Duitsland vandaag: achter emotionele ‘Israëlkritiek’ verbergt zich ruige ijskoude Jodenhaat

kuntzel1De publicist Matthias Küntzel (links) en rabbi Abraham Cooper

E.J. Bron: “We kennen het verschijnsel van het als anti-Zionisme vermomde antisemitisme over de hele wereld en ook in Nederland: Dries van Agts “The Rights Forum” en al wie er aan meewerken is een voorbeeld. Onderhavig stuk van Matthias Küntzel ontmaskert dit stiekeme antisemitisme in Duitsland. Küntzel laat zijn stuk cirkelen rond een zekere Jakob Augstein, een rijkeluiszoontje dat zich in de uitgeverswereld beweegt en in Duitsland landelijke bekendheid geniet als krypto-antisemiet. Zoals gewoonlijk bij zulke types is mijnheer ook islamofiel. Hij staat op de lijst van antisemieten van 2012 die het Simon Wiesenthal Centrum in Los Angeles elk jaar uitgeeft.”

Positiebepaling naar aanleiding van de persconferentie van het “Mideast Freedom Forum Berlin” met rabbi Abraham Cooper over het “Simon Wiesenthal Centrum en de lijst met de ergste antisemitische/anti-Israëlische belasteringen in 2012” op 31-01-2012 in Berlijn.

Ik ben het Simon Wiesenthal Centrum dankbaar dat het Jakob Augstein op zijn citatenlijst 2012 heeft gezet en daarmee de eerste stoot heeft gegeven tot het huidige debat.

Enkele mensen waren geïrriteerd, omdat niet een lid van ( . . .) de SS-generatie onder verdenking is komen te staan, maar een jonge ster uit de journalistiek – een uitgesproken linkse figuur, die zichzelf tot diegenen rekent die het antisemitisme bestrijden.

Wie iets nauwkeuriger kijkt naar zijn teksten en televisieoptredens, stuit echter op een grote hoeveelheid toespelingen en fantasieën, die geen realiteit beschrijven, maar beelden van het antisemitisme mobiliseren: daarin schijnen Israëli´s te commanderen en Duitsers zich koest te houden, daarin wordt het beeld van de infaam lachende Jood en van de uitgelachen Duitser gemobiliseerd, daarin wordt het woord van Günter Grass, “Israël bedreigt de toch broze wereldvrede”, tot een nieuwe openbaring en wordt de schrijver tot martelaar verklaard: “Hij heeft het op zich genomen om deze zin voor ons allemaal uit te spreken.”

Maar ook dit klopt niet. 65% van de Duitsers sprak deze zin al in 2003 in het kader van een EU-enquête uit. Ze waren het erover eens dat Israël “de grootste bedreiging voor de wereldvrede is.” Bondskanselier Angela Merkel heeft in meerdere toespraken de aandacht gevestigd op deze peiling, bijvoorbeeld in haar toespraak voor de Knesset in 2008 en in haar toespraak in het Berlijnse Joodse Museum in 2011. “Hoe gaan we ermee om wanneer in enquêtes een duidelijke meerderheid van de ondervraagden in Europa zou zeggen dat de grootste bedreiging voor de wereld van Israël zou uitgaan en niet bijvoorbeeld van Iran?” Ze pleitte ervoor “om niet terug te deinzen voor deze publieke opinie”, maar, “hoe ongemakkelijk het ook mag zijn”, te staan op de correctie van zulke hersenschimmen.”

Jakob Augstein zou graag het tegendeel willen: hij wil het antisemitisch opgeladen massabewustzijn, dat in Israël de brandstichter van de wereld ziet, versterken en pleit voor een nieuwe politiek die rekening houdt met deze publieke opinie.

We weten niet welke regering en welke politiek uiteindelijk aan het eind van dit jaar de overhand zal krijgen. Maar we weten dat de krachten van het antisemitisme, die in Teheran, Gaza en Cairo Israëls vernietiging propageren en plannen, nog nooit zo machtig waren als nu. En we weten dat grotere confrontaties tussen het democratische Israël en die machten van het antisemitisme niet zijn uitgesloten.

Het gaat bij deze confrontatie dus niet om muggenzifterij over een begrip, maar om kernbestanddelen van de Duitse binnen- en buitenlandse politiek. Het gaat om de vraag welke houding Duitsland denkt in te nemen met het oog op de bedreiging van Israël door het globale antisemitisme. Het gaat om de vraag welke conclusies we uit het Duitse verleden trekken en hoe de relatie tussen niet-Joden en Joden in Duitsland er in de toekomst zal uitzien.

