Het nieuwe antisemitisme – Eerst religie, dan ras, dan wat? (deel2) [Bernard Lewis]

The New Anti-Semitism

First religion, then race, then what?

door Bernard Lewis [http://theamericanscholar.org/]
vertaling Vederso/E.J. Bron [http://ejbron.wordpress.com/]

<Vervolg van Deel 1>

Toen kwam het Derde Rijk, met verbindingen naar de Arabische wereld en later naar andere moslimlanden. Nu de Duitse archieven open zijn, weten we dat binnen enkele weken nadat Hitler in 1933 aan de macht kwam de Grootmoefti van Jeruzalem in contact trad met de Duitse consul-generaal in Jeruzalem, Dr. Heinrich Wolff, en bood zijn diensten aan. Het is interessant dat het algemene beeld van Duitsers die de Arabieren achternaliepen het omgekeerde is van wat er gebeurde. De Arabieren achtervolgden de Duitsers en de Duitsers waren zeer terughoudend in hun opstelling. Dr. Wolff deed de aanbeveling en zijn regering was het ermee eens dat zolang er enige hoop was tot het maken van een deal met het Britse Rijk om te komen tot de vorming van een soort van Arische-Noordse as in het Westen het zinloos zou zijn om de Britten tegen zich in het harnas te jagen door de Arabieren te ondersteunen.

Maar toen veranderden geleidelijk de zaken, vooral na de Conferentie van München in 1938. Dat was het keerpunt, toen de Duitse regering uiteindelijk besloot dat er geen deal te maken viel met Groot-Brittannië, geen Arische as. Toen richtten de Duitsers hun aandacht meer serieus op de Arabieren, antwoordden eindelijk op hun toenaderingen en vanaf dat moment ontwikkelde de relatie zich snel.

De Franse overgave in 1940 gaf de nazi’s nieuwe mogelijkheden voor acties in de Arabische wereld. In Vichy-gecontroleerd Syrië waren zij in staat een tijdje een inlichtingen- en propagandabasis in te richten in het hart van het oosten van Arabië. Vanuit Syrië breidden ze hun activiteiten uit naar Irak, waar ze hielpen om een pro-nazi-regime onder leiding van Rashid Ali al-Gailani te vestigen. Dit regime werd door de Britten ten val gebracht en Rashid Ali sloot zich aan bij zijn vriend, de Grootmoefti van Jeruzalem, in Berlijn, waar hij als gast van Hitler bleef tot het einde van de oorlog. In de laatste dagen van het regime van Rashid Ali, op de eerste en de tweede juni van 1941, lanceerden soldaten en burgers moorddadige aanvallen op de oude Joodse gemeenschap in Bagdad. Deze werd gevolgd door een reeks gelijksoortige aanvallen in andere Arabische steden, zowel in het Midden-Oosten als in Noord-Afrika.

In Berlijn werd Rashid Ali blijkbaar ongerust door de taal en meer in het bijzonder door de terminologie van het antisemitisme. Zijn bezorgdheid werd op gezag van de autoriteiten verwijderd uit een briefwisseling met een officiële woordvoerder van de Duitse nazi-partij. In antwoord op een vraag van Rashid Ali of antisemitisme ook gericht was tegen de Arabieren, omdat ze deel uitmaakten van de Semitische familie, verklaarde Professor Walter Gross, directeur van het Bureau voor Rassenpolitiek van de nazi-partij, met grote nadruk in een brief van 17 oktober 1942 dat dit niet het geval was en dat antisemitisme volledig en uitsluitend Joden betrof. Integendeel, merkte hij op, de nazi’s hadden altijd sympathie en steun getoond voor de Arabische zaak tegen de Joden. In het verloop van zijn brief maakte hij zelfs de opmerking dat de uitdrukking “antisemitisme, die al tientallen jaren in Europa gebruikt wordt door de anti-Joodse beweging, onjuist was, omdat deze beweging zich uitsluitend richt tegen het Jodendom en niet tegen andere volkeren die een Semitische taal spreken”.

Ogenschijnlijk veroorzaakte dit enige bezorgdheid in nazi-kringen en korte tijd later werd er een commissie opgericht die voorstelde dat de Führer zijn toespraken en zijn boek “Mein Kampf” zou moeten herzien en de term “anti-Joods” zou moeten invoeren in plaats van “antisemitisch” om “onze Arabische vrienden” niet te beledigen. De Führer was het er niet mee eens en dit voorstel werd niet aanvaard. Er was nog steeds geen groot probleem in de Duits-Arabische relaties voor, tijdens en zelfs nog een tijdje na de oorlog.

