citeert de gerenommeerde Oriëntalist Martin Kramer, die klaagt over de politisering van de Middle East Studies aan Amerikaanse universiteiten: hier zou onderzoek zijn vervangen door vooringenomenheid, zodat de toepassing van “enkele vooroordelen tot de beste cijfers leidt, terwijl afwijkende meningen als ´thought-crimes´ behandeld worden.” Deze studieterreinen zouden wat betreft hun linguïstische codes hebben aangepast aan de regimes in het Midden-Oosten: “Veel bevrijdingsretoriek enerzijds, maar keiharde aanvallen tegen iedere vorm van tegenspraak.”

VN: panisch wegkijken

Kressel levert ook indrukwekkende bewijzen uit de achterkamertjes van de Verenigde Naties. Zo zou op 24 januari 2008 de historicus David Littman in de mensenrechtencommissie van de VN als vertegenwoordiger van de World Union of Progressive Judaism (WUPJ), een bij de VN toegelaten NGO met 1,7 miljoen leden, zijn mening verkondigen. De poging van Littman om te citeren uit artikel 2 van de charta van Hamas, die de vernietiging van Israël door de islam bezweert, mislukte echter. Nog voordat hij de eerste zin had kunnen uitspreken, werd hij bot onderbroken door de voorzitter van de vergadering, omdat zijn bijdrage van het thema zou afwijken. Zijn protesten verstomden ongehoord. Geschokt over de weigering van de mensenrechtencommissie om in ieder geval naar hem te luisteren, haalde de Brit van geboorte een beroemde zin uit Hamlet van Shakespeare aan: “Something is rotten in the state of this council.”

Nu begon het theater pas goed: de vertegenwoordigers van 118 landen voelden zich door het citaat van Shakespeare dusdanig beledigd, dat zij een verzoek indienden om de organisatie van Littman, de WUPJ, de VN-waarnemerstatus af te pakken. Littman, stond in de schriftelijk ingediende motivering, zou ongegronde beschuldigingen geuit en het VN-systeem ondermijnd hebben. Uiteindelijk werd een verontschuldiging van de WUPJ geaccepteerd en het congé nipt verhinderd.

Dit incident laat evenwel zien hoe de vooringenomenheid tegenover Israël samengaat met een bijna panische weigering om kennis te nemen van het antisemitisme van Hamas.

Kressel citeert Pedro Sanjuan, een voormalige hoge medewerker van het VN-secretariaat, die na tien dienstjaren een boek over zijn ervaringen binnen het apparaat publiceerde: “Ik merkte”, staat daarin, “dat antisemitisme een gevestigd bestanddeel van de VN-levenswijze was. Het was niet alleen een politieke instelling over Israël. Antisemitisme was een culturele code, die – de ene keer iets minder, een andere keer iets meer – de VN-´cultuur´ definieerde.”

Kressel wil echter niet alleen deze on-cultuur beschrijven, maar ook de oorzaken ervan tot op de bodem uitzoeken. Waarom, vraagt hij, hebben zo weinig waarnemers buiten de joodse gemeenschap de wil en de vaardigheid bewezen om het gevaarlijke karakter van het opnieuw vitaal geworden antisemitisme in het Midden-Oosten te begrijpen? Wat zijn de daadwerkelijke motieven van diegenen die de betekenis van het islamitische antisemitisme ontkennen of minimaliseren? Ik wil graag, schrijft hij, “een eerste stap ondernemen ter opheldering van dit falen.”

In dit opzicht komt zijn boek inderdaad niet verder dan “een eerste stap”. Er worden, om het onheilspellende zwijgen te verklaren, hoofdzakelijk trefwoorden genoteerd. Zo ziet de schrijver “apathie, onwetendheid, verwardheid, kortzichtigheid, verkeerde ideologie, zogenaamd pragmatisme, een in verkeerde banen geleid multiculturalisme en andere redenen” aan het werk. Tegelijkertijd komen aspecten die daadwerkelijk van betekenis zijn voor de onwetendheid van het islamitische antisemitisme te kort.

Beschuldiging van islamofobie

De auteur wijst er toepasselijk op dat bij de catalogus van argumenten die bijdragen tot de ontkenning van het islamitische antisemitisme, de beschuldiging van racisme, of beter gezegd, van de “islamofobie” behoort. Volgens deze beschuldiging zijn de “aanklachten tegen het islamitische antisemitisme een bestanddeel van islamofobe vooroordelen”. Met de beschuldiging dat zij zouden handelen als racisten, wil men in werkelijkheid niet zelden diegenen intimideren die niet met de trend meegaan door te weigeren de Jodenhaat onder moslims te ontkennen of te bagatelliseren.

Daarbij is het begrip “islamofobie” alleen al uitermate misleidend. Hier worden namelijk twee verschillende fenomenen – de ongerechtvaardigde, dus racistisch gemotiveerde afkeer van moslims en de noodzakelijke kritiek op de radicale islam – met elkaar vermengd en allebei veroordeeld. De vaste uitdrukking kwam niet toevallig in het spel. Dit vage woord schijnt hoofdzakelijk daarom te zijn uitgevonden om het islamitische antisemitisme voor kritiek te behoeden of die kritiek te relativeren.

Het is niets nieuws dat men begrippen gebruikt om realiteiten zoals die van het nationaalsocialisme, het antisemitisme of van de Holocaust retorisch te vervagen.

Zo hebben antisemieten als parallelwoord tot “nazisme” het begrip van het “zionisme” gekaapt en op een bepaalde wijze geïnstrumentaliseerd.