Het op Israël betrokken antisemitisme, dat doorschijnt in de associaties van Augstein, wordt al tientallen jaren onderzocht. Laat me citeren uit het jongste rapport van de universiteit Bielefeld uit 2012 over “Antisemitische Mentaliteiten”: “Veelvuldig blijkt de aangedragen kritiek op Israël beladen te zijn met antisemitisme respectievelijk als vehikel om antisemitisme te transporteren … Ook de opmerkelijke emotionaliteit vertoont antisemitische trekken, omdat zij in deze vorm vaak alleen waar te nemen is bij het thema Israël en het Midden-Oostenconflict.” De “getransformeerde vormen van het antisemitisme” zijn subtiel, … omdat ze schijnbaar Joden en het Jodendom vermomd als ´rechtvaardige kritiek´…helemaal niet afkeuren.” (Andreas Zick en Beate Küppers, Antisemitische Mentaliteiten. Rapport over de resultaten van het onderzoeksproject groepsbetrokken mensvijandigheid in Duitsland en Europa. Expertise voor de deskundigenkring Antisemitisme, Berlijn 2011).

En toch heeft het Simon Wiesenthal Centrum Jakob Augstein geenszins a priori een antisemiet genoemd, zoals hier in Duitsland werd beweerd, maar een brug gebouwd naar deze journalist: het zou immers kunnen zijn, zei rabbi Cooper, dat een persoon antisemitische uitlatingen zou doen zonder zich daarvan bewust te zijn. Hoe er over Augstein geoordeeld zou moeten worden, zou dus afhangen van zijn antwoorden op de beschuldigingen.

Heeft Jakob Augstein deze brug betreden? In een lang twistgesprek met Dieter Graumann, de voorzitter van de Centrale Raad van de Joden in Duitsland, dat “Der Spiegel” op 14 januari publiceerde, kreeg hij de gelegenheid tot uitleg. Hij hield echter niet alleen vast aan zijn formuleringen, die, afgezien van een nazi-associatie, “niets aanstootgevends” en zogenaamd “rationele” argumenten bevatten. Hij grensde zich tegelijkertijd af van de “neurotische journalistiek” en van de “ingehouden teksten” van andere journalisten. In werkelijkheid zou hij “normaliteit in de omgang met Israël” en “geen dubbele standaards” gepraktiseerd hebben.

Augstein toonde egocentrisme in plaats van gevoeligheid. Hij deed zelfs alsof hij de Duitse journalistiek van de schaduw van het verleden bevrijd zou hebben. Zijn polemiek tegen de “neurotische” en “ingehouden” journalistiek wil echter niet de vrijheid van de kritiek – die heeft altijd bestaan – maar de vrijheid van het ressentiment, de vrijheid tot haat.

Tegelijkertijd serveert hij de voorzitter af van de Centrale Raad van de Joden in Duitsland, Dieter Graumann. Toen Graumann hem verzocht om in ieder geval de joodse stem “serieus te nemen”, counterde de uitgever [Augstein] met het verwijt dat Graumann censuur zou willen toepassen, net alsof de joodse stem bij datgene wat Augstein onder normaliteit beschouwt, alleen maar zou storen.

Hij zei het huidige Israël om dezelfde reden altijd gemeden te hebben en ook verder te mijden als waarom men Zuid-Afrika in de tijd van de Apartheid gemeden zou hebben.

Het was een drastisch en schokkend gesprek, dat de kwalificatie van het Simon Wiesenthal Centrum onverwacht duidelijk bevestigde. Na de publicatie ervan gebeurde er echter iets dat ik tot op de dag vandaag niet kan begrijpen. Terwijl in het begin van dit Augstein-debat de media met steeds nieuwe berichten en commentaren elkaar bijna overtroefden, werd het na het “Spiegel”-gesprek bijna angstig stil. Waarom?

Waren Augsteins collega´s over diens optreden gewoon alleen maar enthousiast zonder dat naar buiten toe te willen demonstreren? Of wordt er, wat ik eerder vermoed, zo algemeen gezwegen, omdat voor een paar mensen, die in het begin zo overduidelijk partij kozen voor Augstein, de zaak te pijnlijk geworden is?

Natuurlijk kon men, toen in het begin van het jaar de Wiesenthal-lijst bekend werd, hierover van mening verschillen. Men kon informatie inwinnen en het geheel becommentariëren. Maar dat gebeurde dus niet! Afgezien van enkele uitzonderingen nam men Augsteins teksten als in een reflex en hartstochtelijk in bescherming. Wat Augstein als individu schreef, was aanstootgevend. Wat zich hier echter als een collectieve reflex openbaarde, was schrikbarend.