Het effect van de nazipropaganda was immens. We zien het in Arabische memoires uit die periode en natuurlijk in de oprichting van de Ba’ath-partij. We gebruiken het woord “partij” als we spreken van de Ba’ath in dezelfde zin als waarin men spreekt van de fascistische, nazi- of communistische partijen – geen partij in westerse zin, een organisatie op zoek naar stemmen en het winnen van verkiezingen, maar partij als deel van de inrichting van de overheid, met name met betrekking op indoctrinatie en onderdrukking. En antisemitisme, Europese stijl, werd een zeer belangrijk onderdeel van die indoctrinatie. De basis was er. Er was een zekere mate van vertaalde literatuur. Het werd veel belangrijker na de gebeurtenissen van 1948, toen de vernederde Arabieren troost putten uit de leer van de Joden als een bron van kosmisch kwaad. Dit ging steeds verder en groeide met latere Arabische nederlagen, met name na de ultieme vernedering van de oorlog van 1967, die Israël in minder dan een week won. De groei van antisemitisme Europese stijl in de Arabische wereld is voornamelijk ontstaan in dit gevoel van vernedering en daarom de noodzaak om aan de Joden een heel andere rol toe te schrijven dan hun traditionele rol in de Arabische folklore en veel dichter bij die van de antisemitische prototypes.

Tegenwoordig zijn de vertrouwde thema’s van het Europese antisemitisme – de bloedlaster, De Protocollen van de Wijzen van Zion, de internationale Joodse samenzwering en de rest – gemeengoed geworden in de Arabische wereld, in het klaslokaal, op de preekstoel, in de media en zelfs op het internet. Het is bitter ironisch dat deze thema’s zijn overgenomen door moslims, die daartegen voorheen altijd immuun leken, juist op een moment dat deze in Europa alleen nog schaamte teweeg brengen, zelfs onder antisemieten.

Wat deze ontwikkeling aanmoedigde was iets dat men alleen maar kan omschrijven als de instemming van de Verenigde Naties en van het Verlichte deel van de publieke opinie in het Westen. Laat me een paar voorbeelden aanhalen. Op 29 november 1947 heeft de VN de beroemde resolutie aangenomen waarin wordt opgeroepen tot de verdeling van Palestina in een Joodse staat, een Arabische staat en een internationale zone van Jeruzalem. De VN hebben deze resolutie aangenomen zonder enige voorzieningen te treffen voor de handhaving ervan. Iets meer dan twee weken later nam de Arabische Liga tijdens een openbare vergadering op 17 december een resolutie aan, waarin wordt verklaard dat zij alle ter beschikking staande middelen zal gebruiken, met inbegrip van gewapende interventie, om de VN-resolutie teniet te doen – een openlijke uitdaging aan de VN, die niet werd beantwoord niet en nog steeds onbeantwoord blijft. Er werd geen poging gedaan om te reageren, geen poging om een gewapende interventie te voorkomen, die prompt door de Arabische Liga gelanceerd werd.

De omgang van de Verenigde Naties met de oorlog van 1948 en de daaruit voortvloeiende problemen toont enkele merkwaardige ongelijkheden, bijvoorbeeld in de kwestie van de vluchtelingen. Aan het einde van de eerste strijd in Palestina stond een deel van het land onder het bewind van de nieuwe Joodse staat, een deel onder het bewind van de naburige Arabische regeringen. Een groot aantal Arabieren bleef in de gebieden onder Joodse heerschappij. Het werd vervolgens als vanzelfsprekend aangenomen, en is sindsdien nooit meer ter discussie gesteld, dat er geen Joden konden blijven in Palestijnse gebieden onder Arabische heerschappij, zodat er zowel Arabische vluchtelingen uit de Joods gecontroleerde gebieden als Joodse vluchtelingen uit de Arabisch gecontroleerde gebieden waren uit het Palestijnse mandaatgebied. Niet alleen kolonisten, maar oude, gevestigde groepen, met name de oude Joodse gemeenschap in Oost-Jeruzalem, dat volledig werd ontruimd en waarvan zijn monumenten ontheiligd of vernietigd werden. De Verenigde Naties noch de internationale publieke opinie leken hiermee problemen te hebben. Toen de Joden werden verdreven, werden er geen voorzieningen voor hen getroffen, kregen ze geen hulp aangeboden, werd er niet geprotesteerd. Dit was zeer zeker een zeer duidelijk signaal aan de Arabische wereld, een minder duidelijk signaal aan de joden.