Als “tegenbegrip” tot “Holocaust” werd het woord “Nakba” ingevoerd. Het noemt de catastrofe van de Palestijnen, die daardoor ontstond dat meerdere Arabische legers in 1948 de door de VN besloten joodse deelstaat in Palestina met de grond gelijk wilden maken, wat echter mislukte. Hoewel de Holocaust zeker niet het gevolg van een overval was, waarbij meerdere joodse legers Duitsland probeerden uit de weg te ruimen, werden de begrippen “Holocaust” en “Nakba” steeds maar weer parallel gebruikt.

Het tegenwoord echter dat naast het antisemitisme werd geplaatst, heet “islamofobie”.

Op aandringen van de Turkse minister-president Recep Tayyip Erdoğan had de Raad van Europa in mei 2005 voor het eerst de begrippen “antisemitisme en islamofobie” in één ademtocht genoemd. Sindsdien werd deze praktijk gebruik. Het klopt weliswaar dat het racisme een component van het antisemitisme is. Maar het antisemitisme is geen component van het racisme, maar een specifieke ideologie met elementen die men op het gebied van het racisme niet kent. Dit specifieke wordt alleen al door de gedachteloze opsomming – antisemitisme, islamofobie – gerelativeerd.

Ik kan daar hier niet verder op ingaan, ik wil echter alleen maar aanduiden hoe belangrijk de gemotiveerde afwijzing van zulke retorische strategieën is. Het hoofdstuk van Kressel over islamofobie twijfelt echter niet aan dit begrip. Integendeel: “Er bestaan redenen voor de opvatting dat ´angst´ – gerechtvaardigd of niet – een belangrijke component van de negatieve houding tegenover de islam en de moslims vormt. Daarom is de naam ´islamofobie´ zinvol.”

Geen stiekeme goedkeuring?

Tegelijkertijd wijst Kressel de these “volgens welke veel ontkenners en mensen die het islamitische antisemitisme bagatelliseren in de hele wereld zelf in ieder geval een beetje antisemitisch zijn” af. “Dit beginsel schijnt noch bruikbaar noch overtuigend te zijn.” Ook dit zou ik willen tegenspreken, hier echter slechts willen verwijzen naar woorden van de beroemde antisemitismeonderzoeker Léon Poliakov:

“Wie het antisemitisme in zijn primitieve en elementaire vorm niet aan de kaak stelt, en wel juist daarom niet, omdat het primitief en elementair is, moet zich de vraag laten welgevallen of hij daardoor niet aan de antisemieten in de hele wereld een signaal van heimelijke goedkeuring geeft.”

Kressel kan op basis van zijn nogal oppervlakkige anamnese natuurlijk niet al te veel voorstellen ontwikkelen hoe de westelijke “samenzwering van het zwijgen” kan worden opengebroken. Zijn laatste hoofdstuk is echter sterk en innovatief, waarin hij de discussie over het antisemitisme in het milieu van de moslims onderzoekt.

Moslims tegen antisemitisme

Het uitgangspunt van Kressel is de belangrijke opvatting dat de Jodenhaat onder moslims hoofdzakelijk door henzelf moet worden teruggedrongen. Daarom plaatst Kressel de “heroïsche oppositie tegen Jodenhaat” van bekennende moslims zoals Irfan Khawaja en Khaleel Mohammed (allebei uit de VS), van sjeik Abdul Hadi Palazzi (Italië), Irshan Manji (Canada), Morad El-Hattab El-Ibramini (Frankrijk) en Bassam tibi (Duitsland) in een gepast licht. Hij noemt ook de voormalige moslims, die het islamitische antisemitisme expliciet bestrijden, op: Ayaan Hirsi Ali, Nonie Darwish, Wafa Sultan, Mark Gabriel, Ibn Warraq, Kamel Asl-Najjar en anderen.

Het “beslissende probleem” zou er in liggen dat noch de ene noch de andere een noemenswaardig aantal aanhangers kan laten zien. “De eerste en belangrijkste stap”, schrijft Kressel overtuigend, “bestaat erin de wereld veiliger te maken voor de islamitische critici van het antisemitisme – lichamelijk veilig, sociaal veilig, organisatorisch veilig, ja zelfs academisch veilig.”

Neil J. Kressel vergelijkt zijn boek met het beroemde strijdschrift “J´accuse” van de Franse romanschrijver Émile Zola, die met zijn partij kiezen tegen het antisemitisme zorgde voor een ommekeer in de Franse Dreyfus-affaire. Deze vergelijking is duidelijk als je haar ziet in het licht van de aanklagende toon van de schrijver, in het licht van de ademloze verklaring van dit enorme schandaal. Hij is echter minder overtuigend als je haar ziet in het licht van Zola´s effect in Frankrijk.

Het is jammer dat het boek van Kressel niet zo´n vergelijkbaar effect behaalt: om de redenen die de schrijver zo overtuigend beschrijft.

Neil J. Kressel, “The Sons of Pigs and Apes”. Muslim antisemitism and the Conspiracy of Silence, 269 pagina´s, $ 29,95, Potomac Books, Washington D.C., 2012

door Matthias Küntzel

sons-of2


Bronnen:

  1. Matthias Küntzel Blog: Warum wird über den islamischen Antisemitismus geschwiegen? [lezen]
    – vertaald uit het Duits door E.J. Bron als: “Waarom wordt er over het islamitische antisemitisme gezwegen?” [lezen]