Bijna iedereen steunde Augstein: CDU en Die Linke, “taz” en “FAZ”, de Duitse journalistenvereniging en het Centrum voor Antisemitismeonderzoek, de vicepresident van de Centrale Raad van de Joden in Duitsland en de secretaris-generaal van de Evangelische Academies.

Om de aanval van buiten er gevaarlijker te laten uitzien, werd er van de tekstkritiek van het Wiesenthal Centrum een soort opsporingsoproep gemaakt. Men zou Augstein “tot misdadiger, zogezegd vogelvrij verklaard hebben”, beweerde de “Tagesspiegel”. “Wie kritiek heeft op Israël wordt met antisemitisme-hagel beschoten”, klaagde de “taz”.

Men deed alsof men ervan overtuigd was dat zo iemand als Augstein geen antisemiet kan zijn. Want als hij dat zou zijn, dan zouden “wij” het mogelijk ook zijn. Veel mensen vinden dit idee grappig, aldus de “taz”, die een commentaar de titel “Wij antisemieten” gaf. Of een schrijver van de “Tagesspiegel”, die “ook op de antisemietenlijst” wilde komen.

Misschien is juist dat het punt, dat de massale solidariteit met Augstein verklaart: het op Israël betrekking hebbende antisemitisme is in Duitsland dusdanig wijdverbreid dat er al bijzondere inspanningen voor nodig zijn om hierdoor niet te worden aangestoken. Net zoals het vroeger normaal was dan men in het algemeen iets tegen “Joden” had, is het tegenwoordig normaal dat men in het algemeen iets tegen “Israël” heeft. Je kunt boos worden over dit feit. Echt belangrijk echter is om er nuchter kennis van te nemen.

Men kent het uit de statistiek: 81% van de Duitsers was het in 2004 eens met de uitspraak: “De oorlog van Israël tegen de Palestijnen is niet te rechtvaardigen.” 40 procent van de Duitsers vond het in 2008 juist om de Israëlische handelwijze tegen de Palestijnen op gelijke hoogte te plaatsen met het optreden van de nazi´s tegen de Joden. 38% was in 2010 van mening: “Door de politiek, die Israël bedrijft, kan ik goed begrijpen dat men iets tegen Joden heeft.” (Zick/Küppers en Antisemitisme in Duitsland, rapport van de onafhankelijke deskundigenkring Antisemitisme, Berlijn 2011).

We kennen het echter ook uit het leven van alledag: de ogen van de gesprekspartner beginnen koortsachtig te glanzen, zijn stem krijgt een metalen klank – als er ook maar een kleine kans bestaat om met de beschuldigende vinger in de richting van Israël te wijzen. Waarom? Omdat het onderhuids gaat om emoties, om bevrijding van schuld. We moeten ons de grote psychologische verlokking voor ogen houden, die eruit bestaat om in Israëli´s, dus Joden, wrede misdadigers te zien. Dan namelijk staan wij Duitsers wat betreft het schuldensaldo quitte.

Het gaat beide in elk geval samen: hier de afschuw voor het antisemitisme van de nazi´s. Daar de miljoen-voudige acceptatie van een antisemitisme dat zich verbergt achter de naam “Israëlkritiek”. “De waan wordt natuurlijk nooit ingezien door wie hem zelf nog deelt”, schreef Siegmund Freud in 1930. Moet de collectieve solidariteitsreflex met Augstein misschien zo worden opgevat?

Bij het griezelige stilzwijgen dat er op het “Spiegel”-gesprek volgde, mag het nu niet blijven. Steeds opnieuw heeft de onverschilligheid van de ene het antisemitisme van de ander aan de doorbraak geholpen. Daarom moet ook de bijval voor Augstein onderwerp zijn van kritische en zelfkritische beschouwingen.

Ik dank rabbi Cooper dat hij naar Berlijn gekomen is en ik hoop – nee: ik eis! – dat de eigenlijke discussie over journalistiek en antisemitisme begint.

door Matthias Küntzel


Bronnen:

  1. Matthias Küntzel blog: “Auffällige Emotionalität” door Matthias Küntzel [lezen]
    – vertaald uit het Duits door E.J. Bron als “Opmerkelijke emotionaliteit” [lezen]
  2. Mideast Freedom Forum Berlin: Pressekonferenz: „Das Simon Wiesenthal Center und die Liste der schlimmsten anti-semitischen/antiisraelischen Verunglimpfungen 2012“ – Donnerstag, den 31. Januar 2013, Berlin mit Rabbi Abraham Cooper vom Simon Wiesenthal Center, Los Angeles; Dr. Matthias Küntzel, Politikwissenschaftler, Hamburg [lezen]