Joodse vluchtelingen kwamen niet alleen uit die delen van Palestina die onder Arabische heerschappij stonden, maar ook uit Arabische landen waarvan de Joodse gemeenschappen ofwel vluchtten of werden verdreven, in aantal ongeveer gelijk aan die van de Arabische vluchtelingen uit Israël. Nogmaals, de reactie van de Verenigde Naties op de twee groepen van de vluchtelingen was heel verschillend. Voor de Arabische vluchtelingen in Palestina werden zeer uitgebreide afspraken gemaakt en werd een zeer uitgebreide financiering verstrekt. Dit in tegenstelling tot niet alleen de behandeling van Joden uit Arabische landen, maar tot de behandeling van alle andere vluchtelingen in die tijd. De verdeling van Palestina in 1948 was een triviale aangelegenheid in vergelijking met de opdeling van India in het voorgaande jaar, die resulteerde in miljoenen vluchtelingen – Hindoes die vluchtten of werden verdreven uit Pakistan naar India en moslims die vluchtten of werden verdreven uit India naar Pakistan. Dit gebeurde geheel zonder enige hulp van de Verenigde Naties en misschien om die reden werden de vluchtelingen allemaal opnieuw gehuisvest. Men kan een stapje verder teruggaan en praten over de miljoenen vluchtelingen in Centraal en Oost-Europa ; Polen, op de vlucht uit de Oost-Poolse gebieden, geannexeerd door de Sovjet-Unie, en Duitsers op de vlucht uit de Oost-Duitse gebieden die werden toegevoegd aan Polen. Miljoenen van hen, van beide nationaliteiten, werden volledig aan hun eigen volk en hun eigen middelen overgelaten.

Enkele andere maatregelen, die op dat moment werden genomen, moeten worden genoemd. Alle betrokken Arabische regeringen kondigden twee dingen af. Ten eerste zouden ze Israël niet erkennen. Ze hadden het recht om dat te doen. Ten tweede zouden ze geen Israëli’s van welke religie dan ook op hun grondgebied toelaten, wat betekende dat niet alleen de Israëlische Joden, maar ook de Israëlische moslims en christenen niet werden toegelaten tot Oost-Jeruzalem. Katholieke en protestantse christenen mochten een keer per jaar op eerste kerstdag een paar uur naar Jeruzalem, maar verder was er geen toegang tot de heilige plaatsen in Jeruzalem voor de Joden of christenen. Erger nog, moslims uit Israël waren niet in staat om op bedevaart te gaan naar Mekka en Medina. Voor christenen is een bedevaart optioneel. Voor moslims is het een fundamentele verplichting van het geloof. Een moslim is verplicht om op bedevaart te gaan naar Mekka en Medina, tenminste een keer in een mensenleven. De Saoedische regering besliste op dat moment dat moslims die Israëlische burgers waren, niet konden gaan. Enkele jaren later paste zij deze verordening aan.

Tegelijkertijd kondigden vrijwel alle Arabische regeringen af dat ze geen visa zouden verstrekken aan Joden van alle nationaliteiten. Dit was niet stiekem – het was openbaar, afgekondigd op de visumformulieren en in de toeristische literatuur. Ze maakten heel duidelijk dat aan mensen met de Joodse religie, ongeacht hun nationaliteit, geen visa zouden worden gegeven of zou worden toegestaan een onafhankelijk Arabisch land binnen te komen. Nogmaals, geen woord van protest van waar dan ook. Men kan zich de verontwaardiging voorstellen als Israël had aangekondigd dat het geen zou visa zou geven aan moslims, nog meer dan de Verenigde Staten dat zouden doen. Zoals het gericht was tegen joden, werd dit verbod als volkomen natuurlijk en normaal gezien. In sommige landen is het tot de dag van vandaag van kracht, maar in de praktijk hebben de meeste Arabische landen het beëindigd.

Noch de Verenigde Naties noch het publiek protesteerde hier op enigerlei wijze tegen, dus is het niet verwonderlijk dat de Arabische regeringen concludeerden dat zij een vergunning hadden voor dit soort acties en erger. Een ander voorbeeld: In tegenstelling tot de andere Arabische landen waren de Jordaniërs op dat moment bereid om de Palestijnse vluchtelingen te accepteren als burgers en de Jordaanse wet op de nationaliteit van 4 februari 1954 bood het Jordaanse staatsburgerschap aan de Palestijnen aan, gedefinieerd als inwoners en ingezetenen van het mandaatgebied van Palestina – “behalve Joden.” Dit was duidelijk vermeld. Geen fluister van protest, van wie dan ook, waar dan ook.

Deze voorbeelden kunnen dienen ter illustratie van de sfeer waarbinnen het nieuwe Arabische antisemitisme groeide en bloeide. Na de oorlog van 1967 kwamen de Israëli’s in het bezit van de voormalige Arabisch bezette Palestijnse gebieden, waaronder een aantal scholen, die werden gerund door de UNRWA, de organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening. Deze scholen werden gefinancierd door de Verenigde Naties. Toen de Israëli’s de kans kregen om te kijken naar de Syrische, Jordaanse, Egyptische leerboeken die deze door de VN gefinancierde scholen gebruikten, vonden ze vele voorbeelden van duidelijk antisemitisme. Hoewel de Israëli’s niets aan het antisemitisme konden doen in leerboeken in de Arabische landen, voelden ze dat ze iets aan het antisemitisme konden doen in schoolboeken die gebruikt werden in scholen, gefinancierd en onderhouden door de Verenigde Naties. De zaak werd doorverwezen naar de VN, die hem doorverwees naar de UNESCO, die een commissie van drie hoogleraren Arabisch benoemde; een Turk, een Fransman en een Amerikaan. Deze professoren onderzochten de leerboeken en schreven een lang rapport om te zeggen dat sommige schoolboeken aanvaardbaar waren, sommigen niet meer geschikt en zouden moeten worden afgeschaft en sommigen zouden moeten worden gecorrigeerd. Het rapport werd gepresenteerd aan de UNESCO op 4 april 1969. Het werd niet gepubliceerd.

Voor diegenen die het nog nodig hadden; dit alles voorzag in een up-to-date, een intellectueel en maatschappelijk aanvaardbare achterliggende redenering (rationele) voor wat antisemitisme genoemd zou moeten worden, maar aangezien dat woord niet acceptabel is, kan het sarren van Joden worden genoemd, Jodenhaat, of gewoon onaardig tegenover Joden zijn.

De rationele heeft op die manier twee doelen gediend: een voor Joden, de andere voor hun vijanden. In het antisemitisme van de eerste fase, toen de vijandigheid was gebaseerd op godsdienst en werd uitgedrukt in religieuze termen, had een Jood altijd de mogelijkheid van kamp te veranderen. Toen tijdens de Middeleeuwen en de vroege moderne tijd de Joden door christenen werden vervolgd, konden ze zich bekeren. Niet alleen konden ze aan de vervolging ontsnappen; ze konden zich zelfs aansluiten bij hun vervolgers als zij dat wensten en inderdaad klom een aantal van hen op tot een hoge rang in de kerk en in de Inquisitie. Raciaal antisemitisme maakte die optie onmogelijk. Het huidige ideologische antisemitisme heeft het gerestaureerd en het is nu als in de Middeleeuwen; er lijkt een aantal mensen bereid te zijn gebruik te maken van deze optie.

Voor niet-Joden bracht de (veranderde) rationele een ander soort van opluchting. Al bijna meer dan een eeuw wordt elke discussie over Joden en hun problemen overschaduwd door de grimmige herinneringen aan de misdaden van de nazi’s en aan de medeplichtigheid, de berusting of de onverschilligheid van zoveel anderen. Maar onvermijdelijk wordt de herinnering aan die tijd vaag en bieden Israël en haar problemen een mogelijkheid om van de onbekende en onprettige houding van schuld en berouw afstand te nemen en weer de meer vertrouwde en comfortabele positie in te nemen van strenge afkeuring, gebaseerd op een houding van morele superioriteit. Het is niet verwonderlijk dat deze kans op grote schaal wordt verwelkomd en benut.

Het nieuwe antisemitisme heeft weinig of geen invloed op de goede en slechte kanten van het Palestijnse conflict, maar het moet wel enig effect hebben op de perceptie van het probleem en dus ook op het gedrag en misschien zelfs op het beleid van zowel deelnemers als buitenstaanders. Ook komt alle nonsens niet van één kant. Men zou kunnen stellen dat wanneer Arabieren worden beoordeeld volgens een lagere norm dan de Joden, zoals de minimale aandacht voor de gruwelijke misdaden gepleegd in Darfur, dit meer beledigend is voor Arabieren dan voor Joden. Minachting is inderdaad meer vernederend dan haat. Maar minder gevaarlijk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.